Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2007:AZ5722

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
05-01-2007
Datum publicatie
08-01-2007
Zaaknummer
Awb 05/1402
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Studiefinanciering / omkering van de bewijslast / meerinkomen / OV-studentenkaart/

De rechtbank is, anders dan eiseres stelt, van oordeel dat geen aanleiding bestaat om de bewijslast op verweerster te doen rusten. Zoals de voorzitter van het College van Beroep Studiefinanciering in zijn door eiseres in beroep naar voren gebrachte uitspraak (Voorzitter College van beroep studiefinanciering 25 oktober 1999, AB 2000, 278) heeft overwogen kan van de hoofdregel dat degene die stelt zijn stelling dient te bewijzen, worden afgeweken eerst indien sprake is van omstandigheden die daartoe aanleiding geven. Van dergelijke omstandigheden is naar het oordeel van de rechtbank in het onderhavige geval niet gebleken. Afgezien van de vraag wat tijdens het voormelde telefonische gesprek over en weer is gecommuniceerd, had de inhoud van het bericht van 26 juli 2002 welke naar eiseresses oordeel een zeer summiere weergave behelst van hetgeen volgens eiseres aan de orde was gekomen, voor eiseres aanleiding moeten zijn om zich nogmaals tot verweerster te wenden teneinde zich van het een en ander op de hoogte te stellen. Daartoe bestond naar het oordeel van de rechtbank temeer aanleiding, nu de door eiseres beweerdelijk verkregen bevestiging dat zij haar OV-studentenkaart mocht behouden, niet uit dat bericht kon blijken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector Bestuursrecht

procedurenummer: AWB 05/1402

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

inzake

[xxx],

wonende te Rotterdam, eiseres,

tegen

De hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep, verweerster,

gemachtigde: drs. P.M.S. Slagter, juridisch medewerker van de afdeling Bezwaar, Beroep, en Juridische zaken van de Informatie Beheer Groep.

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerster heeft bij besluit van 7 juli 2005 jegens eiseres een vordering wegens meerinkomen over het studiefinancieringstijdvak 2002 vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 26 juli 2005 bezwaar gemaakt bij verweerster.

Bij besluit van 11 oktober 2005 (hierna: het bestreden besluit) heeft verweerster het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Tegen het bestreden besluit heeft eiseres bij brief van 16 november 2005, ingekomen op 17 november 2005, beroep ingesteld bij de rechtbank.

De zaak is op 29 november 2006 behandeld ter zitting van een enkelvoudige kamer.

Eiseres is in persoon ter zitting verschenen.

Verweerster is verschenen bij gemachtigde.

2. Overwegingen

2.1.1. Ingevolge artikel 3.17, eerste lid, van de Wet studiefinanciering 2000 (verder te noemen Wsf 2000), zakelijk weergegeven en voor zover hier van belang, leidt indien een studerende in een kalenderjaar meerinkomen heeft, dit tot een vordering van de IB-Groep op de studerende. Meerinkomen is het toetsingsinkomen, verminderd met een vrije voet naar de maatstaf van 1 januari 2002 € 9.402,48.

2.1.2. Ingevolge artikel 3.1, derde lid, van de Wsf 2000 wordt de hoogte van de studiefinanciering vastgesteld op basis van een budget voor een kalendermaand.

2.1.3. Ingevolge artikel 3.2, eerste lid, van de Wsf 2000 is het budget voor een kalendermaand het totaal van:

a. een normbedrag voor de kosten van levensonderhoud,

b. een normbedrag voor boeken en leermiddelen,

c. een tegemoetkoming in de kosten van de onderwijsbijdrage, en

d. een reisvoorziening.

2.1.4. Ingevolge artikel 11.5 van de Wsf 2000 is de Informatie Beheer Groep bevoegd voor bepaalde gevallen of groepen van gevallen tegemoet te komen aan onbillijkheden van overwegende aard, die zich bij de toepassing van deze wet mochten voordoen.

2.2. Verweerster heeft bij besluit van 7 juli 2005 vastgesteld dat eiseres in het jaar 2002 meerinkomen heeft gehad in verband waarmee zij een bedrag van € 1,641,81 aan verweerster verschuldigd is, samengesteld uit € 914,85 meerinkomen en een boete wegens het bezit van de Studentenopenbaarvervoerkaart (hierna: de OV-studentenkaart) van € 726,96. Bij het bestreden besluit heeft verweerster dit standpunt gehandhaafd.

2.3. Kort samengevat, heeft eiseres in beroep aangevoerd dat haar ten onrechte een vordering wegens meerinkomen is opgelegd, nu aan haar door een medewerker van verweerster telefonisch was medegedeeld dat zij haar OV-studentenkaart mocht behouden en dat zij er vanuit was gegaan dat zij haar studiefinanciering had stopgezet. Voorts stelt eiseres dat de hoogte van de opgelegde vordering door haar als straf wordt ervaren.

2.4. De rechtbank overweegt als volgt.

2.4.1. Niet in geschil is dat eiseresses inkomen in het studiefinancieringstijdvak 2002 de daarvoor geldende vrije voet heeft overschreden. Voorts is niet in geschil dat eiseres over het gehele jaar 2002 de beschikking heeft gehad over de OV-studentenkaart.

2.4.2. Uit het Bericht Studiefinanciering 2002 van 26 juli 2006 blijkt dat eiseres op 24 juli 2006 telefonisch aan verweerster een aantal wijzigingen heeft doorgegeven. Uit het voormelde bericht blijkt voorts dat eiseres van januari 2006 tot en met augustus 2006 studiefinanciering heeft genoten in de vorm van een basisbeurs en een aanvullende beurs en van september tot en met december van dat jaar in de vorm van een nullening.

2.4.3. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat eiseres, anders dan zij stelt, haar studiefinanciering niet met ingang van 1 september 2006 heeft stopgezet.

Weliswaar kreeg ze vanaf de voormelde datum geen basis- en aanvullende beurs meer, doch zij is over de laatste vier maanden van het jaar 2002 studiefinanciering blijven ontvangen, aangezien zij in die periode over een nullening en haar OV-studentenkaart heeft beschikt. Nu het bezit van een OV-studentenkaart op grond van het hierboven weergegeven artikel 3.2, eerste lid, onder d, jo. 3.1, derde lid, van de Wsf 2000, ook als een vorm van studiefinanciering is te beschouwen, telt het volledige tijdvak - dus ook de laatste vier maanden van 2002 en de daarin verworven inkomsten - mee bij de vaststelling van het meerinkomen. Gelet hierop heeft verweerster naar het oordeel van de rechtbank terecht aan eiseres een vordering wegens meerinkomen opgelegd.

2.4.4. Voorzover eiseres met haar stelling dat zij is afgegaan op de mededelingen van een medewerker van verweerster een beroep wil doen op het vertrouwensbeginsel overweegt de rechtbank dat bij gebreke van enig bewijs van hetgeen tussen eiseres en verweerster is gecommuniceerd, niet valt na te gaan of sprake is van zodanig concrete en op de situatie van eiseres toegespitste toezeggingen dat geoordeeld zou moeten worden dat eiseres daaraan de gerechtvaardigde verwachting heeft kunnen ontlenen dat haar ter zake van het meerinkomen geen vordering zou worden opgelegd. Eiseres studeerde in de periode hier van belang rechten terwijl zij werkzaam was op een advocatenkantoor. Van eiseres kan naar het oordeel van de rechtbank dan ook worden verwacht dat zij voor een behoorlijke schriftelijke vastlegging van het telefonische gesprek met verweerster had moeten zorgen.

Gelet op het voorgaande komt eiseres geen beroep toe op het vertrouwensbeginsel.

2.4.5. De eerst ter zitting geponeerde stelling van eiseres dat het aan verweerster is te bewijzen dat eiseres geen verkeerde informatie heeft gekregen, volgt de rechtbank niet. Eiseres stelt dat zij tijdens het telefonische contact van 24 juli 2002 aan verweerster heeft medegedeeld haar studiefinanciering te willen stopzetten en op haar vraag of zij haar OV-studentenkaart mocht behouden een bevestigend antwoord heeft gekregen. Verweerster heeft het telefonische gesprek niet bestreden zoals dat ook uit het Bericht Studiefinanciering d.d. 26 juli 2002 moge blijken. Echter, verweerster bestrijdt de stelling van eiseres dat aan haar zou zijn medegedeeld dat zij ondanks het stopzetten van haar studiefinanciering haar OV-studentenkaart mocht behouden. De rechtbank is, anders dan eiseres stelt, van oordeel dat geen aanleiding bestaat om de bewijslast op verweerster te doen rusten. Zoals de voorzitter van het College van Beroep Studiefinanciering in zijn door eiseres in beroep naar voren gebrachte uitspraak (Voorzitter College van beroep studiefinanciering 25 oktober 1999, AB 2000, 278) heeft overwogen kan van de hoofdregel dat degene die stelt zijn stelling dient te bewijzen, worden afgeweken eerst indien sprake is van omstandigheden die daartoe aanleiding geven. Van dergelijke omstandigheden is naar het oordeel van de rechtbank in het onderhavige geval niet gebleken. Afgezien van de vraag wat tijdens het voormelde telefonische gesprek over en weer is gecommuniceerd, had de inhoud van het bericht van 26 juli 2002 welke naar eiseresses oordeel een zeer summiere weergave behelst van hetgeen volgens eiseres aan de orde was gekomen, voor eiseres aanleiding moeten zijn om zich nogmaals tot verweerster te wenden teneinde zich van het een en ander op de hoogte te stellen. Daartoe bestond naar het oordeel van de rechtbank temeer aanleiding, nu de door eiseres beweerdelijk verkregen bevestiging dat zij haar OV-studentenkaart mocht behouden, niet uit dat bericht kon blijken. De rechtbank rekent eiseres in dit verband tevens aan dat zij, terwijl zij gemakkelijk over juridisch advies kon beschikken aangezien zij op een advocatenkantoor werkzaam was, heeft nagelaten om raad te vragen omtrent de vraag of zij na het stopzetten van haar studiefinanciering nog mocht beschikken over een OV-studentenkaart.

2.4.6. Ten aanzien van eisersses stelling dat de opgelegde vordering zodanig hoog is dat het beoogde doel van de wettelijke bepalingen in het onderhavige geval niet in redelijke verhouding staat tot de gevolgen daarvan voor eiseres, overweegt de rechtbank onder verwijzing naar de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep van 7 februari 2003, gepubliceerd in USZ 2003/114 en RSV 2003/90, dat geen grond bestaat om te oordelen dat de hoogte van de opgelegde vordering onevenredig is. Door het wegnemen van het voordeel van de OV-studentenkaart te maximeren op een bedrag ter hoogte van de kostprijs daarvan heeft verweerster een sanctie opgelegd die in redelijke verhouding staat tot de ernst van de overtreding.

2.4.7. Ten aanzien van eiseresses beroep op de hardheidsclausule van artikel 11.5 van de Wsf 2000 overweegt de rechtbank het volgende.

Het gaat in deze bepaling om een bestuursbevoegdheid met beleidsvrijheid hetgeen inhoudt dat verweerster in beginsel de vrijheid wordt gelaten om af te wijken van de bepalingen van de Wsf 2000. Dit brengt met zich dat de rechter een op grond van artikel 11.5 van de Wsf 2000 genomen besluit als juist heeft te aanvaarden, tenzij moet worden gezegd dat de onverkorte toepassing van de wettelijke bepalingen uit de Wsf 2000 in strijd zou komen met het doel dat daarmee wordt beoogd. De rechtbank ziet in hetgeen eiseres aan haar beroep op de hardheidsclausule ten grondslag heeft gelegd geen aanleiding om tot het oordeel te komen dat sprake is van zodanig bijzondere feiten en omstandigheden dat verweerster diende af te zien van de toepassing van de ter zake geldende dwingendrechtelijke wettelijke bepalingen.

Het vorenstaande leidt tot ongegrondverklaring van eisersses beroep.

2.5. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

2.6. Gezien het vorenstaande beslist de rechtbank als volgt.

3. Beslissing

De rechtbank Rotterdam,

-verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. F.H.J.G. Brekelmans, rechter, en door deze en mr. M. Hasanian, griffier, ondertekend.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op:

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan een belanghebbende beroep instellen. Het instellen van het beroep geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht, binnen zes weken na dagtekening van verzending van deze uitspraak.