Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2007:AZ8103

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
08-02-2007
Datum publicatie
08-02-2007
Zaaknummer
68340 / KG ZA 07-20
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vordering tot opheffing van conservatoire beslagen afgewezen. Niet (summierlijk) gebleken van ondeugdelijkheid van het ingeroepen recht of van onnodig beslag. Geen aanleiding de vordering waarvoor beslagen zijn gelegd op lager bedrag te begroten.

Vordering in reconventie niet aangekondigd. Toelating van die vordering in dit geval in strijd met de goede procesorde. Vordering derhalve niet ontvankelijk verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2007, 123
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 68340 / KG ZA 07-20

Vonnis in kort geding van 8 februari 2007

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

VAN SILLEVOLDT RIJST B.V.,

gevestigd te Papendrecht,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

procureur mr. V.J. Groot,

advocaten mr. B. van der Pal te Rotterdam en mr. H. Meerman te Dordrecht,

tegen

[gedaagde conv. / eiser reconv.],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

procureur mr. C.F.W.A. Hamm,

advocaten mr. J.P.M. Borsboom en mr. L. van Luipen te Barendrecht.

Partijen zullen hierna VSR en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. De voorzieningenrechter heeft ter terechtzitting van 25 januari 2007 kennis genomen van de volgende processtukken:

- de dagvaarding van 22 januari 2007, met producties,

- de pleitnota van VSR

- de pleitnota van [gedaagde] met conclusie van eis in reconventie

- de door [gedaagde] overgelegde producties.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [gedaagde] is op 1 november 1978 in dienst getreden bij (de rechtsvoorganger van) VSR. Vanaf 1 januari 2002 bekleedde hij de functie van statutair directeur van VSR.

2.2. In verband met de voormelde functiewijziging zijn partijen een afvloeiingsregeling overeengekomen. Deze afvloeiingsregeling luidt:

"Bij tussentijdse beëindiging van de overeenkomst door de werkgever, zal er een financiële vergoeding worden betaald voor de nog resterende periode van de arbeidsovereenkomst, alsmede een vergoeding op basis van de Kantonrechters formule.

De financiële vergoeding zal niet hoger zijn dan het totale salarissom incl. emolumenten tot de wettelijke pensioenleeftijd.

C.M. Van Sillevoldt BV stelt zich garant voor een correcte afwikkeling van deze regeling. De financiële vergoeding bestaat uit de volgende componenten.

* Jaarsalaris inclusief gratificatie van minimaal 3 maanden

* Vakantietoeslag

* Pensioenpremie betaling conform regeling."

2.3. Op 14 december 2005 is een vergadering van aandeelhouders van VSR belegd om de positie van [gedaagde] te bespreken. Tijdens deze aandeelhoudersvergadering is het dienstverband met [gedaagde] beëindigd tegen 30 april 2006, onder voorbehoud van het recht van de vergadering dat ontslag om te zetten in een ontslag op staande voet. Op de aandeelhoudersvergadering van 8 maart 2006 is [gedaagde] op staande voet ontslagen.

2.4. [gedaagde] heeft de nietigheid van het ontslag op staande voet ingeroepen en een bodemprocedure tegen VSR aanhangig gemaakt.

2.5. Op 11 januari 2007 heeft [gedaagde] met verlof van de voorzieningenrechter van deze rechtbank ten laste van VSR conservatoir beslag doen leggen onder de Fortis Bank N.V., Silvo B.V., Albert Heijn B.V., Schuitema N.V., Lidl Nederland GmbH, Laurus Nederland N.V. en Aldi Roosendaal B.V. en heeft hij tevens conservatoir beslag doen leggen op het bedrijfspand van VSR. Deze conservatoire beslagen heeft [gedaagde] doen leggen tot zekerheid van verhaal van zijn vordering op VSR die door de voorzieningenrechter conform het verzoek van [gedaagde] met inbegrip van rente en kosten is begroot op € 1.600.000,-.

3. Het geschil in conventie

3.1. VSR vordert na wijziging van haar eis - samengevat -:

primair: [gedaagde] te veroordelen tot opheffing van alle door hem op 11 januari gelegde beslagen, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom,

subsidiair: [gedaagde] te veroordelen tot opheffing van de door hem op 11 januari 2007 onder derden gelegde beslagen, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom,

meer subsidiair: de vorderingen waarvoor de beslagen gelegd zijn voorlopig te begroten op € 500.000,-, althans een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen bedrag.

Dit alles met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van het geding.

3.2. [gedaagde] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. Het geschil in reconventie

4.1. [gedaagde] vordert - samengevat - veroordeling van VSR tot betaling van € 150.000,- bruto binnen veertien dagen na betekening van het vonnis, met veroordeling van VSR in de kosten van het geding.

4.2. VSR voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5. De beoordeling in conventie

5.1. De opheffing van een conservatoir beslag kan onder meer worden bevolen, indien op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen zijn verzuimd, summierlijk blijkt van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht of van het onnodige van het beslag, of, zo het beslag is gelegd voor een geldvordering, indien voor deze vordering voldoende zekerheid is gesteld.

5.2. VSR is er, onder voorbehoud van haar rechten, in het kader van dit geding vanuit gegaan dat het verleende ontslag op staande voet nietig is. Nu [gedaagde] daardoor niet wordt benadeeld, zal derhalve hierna van dat uitgangspunt worden uitgegaan.

5.3. Uit het overgelegde beslagrekest blijkt dat de vordering waarvoor [gedaagde] beslag heeft doen leggen uit de volgende posten is opgebouwd:

a. de contractuele afvloeiingsregeling

b. schadevergoeding wegens kennelijk onredelijk ontslag

c. pensioenschade.

Hierna zal op deze posten worden ingegaan.

5.4. Niet in geschil is dat [gedaagde] bij nietigheid van het ontslag op staande voet aanspraak heeft op nakoming van de contractuele afvloeiingsregeling. Het uit dien hoofde door VSR verschuldigde bedrag is in het beslagrekest door [gedaagde] berekend op € 1.013.980,30 bruto plus € 82.567,11 netto. Daarbij is [gedaagde] uitgegaan van de financiële vergoeding van een jaarsalaris inclusief vaste gratificatie en vakantietoeslag en een vergoeding op basis van de kantonrechtersformule die 40 maanden salaris bedraagt. Anders dan VSR heeft betoogd, bestrijkt de gevorderde contractuele vergoeding derhalve geen 92 maanden maar 52 maanden salaris. Het argument van VSR dat de contractuele vergoeding maximaal 75 maanden salaris kan bestrijken, treft derhalve geen doel. De betwisting van VSR alleen is onvoldoende om de onjuistheid aan te kunnen nemen van de stelling van [gedaagde] dat partijen zijn overeengekomen dat bij de berekening van de vergoeding conform de kantonrechtersformule de bijdrage van VSR in de pensioenpremie tot het salaris mag worden gerekend. Voor zover VSR daarmee het door [gedaagde] berekende bedrag dat op grond van de kantonrechtersformule verschuldigd is heeft willen bestrijden, faalt dat verweer derhalve voorshands. Voorts is niet aannemelijk dat, zoals VSR heeft aangevoerd, op grond van het in de afvloeiingsregeling neergelegde maximum een bedrag van € 157.500,- op het door [gedaagde] berekende bedrag in mindering moet worden gebracht wegens de WW-uitkering waarop [gedaagde] tot aan zijn pensioengerechtigde leeftijd aanspraak heeft. De stelling van VSR dat de contractuele afvloeiingsregeling is gemaximeerd tot de inkomensschade die [gedaagde] tot aan zijn pensioengerechtigde leeftijd lijdt, vindt geen steun in de tekst van die afvloeiingsregeling. Daarin wordt immers slechts de totale salarissom inclusief emolumenten tot aan de wettelijke pensioenleeftijd als maximum genoemd. Uit de stelling van VSR dat de periode tot de wettelijke pensioenleeftijd van [gedaagde] 75 maanden bedraagt en hetgeen hiervoor is overwogen volgt reeds dat die maximale salarissom ook niet wordt gehaald als bij de contractuele vergoeding € 157.500,- wordt opgeteld. Verklaringen of gedragingen van [gedaagde] waaruit, tegenover zijn betwisting, zou kunnen worden afgeleid dat VSR er redelijkerwijs op mocht vertrouwen dat een eventueel door [gedaagde] te ontvangen WW-uitkering in mindering zou worden gebracht op het volgens de contractuele afvloeiingsregeling te betalen bedrag, zijn niet door VSR gesteld.

5.5. Uit het vorenstaande volgt dat niet summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door [gedaagde] op de contractuele afvloeiingsregeling gepretendeerde vordering van € 1.013.980,30 bruto plus € 82.567,11 netto is gebleken. Voor de door [gedaagde] gepretendeerde vordering uit hoofde van pensioenschade ad € 173.152,- geldt hetzelfde, nu VSR - onder voorbehoud van haar rechten in de bodemprocedure - die vordering in dit kort geding niet heeft bestreden.

5.6. De schadevergoeding wegens kennelijk onredelijk ontslag heeft [gedaagde] in het beslagrekest berekend op € 594.829,20. De kennelijke onredelijkheid van het ontslag baseert hij, zoals ook uit het beslagrekest blijkt, op de wijze waarop het ontslag is gegeven en de handelwijze van VSR na 14 december 2006. De stelling dat ontslag wegens onenigheid tussen de aandeelhouders en de statutair directeur over het te voeren beleid geen kennelijk onredelijk ontslag oplevert, kan VSR reeds daarom niet baten.

5.7. Tussen partijen is niet in geschil dat de strekking van de wettelijke regeling inzake het kennelijk onredelijk ontslag meebrengt dat de contractuele afvloeiingsregeling niet eraan in de weg staat dat de bodemrechter de stelling van [gedaagde] dat het hem gegeven ontslag kennelijk onredelijk is in volle omvang dient te onderzoeken en daarbij rekening dient te houden met alle omstandigheden van het geval. Daarbij kan de bodemrechter mede betekenis toekennen aan hetgeen partijen bij het aangaan van de afvloeiingsregeling mogelijk reeds hebben verdisconteerd. Indien juist is dat, zoals VSR stelt maar door [gedaagde] is tegengesproken, partijen in de contractuele afvloeiingsregeling een schadevergoeding wegens kennelijk onredelijk ontslag hebben verdisconteerd, sluit dat niet uit dat de bodemrechter naast het volgens de contractuele afvloeiingsregeling verschuldigde bedrag enige schadevergoeding kan toekennen. Hetgeen VSR overigens heeft aangevoerd, is onvoldoende om aan te kunnen nemen dat de bodemrechter dat niet zal doen. Wel is het gelet op de hoogte van het volgens de contractuele afvloeiingsregeling verschuldigde bedrag enerzijds en de hoogte van de gevorderde schadevergoeding anderzijds, aannemelijk dat de laatste niet geheel zal worden toegewezen. De hoogte van het bedrag aan schadevergoeding dat, uitgaande van de juistheid van de stelling dat partijen een kennelijke vergoeding voor onredelijk ontslag in de contractuele afvloeiingsregeling hebben verdisconteerd, eventueel zal kunnen worden toegewezen kan verder in het midden blijven. Daargelaten dat voor het laatste een verdergaand onderzoek nodig is dan waarvoor het kort geding zich leent, is immers - rekening houdende met de voormelde vorderingen uit hoofde van de contractuele afvloeiingsregeling en pensioenschade - een zeer geringe vordering ter zake van schadevergoeding wegens kennelijk onredelijk ontslag reeds voldoende om de totale vordering, zoals in het beslagrekest door [gedaagde] is verzocht, met inbegrip van rente en kosten op € 1.600.000,- te begroten.

5.8. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat niet summierlijk is gebleken van de ondeugdelijkheid van het door [gedaagde] ingeroepen recht en dat geen redenen aanwezig zijn de vordering waarvoor de beslagen zijn gelegd op een lager bedrag te begroten dan de voorzieningenrechter bij de verlening van het verlof heeft gedaan. Op haar stelling dat het beslag op haar bedrijfspand, gelet op de overwaarde daarvan, voldoende zekerheid voor de door [gedaagde] gepretendeerde vordering biedt, is VSR na de gemotiveerde betwisting van [gedaagde] niet meer ingegaan. Voor zover VSR die stelling niet heeft laten varen, is derhalve bij gebreke van een nadere onderbouwing niet aannemelijk dat de gelegde derdenbeslagen onnodig zijn. Op verzoeken van [gedaagde] om voor het bedrag van € 1.600.000,- zekerheid voor zijn vordering te stellen - die, zoals hij onbestreden heeft gesteld, ook voor de beslagleggingen zijn gedaan - is VSR niet ingegaan. Onder deze omstandigheden kunnen de belangen van VSR die door de beslagen worden geschaad niet zwaarder wegen dan het belang van [gedaagde] bij de handhaving van het beslag. De door VSR gestelde aanmerkelijke belemmering in haar bedrijfsuitoefening die zij door de beslagleggingen ondervindt, levert derhalve geen grond voor opheffing van de beslagen op.

5.9. Op grond van het vorenstaande dient zowel de primaire, subsidiaire en meer subsidiaire vordering van VSR afgewezen te worden.

5.10. VSR zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.

6. De beoordeling in reconventie

6.1. In beginsel geldt voor een eis in reconventie in kort geding dat deze zoals in een bodemprocedure kan worden ingesteld bij antwoord. Dit kan echter anders zijn indien de toelating van de vordering in reconventie in strijd is met de eisen van een goede procesorde. Daarvan zal met name sprake kunnen zijn indien door het moment waarop de vordering kenbaar wordt gemaakt en de aard van het kort geding de verweerder in kort geding onredelijk wordt bemoeilijkt in zijn verdediging. Dit geval doet zich voor. Immers heeft VSR in het kort geding in conventie, zoals ook uit de inleidende dagvaarding kon worden afgeleid, geen beroep willen doen op het aan [gedaagde] verleende ontslag op staande voet en behoefde zij zich derhalve niet voor te bereiden op een onderbouwing van dat ontslag in dit kort geding. De vordering van [gedaagde] impliceert een beroep op de nietigheid van dat ontslag op staande voet en een onderbouwing daarvan. Dat noopt VSR tot een onderbouwd verweer. Nu [gedaagde] niet heeft bestreden dat hij zijn vordering op generlei wijze heeft aangekondigd, is derhalve aannemelijk dat VSR bij toelating van die vordering onredelijk in haar verdediging wordt bemoeilijkt.

6.2. Op grond van het vorenstaande slaagt het door VSR gemaakte bezwaar tegen toelating van de vordering en zal [gedaagde] niet-ontvankelijk in die vordering worden verklaard.

6.3. VSR dient te worden aangemerkt als de in het ongelijk gestelde partij en zal derhalve in de proceskosten worden veroordeeld, welke worden begroot op nihil.

7. De beslissing

De voorzieningenrechter

in conventie

wijst de primaire, subsidiaire en meer subsidiaire vordering af;

veroordeelt VSR in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van [gedaagde] bepaald op € 816,-- aan salaris van de procureur en € 248,-- aan verschotten (griffierecht);

in reconventie

verklaart [gedaagde] niet ontvankelijk is zijn vordering;

veroordeelt [gedaagde] in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van VSR bepaald op nihil aan salaris van de procureur en verschotten.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J. Verschoof en in het openbaar uitgesproken op 8 februari 2007.