Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2007:AZ7327

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
30-01-2007
Datum publicatie
30-01-2007
Zaaknummer
11/700563-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De thans 65-jarige verdachte heeft in 1996 zijn zus verkracht. De rechtbank heeft hem veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden. De rechtbank heeft daarbij in het bijzonder overwogen dat het slachtoffer als kind al veelvuldig door haar broers seksueel is misbruikt en dat verdachte haar in 1996 heeft teruggebracht naar de misbruiksituatie die gelijk was aan die tijdens hun kinderjaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

MEERVOUDIGE STRAFKAMER

Tegenspraak

Parketnummer: 11/700563-06

Zittingsdatum : 16 januari 2007

Uitspraak : 30 januari 2007

VERKORT STRAFVONNIS

De rechtbank Dordrecht heeft op grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting vonnis gewezen in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren in 1941,

wonende te [woonplaats].

De rechtbank heeft de processtukken gezien en kennis genomen van de

vordering van de officier van justitie en van hetgeen de verdediging naar voren

heeft gebracht.

1. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

hij in of omstreeks de periode van 1 maart 1996 tot en met 1 september 1996 te

's-Gravendeel en/of elders in Nederland

door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of

(een) andere feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer], zijnde zijn, verdachtes, zus,

heeft gedwongen tot het ondergaan van (een) handeling(en) die bestond(en) uit

of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die

[slachtoffer],

hebbende verdachte die [slachtoffer] gedwongen te dulden dat verdachte zijn,

verdachtes, penis in de vagina van die [slachtoffer] duwde/bracht,

en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging

met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat verdachte

die [slachtoffer] in een afhankelijkheidsrelatie met hem, verdachte, heeft

gebracht en/of met zijn psychische overwicht, dat hij, verdachte, op die

[slachtoffer] had verworven, die [slachtoffer] aan zijn, verdachtes, wil heeft

onderworpen en/of de wil van die [slachtoffer] heeft gemanipuleerd, althans als

oudere broer van die [slachtoffer] een uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend

overwicht over die [slachtoffer] heeft gehad

en/of (aldus) voor die [slachtoffer] een bedreigende situatie heeft doen

ontstaan.

2. De voorvragen

2.1 De geldigheid van de dagvaarding

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

2.2 De bevoegdheid van de rechtbank

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen.

2.3 De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen feiten en/of omstandigheden gebleken, die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan.

2.4 De schorsing van de vervolging

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing van de vervolging gebleken.

3. Het onderzoek ter terechtzitting

3.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft een werkstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen vervangende hechtenis en 1 jaar gevangenisstraf voorwaardelijk met 2 jaar proeftijd gevorderd.

3.2 De verdediging

De verdediging heeft een bewijsverweer gevoerd.

4. De bewijsbeslissingen

4.1 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte

in de periode van 1 maart 1996 tot en met 1 september 1996 te 's-Gravendeel

door andere feitelijkheden [slachtoffer], zijnde zijn zus, heeft gedwongen tot het ondergaan van een handeling die bestond uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer],

hebbende verdachte die [slachtoffer] gedwongen te dulden dat verdachte zijn

penis in de vagina van die [slachtoffer] bracht,

en bestaande die andere feitelijkheden hierin dat verdachte die [slachtoffer] in een afhankelijkheidsrelatie met hem, verdachte, heeft gebracht en met zijn psychische overwicht, dat hij, verdachte, op die [slachtoffer] had verworven, die [slachtoffer] aan zijn, verdachtes, wil heeft onderworpen.

Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Voor zover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4.2 De bewijsmiddelen

De rechtbank grondt haar overtuiging dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis met de bewijsmiddelen vereist, dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, in een aan dit vonnis gehechte bijlage worden opgenomen.

4.3 Nadere bewijsoverweging

De rechtbank is naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting en de inhoud van het dossier, tot het oordeel gekomen dat voldoende blijkt dat verdachte zijn zus, tegen haar wil heeft gedwongen de door hem uitgevoerde handeling, die bestond uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die zus, te ondergaan.

De rechtbank overweegt in dit verband allereerst dat verdachte en zijn zus uit een gezin komen waarin met betrekking tot de waarden en normen aangaande de goede zeden, een afwijkend moraal bestond. Binnen dit gezin hebben jaren geleden meerdere -op seksueel gebied- onaanvaardbare gedragingen plaatsgevonden.

Het slachtoffer werd reeds op zeer jonge leeftijd seksueel misbruikt door haar (oudere) broers. Het tenlastegelegde feit dient in het licht van dit gezinsmoraal te worden bezien. Door op jonge leeftijd regelmatig te worden misbruikt door haar broers, heeft het slachtoffer zich aangeleerd geen verzet tegen het misbruik te plegen.

Na jaren waarin het slachtoffer geen contact heeft gehad met verdachte heeft zij hem weer ontmoet. Verdachte en zijn zus kregen langzaamaan weer contact. Na ten huize van zijn zus een huishoudelijk karwei te hebben verricht, heeft verdachte zich aldaar gedoucht waarna hij naakt naast het bed van zijn zus is gaan staan. Vervolgens heeft hij haar bij zich geroepen. Hij trok haar naar zich toe en zei haar zich uit te kleden, doch kleedde haar vervolgens zelf uit. De in het verleden ontstane afhankelijkheidsrelatie herleefde op dat moment weer. Hierdoor heeft verdachte misbruik gemaakt van zijn psychische overwicht. Binnen die situatie heeft hij vervolgens, door bovengenoemde feitelijkheden, een bedreigende situatie doen ontstaan waardoor het slachtoffer is gedwongen de seksuele handelingen te ondergaan.

5. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

Het bewezenverklaarde levert op:

VERKRACHTING.

6. De strafbaarheid van de verdachte

6.1. Rapport van de deskundige

In opdracht van de rechter-commissaris heeft de klinisch psycholoog Hoek, over (de persoon van) verdachte een rapport uitgebracht d.d. 1 december 2006. Hieruit komt onder meer het navolgende naar voren -zakelijk weergegeven-:

Bij betrokkene is sprake van een gebrekkige ontwikkeling in de zin van een narcistische persoonlijkheid en grote mate viriliteit. Daarnaast is sprake van lage intellectuele capaciteiten in de zin van benedengemiddelde tot ruim benedengemiddelde intelligentie.

Een dergelijke gebrekkige ontwikkeling strekt zich over een lange tijd uit en speelde ook in de periode van het plegen van de ten laste gelegde feiten (...). Betrokkene is (...) verminderd in staat op een goede manier met zijn gevoelens om te gaan. Dit heeft ertoe geleid dat betrokkene moeite heeft gehad weerstand te bieden aan zijn impulsen. Zijn onvermogen zich in te leven in de gevolgen van zijn daden voor zijn slachtoffer maken dat hij weinig remming kent en zijn impulscontrole verminderd is.

(...) Op grond van deze overweging adviseer ik uw college vanuit gedragskundig standpunt betrokkene het ten laste gelegde (...) volledig toe te rekenen.

6.2 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank verenigt zich met de conclusies van voornoemd rapport op grond van de onderbouwing ervan. Op grond van het onderzoek ter terechtzitting is de rechtbank namelijk - onder meer door haar eigen waarneming - tot gelijkluidende bevindingen gekomen.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat op grond van het strafdossier, het verhandelde ter terechtzitting en het rapport van voornoemde deskundige, voldoende vast is komen te staan dat het bewezenverklaarde onderhavige feit in verminderde mate aan verdachte kan worden toegerekend.

Nu ook overigens uit het onderzoek ter terechtzitting geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten, is verdachte strafbaar voor het door hem gepleegde feit.

7. De redenen, die de straf hebben bepaald of tot de maatregel hebben geleid

7.1 Strafmotivering

De rechtbank heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft in 1996 zijn zus verkracht. Het slachtoffer is als kind al veelvuldig door haar broers seksueel misbruikt. Zo werd zij tijdens de seksuele voorlichting van en door haar broers gebruikt als levend voorbeeld. Weliswaar is het frequente misbruik opgehouden toen het slachtoffer trouwde, toch was dat jaren later voor verdachte geen reden om de wil van zijn zus te respecteren. Verdachte heeft toen zijn zus geholpen bij het leggen van vloerbekleding. Na afloop nam hij een douche, waarna hij zijn zus heeft geroepen. Hij wachtte haar naakt naast haar bed op. Verdachte heeft vervolgens zijn zus uitgekleed. Hierdoor heeft hij haar teruggebracht naar een misbruiksituatie die gelijk was aan die tijdens hun kinderjaren. Door als oudere broer zijn zus naar zich toe trekken, haar uit te kleden en vervolgens op haar te gaan liggen waarna er gemeenschap plaatsvond, terwijl hij door haar lichaamstaal wist en voelde dat zijn zus dat niet wilde, heeft hij haar gedwongen tot het ondergaan van de verkrachting.

Voor wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank allereerst rekening gehouden met het feit dat hij niet eerder met justitie in aanraking is geweest. Daarnaast betrekt de rechtbank in haar oordeel het voorlichtingsrapport van de Stichting Reclassering Nederland d.d. 26 juli 2006. Na kennis te hebben genomen van het rapport van de klinisch psycholoog Hoek, heeft de reclassering zich aangesloten bij diens conclusies en advies.

Dat de verkrachting ruim tien jaren geleden heeft plaatsgevonden maakt dit feit niet minder erg. Desalniettemin vindt de rechtbank in het tijdsverloop, alsmede de omstandigheden waaronder het feit heeft plaatsgevonden een rechtvaardiging om enkel een voorwaardelijk vrijheidsbenemende straf van na te melden duur op te leggen.

8. De toepasselijke wettelijke voorschriften

De opgelegde straf gegrond op de volgende wettelijke voorschriften:

artikelen 14a, 14b, 14c, 242 van het Wetboek van Strafrecht.

9. De beslissing

De rechtbank

verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, zoals vermeld onder 4.1 van dit vonnis;

verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart dat het bewezenverklaarde het onder 5. vermelde strafbare feit oplevert;

verklaart de verdachte hiervoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte wegens dit feit tot:

een GEVANGENISSTRAF voor de duur van 6 (zes) MAANDEN;

bepaalt dat deze straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd die wordt bepaald op TWEE JAREN, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. I.M.A. Hinfelaar, voorzitter,

mr. W.J.M. Diekman en mr. dr. M.I. Blagrove, rechters,

in tegenwoordigheid van P.J.F.M. Vermaat, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 30 januari 2007.