Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2007:AZ6910

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
09-01-2007
Datum publicatie
24-01-2007
Zaaknummer
68036 / KG ZA 07-4
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding; retentierecht. Beoordeling van de deugelijkheid van de gestelde vordering (een saldo na verrekening van vele deelvorderingen over en weer)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
S&S 2008, 130
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 68036 / KG ZA 07-4

Vonnis in kort geding van 9 januari 2007

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BITMAR B.V.,

gevestigd te Sint-Oedenrode,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

SARGEANT TERMINALS B.V.

gevestigd te Rotterdam

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. W.Th. van Dijk te Spijkenisse,

procureur mr. A. Quispel,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

INTERNATIONAAL TRANSPORT GEBR. [bedrijfsnaam] B.V.,

gevestigd te Hagestein,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. P.J.Chr. van Gog te Spijkenisse,

procureur mr. V.J. Groot.

Partijen zullen hierna Bitmar, Sargeant en [gedaagde conv./eiseres reconv.] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. De voorzieningenrechter heeft ter terechtzitting van 4 januari 2007 kennis genomen van de volgende processtukken:

- de dagvaarding van 20 december 2006,

- de mondelinge behandeling

- de pleitnota van Bitmar en Sargeant

- de pleitnota van [gedaagde conv./eiseres reconv.], tevens houdende conclusie van eis in reconventie

- de door beide partijen overgelegde producties.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. Op verzoek van partijen is op 9 januari 2007 bij vervroeging uitspraak gedaan in verkorte vorm. Het volledig uitgewerkte vonnis is verstrekt op 18 januari 2007.

2. De feiten

2.1. [gedaagde conv./eiseres reconv.] huurt van de v.o.f. Firma Gebr. [bedrijfsnaam] een tankinstallatie aan de Donker Duyvisweg 35 te Dordrecht (verder: de terminal) en gebruikt de tanks aldaar voor opslag van bitumen en verhuur aan derden.

2.2. Omstreeks 27 december 2005 is tussen Sargeant, al dan niet handelend voor Bitmar die op dat moment nog in oprichting was, en [gedaagde conv./eiseres reconv.] een overeenkomst gesloten. Bij brief van 27 december 2005 heeft [gedaagde conv./eiseres reconv.] de inhoud van de overeenkomst aan Sargeant bevestigd. In deze brief heeft [gedaagde conv./eiseres reconv.] - voor zover hier van belang - het volgende aan Sargeant meegedeeld:

"Wij zijn het volgende over een gekomen:

U zal een vanaf 1 januari 2006 diverse bitumenopslagtanks van ons huren. De intentie is om een totaalvolume van circa 10.000 ton op te slaan en circa 70.000 ton door te zetten. Dit komt overeen met een totale tankinhoud van circa 12.000 m³.

....

Handelingskosten en administratiekosten per ton bij verlaten van het depot Dordrecht: € 5,75 per ton.

...

Extra te maken kosten voor aanpassen los/laadfaciliteiten schepen ... zijn voor rekening van de huurder.

....

Bovengenoemde tarieven een jaar geldig beginnend 1 januari 2006 tot 31 december 2006 en zijn overeengekomen als starttarief.

De VOTOB condities zijn van toepassing (www.votob.org)"

2.3. Bitmar is op 10 maart 2006 opgericht en behoort tot dezelfde ondernemingsgroep als Sargeant. Bestuurder van Bitmar is [bestuurder Bitmar].

2.4. Bitmar heeft op grond van voormelde overeenkomst bitumen aan [gedaagde conv./eiseres reconv.] bij de terminal in opslag gegeven. Voorts hebben Bitmar en [gedaagde conv./eiseres reconv.] in de loop van 2006 elkaar over en weer bitumen verkocht.

2.5. Bij brief van 21 november 2006 heeft [gedaagde conv./eiseres reconv.] aan Bitmar en Sargeant meegedeeld dat de overeenkomst niet wordt verlengd en de huur per 31 december 2006 wordt beëindigd. Bij deze brief is een overzicht van openstaande facturen over en weer gevoegd (verder: het facturenoverzicht). Volgens het facturenoverzicht heeft [gedaagde conv./eiseres reconv.], na verrekening van hetgeen zij aan Bitmar dient te betalen, nog € 700.764,24 van Bitmar te vorderen.

2.6. Sinds 22 november 2006 weigert [gedaagde conv./eiseres reconv.] bitumen die Bitmar in terminal heeft opgeslagen uit te leveren.

3. Het geschil

in conventie

3.1. Bitmar vordert na vermeerdering van eis - samengevat -:

- primair: [gedaagde conv./eiseres reconv.] te veroordelen om alle bitumenproducten die zij van Bitmar in opslag heeft op eerste verzoek van of namens Bitmar onvoorwaardelijk en onverwijld uit te leveren, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom;

- subsidiair: [gedaagde conv./eiseres reconv.] te veroordelen om alle bitumenproducten die zij van Bitmar in opslag heeft op eerste verzoek van of namens Bitmar onverwijld uit te leveren, onder de voorwaarde dat Bitmar het door de voorzieningenrechter door Bitmar aan [gedaagde conv./eiseres reconv.] verschuldigd geachte bedrag betaalt, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom.

3.2. [gedaagde conv./eiseres reconv.] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.3. [gedaagde conv./eiseres reconv.] vordert - samengevat - Bitmar en Sargeant te veroordelen, in die zin dat de ene voldoet, de ander zal zijn bevrijd, een zekerheid te stellen in de vorm van een bankgarantie (Beslaggarantie NVB 1999) door een te goeder naam en faam bekend staande Nederlandse bank voor een totaalbedrag van € 1.450.000,-, althans een zodanig beslissing te nemen als de voorzieningenrechter in goede justitie vermeent te behoren.

3.4. Bitmar voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

in conventie

4.1. [gedaagde conv./eiseres reconv.] heeft de uitlevering van de bitumen die Bitmar in de terminal heeft opgeslagen opgeschort totdat Bitmar haar vorderingen volledig heeft voldaan. Bitmar stelt dat zij, na verrekening van hetgeen zij van [gedaagde conv./eiseres reconv.] heeft te vorderen, niets meer aan [gedaagde conv./eiseres reconv.] verschuldigd is, zodat [gedaagde conv./eiseres reconv.] niet bevoegd is haar verplichtingen op te schorten en geen retentierecht toekomt. Dit zal eerst kunnen worden aangenomen indien summierlijk is gebleken van de ondeugdelijkheid van de vorderingen waarvoor [gedaagde conv./eiseres reconv.] het retentierecht heeft ingeroepen.

4.2. Tussen partijen is niet in geschil dat Bitmar, zoals uit het facturenoverzicht blijkt, uit hoofde van geleverde bitumen in totaal € 901.551,03 van [gedaagde conv./eiseres reconv.] heeft te vorderen en dat deze vordering dient te worden verrekend met hetgeen [gedaagde conv./eiseres reconv.] van Bitmar heeft te vorderen. Hieruit volgt dat [gedaagde conv./eiseres reconv.] eerst een retentierecht toekomt als zij meer van Bitmar heeft te vorderen dan € 901.551,03.

4.3. Bij de beoordeling van de door [gedaagde conv./eiseres reconv.] gepretendeerde vorderingen op Bitmar zal worden uitgegaan van de geldigheid van de Votob voorwaarden. Bitmar en Sargeant hebben immers niet weersproken dat de Votob voorwaarden gebruikelijke voorwaarden in het opslagbranche zijn, dat zij professionele partijen in die branche zijn en dat [bestuurder Bitmar], die van de zijde van Sargeant bij de totstandkoming van de overeenkomst was betrokken, voor zijn vorige werkgever gedurende 15 jaar zaken heeft gedaan met [gedaagde conv./eiseres reconv.], die standaard de Votob voorwaarden hanteert. Dit alles in aanmerking nemende hebben Bitmar en Sargeant onvoldoende gemotiveerd de stelling van [gedaagde conv./eiseres reconv.] bestreden dat Sargeant bij de totstandkoming van de overeenkomst bekend kon worden geacht met de inhoud van de Votob voorwaarden, door alleen maar aan te voeren dat zíj de Votob voorwaarden niet als standaard voorwaarden hanteren. Daargelaten de mogelijkheid om de Votob voorwaarden op de door [gedaagde conv./eiseres reconv.] opgegeven website te raadplegen, is derhalve aannemelijk dat het beroep van Sargeant en Bitmar op de vernietigbaarheid van de Votob voorwaarden wegens het ontbreken van een redelijke mogelijkheid om van die voorwaarden kennis te nemen hen in een bodemprocedure ontzegd zal worden.

4.4. Het totaal van de openstaande facturen van [gedaagde conv./eiseres reconv.] op Bitmar bedraagt volgens het facturenoverzicht € 1.602.315,28. Van de in het facturenoverzicht vermelde openstaande facturen van [gedaagde conv./eiseres reconv.] worden facturen tot een totaalbedrag van € 952.676,64 door Bitmar bestreden. Hierna zal op die betwiste facturen worden ingegaan.

4.4.1. Bitmar bestrijdt niet dat zij uit hoofde van de overeenkomst verwarmingskosten aan [gedaagde conv./eiseres reconv.] verschuldigd is, maar wel de hoogte van de daarvoor gefactureerde bedragen van in totaal € 247.155,03. Zij voert daartoe aan dat de in rekening gebrachte kosten ondanks herhaalde verzoeken niet, althans onvoldoende door [gedaagde conv./eiseres reconv.] zijn gespecificeerd. Wat daar ook van zij, het ligt in dit kort geding op de weg van Bitmar aannemelijk te maken dat het bedrag dat zij aan verwarmingskosten aan [gedaagde conv./eiseres reconv.] verschuldigd is lager is dan hetgeen in rekening is gebracht en welk bedrag dat dan zou moeten zijn. Nu Bitmar dit heeft nagelaten, is niet summierlijk van de ondeugdelijkheid van de in rekening gebrachte verwarmingskosten gebleken.

4.4.2. Bij de facturen met nummers 60987, 60988, 61006 en 61007 ten bedrage van in totaal € 131.462,87 heeft [gedaagde conv./eiseres reconv.] kosten in rekening gebracht die samenhangen met het aanpassen van haar laad- en losfaciliteiten voor schepen met een diepgang van 7 meter. Tussen partijen is niet in geschil dat Sargeant en/of Bitmar de intentie om 70.000 ton door te zetten hebben uitgesproken onder het voorbehoud dat de afmeerfaciliteiten van [gedaagde conv./eiseres reconv.] als voormeld zouden worden aangepast en dat is overeengekomen dat [gedaagde conv./eiseres reconv.] op kosten van Bitmar daarvoor zou zorgen. Evenmin is in geschil dat [gedaagde conv./eiseres reconv.] daarvoor diverse werkzaamheden heeft laten verrichten, maar dat de afmeerfaciliteiten door het ontbreken van meerpalen niet gereed zijn voor de ontvangst van vorenbedoelde schepen. Ter zitting is door [gedaagde conv./eiseres reconv.] verklaard dat zij er voor heeft gekozen de resterende werkzaamheden, die in één week zouden kunnen worden verricht, niet te doen uitvoeren. Hieruit volgt dat gedurende de looptijd van de overeenkomst tussen partijen de door Bitmar gevraagde aanpassing van de afmeerfaciliteiten niet tot stand is gekomen en dat Bitmar, nu [gedaagde conv./eiseres reconv.] heeft afgezien van verlenging van de overeenkomst, niet de mogelijkheid zal krijgen gebruik te maken van die aanpassing indien die wordt voltooid. Onder deze omstandigheden zou het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn dat op grond van artikel 52 lid 3 van de Votob voorwaarden de voor de niet voltooide aanpassing van de afmeerfaciliteiten gemaakte kosten voor rekening van Bitmar zouden komen. Dit zou anders kunnen zijn indien het niet voltooien van de aanpassing en/of het niet verlengen van de overeenkomst tussen partijen het gevolg is van een toerekenbare tekortkoming van Bitmar in de nakoming van de overeenkomst tussen partijen. Dit volgt niet uit de stellingen van [gedaagde conv./eiseres reconv.]. Als redenen die ten grondslag lagen aan haar beslissingen om de voltooiing van de aanpassing uit te stellen en de overeenkomst niet te verlengen heeft [gedaagde conv./eiseres reconv.] aangevoerd dat Bitmar geen euro betaalde en tussen partijen slechts verrekeningen plaatsvonden, dat de doorvoer van bitumen ernstig achterbleef bij de genoemde 70.000 ton en dat Bitmar de nieuwe voorwaarden voor een overeenkomst over 2007 niet aanvaardde. Deze feiten en omstandigheden, die kennelijk het vertrouwen van [gedaagde conv./eiseres reconv.] in Bitmar als goede zakenpartner hebben doen verdwijnen, leveren op zichzelf en in het geheel bezien geen toerekenbare tekortkoming van Bitmar op, te minder nu het achterblijven bij de intentie om 70.000 ton bitumen door te zetten niet los gezien kan worden van het niet gereedkomen van de door Bitmar gevraagde aanpassing van de afmeerfaciliteiten.

De conclusie luidt dat de gefactureerde € 131.462,87 niet verschuldigd is.

4.4.3. Bij factuur nummer 61008 heeft [gedaagde conv./eiseres reconv.] € 377.708,74 in rekening gebracht voor handling- en administratiekosten aangevuld voor 55.000 ton. Kennelijk betreft dit bedrag het verschil tussen de handling- en administratiekosten over de daadwerkelijk door Bitmar doorgezette bitumen van circa 15.000 ton en handling- en administratiekosten over 70.000 ton. [gedaagde conv./eiseres reconv.] stelt dat deze vordering rechtstreeks voortvloeit uit de overeenkomst tussen partijen. In die overeenkomst kan echter geen grondslag voor deze vordering worden gevonden. Immers is daarin slechts een intentie om 70.000 ton door te zetten vermeld en [gedaagde conv./eiseres reconv.] heeft tegenover de betwisting van Bitmar onvoldoende feiten of omstandigheden gesteld om desalniettemin aan te kunnen nemen dat Bitmar jegens haar verplicht is geworden ten minste 70.000 ton bitumen door te zetten. Bovendien is niet aannemelijk dat voor niet opgeslagen bitumen handling- en administratiekosten worden gemaakt. Om de laatste reden kunnen handling- en administratiekosten ook niet worden aangemerkt als kosten van ter beschikking gestelde maar niet gebruikte opslagruimte als bedoeld in artikel 52 lid 5 van de Votob voorwaarden, zodat dat beding evenmin een grondslag voor deze vordering biedt.

De conclusie luidt dat de gefactureerde € 377.708,74 niet verschuldigd is.

4.4.4. Bij factuur nummer 61009 heeft [gedaagde conv./eiseres reconv.] € 196.350,- in rekening gebracht voor schoonmaakkosten van elf tanks. [gedaagde conv./eiseres reconv.] heeft echter niet tegengesproken dat, zoals Bitmar een en andermaal heeft gesteld, aan Bitmar geen specifieke opslagruimte ter beschikking is gesteld en dat de tanks waarin de bitumen van Bitmar werden opgeslagen ook door andere klanten van [gedaagde conv./eiseres reconv.] werden gebruikt. Hieruit volgt dat geen sprake is van een voor de zaken van Bitmar in gebruik zijnde of gebruikte opslagruimte als bedoeld in artikel 15 van de Votob voorwaarden, zodat niet aannemelijk is dat [gedaagde conv./eiseres reconv.] uit hoofde van dat beding een vordering tot betaling van schoonmaakkosten toekomt. Ook deze factuur hoeft dus niet betaald te worden.

4.4.5. Uit het vorenstaande blijkt summierlijk van de ondeugdelijkheid van een deel van de openstaande facturen van [gedaagde conv./eiseres reconv.] van in totaal (€ 131.462,87 + € 377.708,74 + € 196.350,=) € 705.521,61. Na aftrek van laatstgenoemd bedrag van het totaal van de openstaande facturen van [gedaagde conv./eiseres reconv.] van € 1.602.315,28 resteert een bedrag van € 896.793,27.

4.5. Ter zitting heeft [gedaagde conv./eiseres reconv.] het retentierecht tevens ingeroepen voor een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 218.640,--. Deze vordering baseert [gedaagde conv./eiseres reconv.] op de stelling dat Bitmar in strijd met het bepaalde in artikel 44 van de Votob voorwaarden opslagruimte heeft onderverhuurd.

4.5.1. Bitmar bestrijdt dat artikel 44 van de Votob voorwaarden van toepassing is en voert daartoe aan dat geen sprake is van opslagruimte als gedefinieerd in de Votob voorwaarden nu aan Bitmar geen specifieke opslagruimte ter beschikking is gesteld en de tanks waarin bitumen van Bitmar werden opgeslagen ook door andere klanten van [gedaagde conv./eiseres reconv.] worden gebruikt. In deze opvatting kan Bitmar niet worden gevolgd, nu in artikel 1 onder 5 van de Votob voorwaarden opslagruimte onder meer is gedefinieerd als: "elke door het opslagbedrijf voor het verrichten van de werkzaamheden ... te gebruiken ruimte(n)" en de vervolgens na de woorden "waaronder begrepen" gegeven opsomming niet limitatief kan worden geacht. De stelling van Bitmar dat [gedaagde conv./eiseres reconv.] slechts op papier een voorraad bitumen voor haar houdt, is tegenover de betwisting van [gedaagde conv./eiseres reconv.] onvoldoende aannemelijk gemaakt. Het door Bitmar als productie 14 overgelegde overzicht uit de administratie van [gedaagde conv./eiseres reconv.], bezien in samenhang met het door Bitmar als productie 15 overgelegde overzicht van voorraden, is daarvoor niet toereikend nu Bitmar niet heeft weersproken dat het overzicht uit de administratie van [gedaagde conv./eiseres reconv.] slechts ter staving van de verwarmingskosten aan haar is verstrekt.

4.5.2. De stelling dat Bitmar opslagruimte heeft onderverhuurd is door [gedaagde conv./eiseres reconv.] voldoende gestaafd met de door haar als productie 27 overgelegde afschrift van een e-mail die op 1 december 2006 door een medewerker van Eurovia is verzonden aan [bestuurder Bitmar] en in kopie aan [gedaagde conv./eiseres reconv.]. Dat, zoals Bitmar heeft aangevoerd, slechts sprake is van een met Eurovia gemaakte afspraak dat Bitmar minimaal 2000 ton van haar voorraad bitumen in Dordrecht voor Eurovia zou reserveren, valt moeilijk te rijmen met het door Eurovia in voormelde e-mail ingenomen standpunt en is niet nader door Bitmar onderbouwd. Dat Bitmar daarvoor onvoldoende gelegenheid heeft gehad is niet aannemelijk nu zij vanaf 1 december 2006 met de inhoud van die e-mail bekend mag worden verondersteld.

4.5.3. In de voormelde e-mail maakt Eurovia melding van een huurovereenkomst voor de periode van 1 september 2006 tot en met 31 december 2006. Aangenomen moet worden dat op de datum van de ontvangst van deze e-mail, 1 december 2006, [gedaagde conv./eiseres reconv.] bekend is geworden met de toerekenbare tekortkoming van Bitmar. Nakoming van de voor Bitmar uit artikel 44 van de Votob voorwaarden voortvloeiende verplichtingen over de periode 1 september 2006 tot en met 1 december 2006 was op laatstgenoemde datum reeds blijvend onmogelijk. Aannemelijk is derhalve dat Bitmar aansprakelijk is voor de over de periode van 1 september 2006 tot en met 1 december 2006 door de onderverhuur geleden schade. Dit is anders voor de sedertdien door [gedaagde conv./eiseres reconv.] geleden schade. [gedaagde conv./eiseres reconv.] heeft immers niet weersproken dat Bitmar eerst kort voor de zitting met de vordering tot schadevergoeding op grond van onderverhuur bekend is geworden en heeft niet gesteld dat zij na 1 december 2006 bij Bitmar tegen de onderverhuur heeft geprotesteerd of Bitmar in gebreke of aansprakelijk heeft gesteld. Aansprakelijkheid van Bitmar voor schade die [gedaagde conv./eiseres reconv.] na 1 december 2006 door vorenbedoelde onderverhuur heeft geleden kan derhalve niet worden aangenomen.

4.5.4. Het feit dat Bitmar huur aan [gedaagde conv./eiseres reconv.] betaalt, sluit niet uit dat [gedaagde conv./eiseres reconv.] door de onderverhuur huur heeft gederfd. Bij gebreke van de hiervoor aangenomen onderverhuur aan Eurovia had deze immers, om bitumen in de terminal op te kunnen slaan, zelf een huurovereenkomst met [gedaagde conv./eiseres reconv.] dienen te sluiten en had [gedaagde conv./eiseres reconv.] tevens huur van Eurovia ontvangen.

4.5.5. In haar berekening van de gederfde huur is [gedaagde conv./eiseres reconv.] uitgegaan van opslagruimte voor 2.850 ton bitumen. Enige onderbouwing van die hoeveelheid ontbreekt en feiten of omstandigheden die meebrengen dat van een grotere hoeveelheid kan worden uitgegaan dan de door Bitmar genoemde 2.000 ton zijn niet gesteld. Bij berekening van de schade zal derhalve van een opslagruimte voor 2.000 ton bitumen worden uitgegaan. Bitmar heeft niet bestreden dat de bij de berekening gehanteerde tarieven overeenstemmen met de gebruikelijke tarieven zodat daarvan kan worden uitgegaan. Uitgaande van die tarieven en de berekeningswijze van [gedaagde conv./eiseres reconv.] wordt de gederfde huur voor opslagruimte voor 2.000 ton bitumen over een periode van 92 dagen berekend op € 96.094,72.

4.5.6. Uit het vorenstaande volgt dat summierlijk van de ondeugdelijkheid is gebleken van het deel van de vordering tot schadevergoeding dat het bedrag van € 96.094,72 overschrijdt.

4.6. Op grond van het vorenstaande dient te worden aangenomen dat [gedaagde conv./eiseres reconv.] uit hoofde van openstaande facturen en schadevergoeding in totaal (€ 896.793,27 + € 96.094,72 =) € 992.887,99 van Bitmar heeft te vorderen, zodat [gedaagde conv./eiseres reconv.] - na verrekening van de vordering van Bitmar op [gedaagde conv./eiseres reconv.] - nog een opeisbare vordering op Bitmar heeft van (€ 992.887,99 - € 901.551,03 =) € 91.336,96. Hieruit volgt dat [gedaagde conv./eiseres reconv.] een retentierecht toekomt, zolang laatstgenoemd bedrag niet door Bitmar is voldaan. Dit leidt tot de conclusie dat de primaire vordering dient te worden afgewezen, maar dat de subsidiaire vordering als na te melden kan worden toegewezen. De gevorderde dwangsom zal aan een maximum worden gebonden.

4.7. [gedaagde conv./eiseres reconv.] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.

in reconventie

4.5. Voor de vordering van [gedaagde conv./eiseres reconv.] ontbreekt een rechtsgrond. Daarom dient deze vordering, daargelaten hetgeen in conventie is overwogen en beslist, te worden afgewezen.

4.9. [gedaagde conv./eiseres reconv.] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

in conventie

veroordeelt [gedaagde conv./eiseres reconv.] om alle bitumenproducten die zij van Bitmar in opslag heeft op eerste verzoek van of namens Bitmar onverwijld uit te leveren, onder voorwaarde dat Bitmar aan [gedaagde conv./eiseres reconv.] een bedrag van € 91.336,96 heeft voldaan;

bepaalt dat [gedaagde conv./eiseres reconv.] een dwangsom zal verbeuren van € 100.000,- voor iedere keer dat zij in gebreke zal blijven aan dit vonnis te voldoen, zulks tot een maximum van € 1.000.000,-;

veroordeelt [gedaagde conv./eiseres reconv.] in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van Bitmar en Sargeant bepaald op € 816,-- aan salaris van de procureur en op € 319,32 aan verschotten, waarvan € 248,-- aan griffierecht;

verklaart het vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

in reconventie

wijst de vordering af;

veroordeelt [gedaagde conv./eiseres reconv.] in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van Bitmar en Sargeant bepaald op € 408,-- aan salaris van de procureur en op nihil aan verschotten.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J. Verschoof en in het openbaar uitgesproken op 9 januari 2007