Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2006:AZ6190

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
21-12-2006
Datum publicatie
17-01-2007
Zaaknummer
67431 / KG ZA 06-191
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Bestuurder vennootschap laat woning voor ouders bouwen. Vennootschap is juridisch eigenaar. Bestuurder economisch eigenaar. Beoogd is een gebruiksrecht met eeuwig durend karakter. Na overlijden economisch eigenaar treedt erfgenaam in zijn rechten. Binnen dit kader kan deze het gebruiksrecht aan een ieder gunnen. Faillissement van de vennootschap doet hier niet aan af.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 3
Burgerlijk Wetboek Boek 3 277
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOR 2007/75 met annotatie van prof. mr. S.C.J.J. Kortmann en prof. mr. S.E. Bartels onder «JOR» 2007/76
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Sector civiel recht

zaaknummer: 67431 / KG ZA 06-191

vonnis in kort geding van 21 december 2006

in de zaak van

mr. Ralf van der Pas q.q.,

curator in het faillissement van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Intertrading Agencies [naam vennootschap] B.V.,

gevestigd te Moerdijk,

advocaat: mr. J.M. de Heer, kantoorhoudend te Rotterdam,

procureur mr. J.A. Visser,

eiser,

tegen

1. [gedaagde sub 1],

wonende te [woonplaats],

2. [gedaagde sub 2],

wonende te [woonplaats],

3. [gedaagde],

wonende te [woonplaats],

advocaat: mr. E.J. Bink, kantoorhoudend te Amsterdam,

gedaagden.

Eiser wordt hieronder aangeduid als de curator. Gedaagde sub 1 wordt hieronder aangeduid als [gedaagde sub 1] en gedaagde sub 2 en 3 gezamenlijk als de ouders. Gedaagde sub 1, 2 en 3 worden gezamenlijk aangeduid als [gedaagden].

1. Het procesverloop

De voorzieningenrechter heeft ter terechtzitting van 23 november 2006 kennis genomen van de volgende processtukken:

- gelijkluidende dagvaardingen van 23 oktober 2006 en 1 november 2006,

- pleitnotities van mr. J.M de Heer, voornoemd,

- pleitnotities van mr. E.J. Bink, voornoemd,

- de door beide partijen overgelegde producties.

2. De feiten

2.1 [bestuurder vennootschap] (hierna [bestuurder]) was de bestuurder van de vennootschap Intertrading Agencies [naam vennootschap] B.V. (hierna de vennootschap) totdat de aandelen in de vennootschap in 1997 werden verkocht aan een derde.

2.2 [bestuurder] was de oom van [gedaagde sub 1]. De ouders van [bestuurder] zijn de grootouders van [gedaagde sub 1].

2.3 In 1991 heeft de vennootschap een woning gelegen aan de [adres] te [plaatsnaam] laten bouwen voor de ouders van [bestuurder]. Zij zijn daar gaan wonen.

2.4 Op 29 september 2005 heeft Deloitte Belastingadviseurs B.V. een brief naar mr. Bink gestuurd, welke, voor zover thans van belang, als volgt luidt:

(...)

In het fiscale kalenderjaar 1997 zijn de navolgende activa van de vennootschap Intertrading Agencies [naam vennootschap] B.V. overgedragen naar privé tegen een waarde minimaal gelijk aan de boekwaarde:

i het huis bewoond door de ouders van de heer [bestuurder]

(...)

(zie bijlage 1)

Het economisch eigendom van het meerbedoelde pand is ultimo 1997 overgedragen voor f 220.168 (...).

(...)

Het bedrag ad f 220.168 was eind 1997 de waarde in het economisch verkeer.

(...)

2.5 [gedaagde sub 1] heeft een uitgebreide brugstaat overgelegd, welk stuk als bijlage 3 bij de brief van Deloitte Belastingadviseurs B.V. van 29 september 2005 was gevoegd. In dit stuk staat als omschrijving: Rek-cour de heer [bestuurder]. Tevens staat hierin vermeld dat een overboeking terzake het huis in [plaatsnaam] ten bedrage van f 220.168,-- heeft plaatsgevonden.

2.6 De aan [bestuurder] gerichte naheffingsaanslag van 2 december 1999 luidt, voor zover thans van belang, als volgt:

(...)

In december 1997 heeft u de economische eigendom verkregen van een onroerende zaak in de kadastrale gemeente Grijpskerk (...). De waarde daarvan bedroeg toen f. 220.168. U heeft ter zake van die verkrijging geen overdrachtsbelasting betaald. De overdrachtsbelasting over f. 220.168 wordt nageheven.

2.7 In de jaarrekening van de vennootschap over 1998 wordt de woning in [plaatsnaam] niet meer genoemd.

2.8 [bestuurder] is in april 2000 overleden.

2.9 [gedaagde sub 1] is in het voorjaar van 2001 met zijn ouders overeengekomen dat zij het levenslang gebruik van de woning hebben na vertrek van zijn grootouders (de ouders van [bestuurder]) uit de woning.

2.10 Bij uitspraak van 18 november 2003 is de vennootschap failliet verklaard.

2.11 Begin 2005 is één van de grootouders van [gedaagde sub 1] overleden en de ander is uit de woning vertrokken.

2.12 De ouders staan niet op het adres [adres] te [plaatsnaam] ingeschreven en wonen nog elders in dezelfde straat.

2.13 [gedaagde sub 1] heeft de sleutels van de woning in zijn bezit en slaapt er af en toe.

3. De vordering

De curator vordert - kort samengevat - dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

1. de ouders zal veroordelen binnen twee weken na betekening van dit vonnis de woning te verlaten en te ontruimen en ontruimd te houden met afgifte van de sleutels aan de curator en met machtiging van de curator om deze ontruiming zelf op kosten van de ouders te doen uitvoeren desnoods met behulp van de sterke arm, onder verbeurte van een dwangsom van € 2.500,-- per dag of deel van de dag dat de ouders zouden nalaten aan deze veroordeling uitvoering te geven;

2. [gedaagde sub 1] zal veroordelen om te gehengen en te gedogen dat de jegens de ouders

uitgesproken veroordeling tot ontruiming wordt bewerkstelligd, onder verbeurte van een dwangsom van € 2.500,-- per dag of deel van de dag dat [gedaagde sub 1] zou nalaten aan deze veroordeling uitvoering te geven;

3. zulks met hoofdelijke veroordeling van [gedaagde sub 1] en de ouders in de kosten van het geding.

3.1 Zij stelt daartoe het volgende.

[gedaagde sub 1] is niet economisch eigenaar van de woning, zodat de ouders ook niet gerechtigd zijn via hem de woning te bewonen.

3.2 Subsidiair kan het economisch eigendom [gedaagde sub 1] niet baten nu de curator met ingang van 1 mei 2005 alle (gebruiks)overeenkomsten tussen de vennootschap en [gedaagde sub 1] heeft opgezegd. De woning behoort in ieder geval vanaf die datum weer aan de boedel toe.

3.3 Meer subsidiair heeft overdracht van economische eigendom alleen verbintenisrechtelijke en geen goederenrechtelijke gevolgen. [gedaagde sub 1] kan zijn aanspraak jegens de juridisch eigenaar in geval van faillissement van laatstgenoemde niet aan andere crediteuren tegenwerpen en heeft derhalve slechts een concurrente vordering op de boedel.

3.4 Nu [gedaagde sub 1] niet (meer) beschikkingsbevoegd is ten aanzien van de woning vindt het huidige gebruik van de woning door de ouders zonder recht of titel plaats.

3.5 De curator is voornemens de woning te verkopen aan de hoogste bieder waarbij in ogenschouw dient te worden genomen dat de waarde van de woning mede wordt bepaald door de omstandigheid dat de woning al dan niet bewoond is. De belangen van de schuldeisers vragen naast het genereren van een zo hoog mogelijk boedelactief, tevens een spoedige afhandeling van hun vorderingen.

4. Het verweer

[gedaagde sub 1] en de ouders hebben de vordering gemotiveerd weersproken. De inhoud van hun verweer zal hierna voor zover nodig nader worden besproken.

5. De beoordeling

5.1 Het spoedeisend belang bij de vordering is voldoende aannemelijk nu de curator voornemens is de woning te verkopen aan de hoogste bieder in verband met een zo spoedig mogelijke afhandeling van de vorderingen van de schuldeisers. Als onbetwist staat vast dat de omstandigheid dat de woning al dan niet bewoond is bepalend voor de waarde is. De omstandigheid dat de curator de verkoop van de woning heeft uitgesteld tot het moment dat de grootouders van [gedaagde sub 1] uit de woning waren vertrokken doet hieraan niet af.

5.2 Vast staat dat de ouders niet staan ingeschreven op het adres van de woning. Als onbetwist staat eveneens vast staat dat de woning (nog) niet door de ouders wordt bewoond, dat [gedaagde sub 1] de sleutel van de woning onder zich heeft en bij tijd en wijle in de woning slaapt. De ouders kunnen op grond van het voorgaande niet ontruimen, zodat het onder 1 gevorderde voor afwijzing gereed ligt.

5.3 Nu het onder 1 gevorderde wordt afgewezen leidt dit gezien de samenhang tussen de vorderingen eveneens tot afwijzing van het onder 2 gevorderde. De curator zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.

5.4 Op uitdrukkelijk verzoek van partijen overweegt de voorzieningenrechter het navolgende ten overvloede.

Op grond van de brief van Deloitte Belastingadviseurs B.V. van 29 september 2005, de aan [bestuurder] gerichte naheffingsaanslag van 2 december 1999 en de door [gedaagde sub 1] overgelegde uitgebreide brugstaat acht de voorzieningenrechter voldoende aannemelijk dat [bestuurder] de economische eigendom van de woning heeft verkregen tegen betaling van f 220.168,--. De curator heeft het bestaan van het economische eigendom bij [bestuurder] in het licht van voornoemde stukken onvoldoende gemotiveerd betwist.

5.5 Als onbetwist staat vast dat de woning ten behoeve van de ouders van [bestuurder] is gebouwd en dat zij reeds vanaf het begin daar woonden. De woning is nimmer onderdeel geweest van het actief ingezette bedrijfsvermogen en op geen enkele wijze is gebleken dat het de bedoeling is geweest dat de woning op enig moment ten behoeve van de vennootschap zou worden gebruikt en dat de vennootschap naast het bloot eigendom tevens het economisch eigendom zou dienen terug te krijgen. De geografische afstand tussen de woning en het centrum van de economische activiteiten van de vennootschap bevestigen dit beeld. Hetzelfde geldt voor het gegeven dat in het dorpje [plaatsnaam] de wortels liggen van de familie [gedaagden]. Ook wordt één en ander bevestigd door het gegeven dat de hypothecaire verplichtingen geheel door de economisch eigenaar zijn afgelost. Op basis van de naheffingsaanslag en de brief van Deloitte Belastingadviseurs B.V. is voorts voldoende aannemelijk geworden dat het bedrag ad f 220.168,-- dat [bestuurder] voor het economische eigendomsrecht heeft betaald de economische waarde van de woning - de voorzieningenrechter begrijpt: de vrije verkoopwaarde - op het moment van verkrijging betrof. Op grond van het voorgaande acht de rechtbank het aannemelijk dat een gebruiksrecht met een eeuwigdurend karakter is beoogd. Dit eeuwigdurend gebruiksrecht rechtvaardigt naar zijn aard doorbreking van de gelijkheid van schuldeisers in faillissement en is in zoverre gelijk te stellen met een in de wet uitdrukkelijk geregelde uitzondering op deze gelijkheid van schuldeisers.

5.6 [bestuurder] heeft het recht van gebruik aan zijn ouders gegund en na zijn overlijden is zijn erfgenaam in zijn positie getreden. Indien [gedaagde sub 1] (enig) erfgenaam is - hetgeen de curator betwist, maar waarop in het kader van deze overwegingen ten overvloede niet hoeft te worden ingegaan - heeft hij dit recht derhalve verkregen. [gedaagde sub 1] kan het gebruik binnen de economische eigendom - net als [bestuurder] - gunnen aan een ieder zolang hij economisch eigenaar is.

5.7 De faillietverklaring van de vennootschap doet aan het voorgaande niet af. De curator kan net als de vennootschap niet over meer beschikken dan de bloot eigendom van de woning. Of [gedaagde sub 1] vóór of na faillietverklaring van de vennootschap het gebruik of de huur gunde aan zijn ouders doet niet terzake aangezien dit geschiedde binnen zijn eeuwigdurend economisch eigendomsrecht.

5.8 De curator stelt de mogelijk bestaande (gebruiks-)overeenkomst(en) tussen gefailleerde en [gedaagde sub 1] bij brief van 25 april 2005 te hebben beëindigd per 1 mei 2005. [gedaagde sub 1] heeft betwist deze brief te hebben ontvangen. Indien vast zou komen te staan dat [gedaagde sub 1] deze brief wel heeft ontvangen, kan dit de curator niet baten. Gezien het eeuwigdurend karakter van het gebruiksrecht kan de curator naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenechter de gebruiksovereenkomst niet beëindigen.

5.9 De discussie tussen partijen over een mogelijk retentierecht is slechts aan de orde indien [gedaagde sub 1] niet de erfgenaam van [bestuurder] blijkt of indien de curator tóch - ondanks het eeuwigdurend gebruiksrecht - de economische eigendom rechtsgeldig zou kunnen beëindigen. Voor die gevallen overweegt de voorzieningenrechter - nog steeds ten overvloede - als volgt.

5.10 Uitgangspunt voor het inroepen van het retentierecht is dat de retentor de feitelijke macht over de zaak uitoefent in die zin dat afgifte nodig is om de zaak weer in de macht van de schuldenaar te brengen. [gedaagde sub 1] heeft de sleutel van de woning en slaapt er af en toe. Hij oefent derhalve de feitelijke macht over de woning uit en niet de ouders, zodat laatstgenoemden geen geslaagd beroep op het retentierecht kunnen doen.

5.11 Als onbetwist staat vast dat [gedaagde sub 1] de op de woning rustende hypotheek heeft afgelost. De voorzieningenrechter acht het voldoende aannemelijk dat voor het gebruik van de economische eigendom een bedrag van f 220.168,-- is betaald. Dat voor het gebruik tevens het door [gedaagde sub 1] betaalde bedrag in verband met de aflossing van de hypotheek diende te worden betaald, is geenszins gebleken. Door de aflossing van [gedaagde sub 1] is de positie van de bloot eigenaar verbeterd, zonder een daartoe bestaande afspraak of andere rechtsgrond. De voorzieningenrechter oordeelt derhalve voorshands dat [gedaagde sub 1] een vordering wegens ongerechtvaardigde verrijking jegens de curator heeft ten aanzien van de hypotheekaflossing zodat hij zich kan beroepen op zijn retentierecht.

5.12 Tot zover de overwegingen ten overvloede die aan de in 5.1 tot en met 5.3 gegeven beslissing niet afdoen.

6. De beslissing in kort geding

De voorzieningenrechter:

wijst de vorderingen af;

veroordeelt de curator in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van [gedaagden] bepaald op € 816,-- aan salaris van de procureur en € 248,-- aan verschotten (griffierecht);

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J. Verschoof en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 december 2006.