Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2006:AZ2172

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
12-10-2006
Datum publicatie
14-11-2006
Zaaknummer
66338 / KG ZA 06-148
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vordering tot ontruiming; verblijf zonder recht of titel; bruikleenovereenkomst; betwisting spoedeisend belang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 66338 / KG ZA 06-148

Vonnis van 12 oktober 2006 in kort geding

in de zaak van

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE DORDRECHT,

zetelende te Dordrecht,

eiseres,

procureur: mr. A.C.M. Geerts,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

procureur: mr. P.G.E. van Gremberghen.

Partijen zullen hierna worden aangeduid als de Gemeente en [gedaagde].

1. De procedure

1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het exploot van dagvaarding van 1 september 2006, met 16 producties;

- de mondelinge behandeling op 28 september 2006;

- de pleitnota van de Gemeente;

- de pleitnota van [gedaagde], met 2 producties.

1.2 Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1 [gedaagde] is exploitant van een circus. Het circusmateriaal van [gedaagde] is onder andere opgeslagen in containers. In de periode 1986 tot 2002 heeft [gedaagde] zijn circusmateriaal opgeslagen op zijn terrein aan de [straatnaam] te [plaatsnaam].

2.2 Eind 2001/ begin 2002 heeft [gedaagde] zijn perceel aan de [straatnaam] verkocht aan een derde. De Gemeente heeft [gedaagde] geholpen een alternatieve locatie voor zijn circusmateriaal te vinden. Een (tijdelijke) oplossing is gevonden in een magazijn van de Gemeente aan de [adres] te [plaatsnaam].

2.3 Op 15 januari 2002 is tussen de Gemeente en [gedaagde] een bruikleenovereenkomst voor drie maanden gesloten voor het magazijn aan de [adres]. Kort voor afloop van deze overeenkomst is op 15 april 2002 tussen partijen een nieuwe bruikleenovereenkomst gesloten, deze keer voor een periode van vier maanden. Na afloop van de tweede overeenkomst is tussen partijen op 20 augustus 2002 een derde bruikleenovereenkomst gesloten voor een periode van drie maanden. De inhoud van de drie overeenkomsten is vrijwel identiek. In de overeenkomsten zijn, voor zover van belang, de volgende bepalingen opgenomen:

(...) 1.2 Het magazijn is uitsluitend bestemd om te worden gebruikt als opslagplaats voor circusmateriaal. (...)

1.3 Het is bruiklener niet toegestaan zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van uitlener een andere bestemming aan het object te geven dan omschreven in 1.2.

1.4 De bruiklener verklaart uitdrukkelijk, door ondertekening van deze akte ermee bekend te zijn dat de bruikleenovereenkomst een essentieel tijdelijk karakter draagt.

1.5 De gemeente is bereid het object tijdelijk aan [gedaagde] om niet in gebruik te geven. Gedurende de overeenkomst zoeken partijen naar een definitieve oplossing. Bruiklener zal bij beëindiging van de bruikleen jegens uitlener echter geen enkele aanspraak op vergoeding van welke aard dan ook, dan wel op een vervangend object/ perceel doen gelden. Voor zover op dat tijdstip rechter ter zake mochten bestaan, doet hij daarvan nu voor alsdan afstand ten behoeve van uitlener.

1.6 De bruiklener verklaart bekend te zijn met het feit dat het perceel in de toekomst aangewend zal worden voor herontwikkeling. (...)

2.4 [gedaagde] heeft het gebruik van het magazijn na afloop van de laatste bruikleenovereenkomst op 19 november 2002 voortgezet. [gedaagde] gebruikt het magazijn niet slechts voor opslag, doch ook voor bewoning. Hij heeft daartoe zijn woonwagen in het magazijn geplaatst.

2.5 In 2004 en 2005 hebben partijen verschillende malen gesproken over de bewoning van het magazijn door [gedaagde], alsmede over alternatieven voor de opslag van de circusmaterialen.

2.6 Onder meer bij brief van 24 april 2006 heeft de Gemeente aan [gedaagde] medegedeeld dat hij niet gerechtigd is het magazijn te gebruiken. De Gemeente heeft [gedaagde] een termijn geboden om een andere locatie te vinden. [gedaagde] is gesommeerd om de bewoning van het magazijn uiterlijk 20 mei 2006 en de opslag uiterlijk 15 juli 2006 te beëindigen.

2.7 Partijen zijn na dit schrijven nogmaals met elkaar in overleg getreden. [gedaagde] gebruikt het magazijn nog steeds.

3. Het geschil

3.1 De Gemeente vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

1. [gedaagde] zal veroordelen om binnen veertien dagen, dan wel binnen een nader door de voorzieningenrechter te bepalen termijn, na betekening van dit vonnis, het perceel en magazijn gelegen aan de [adres], kadastraal bekend Gemeente Dordrecht [kadasternummer], alsmede het perceel kadastraal bekend Gemeente Dordrecht [kadasternummer(s)] te ontruimen met al de zijnen en het zijne en al diegenen die van zijnentwege het magazijn en de percelen occuperen en ter vrije beschikking te stellen van de Gemeente met machtiging voorts van de Gemeente om de bevolen ontruiming zelf met behulp van de sterke arm van politie en justitie op kosten van [gedaagde] te doen uitvoeren onder verbeurte van een dwangsom van EUR 500,-, dan wel een nader door de voorzieningenrechter te bepalen bedrag, per kalenderdag voor iedere dag dat [gedaagde] nalatig is (en blijft) aan het vonnis te voldoen;

2. [gedaagde] zal veroordelen in de kosten van deze procedure.

3.2 De Gemeente legt de volgende stellingen aan haar vorderingen ten grondslag.

3.2.1 De tussen partijen gesloten bruikleenovereenkomsten zijn geëindigd. Deze zijn nooit verlengd, zodat [gedaagde] thans zonder recht of titel het magazijn gebruikt. [gedaagde] wist bij het aangaan van de bruikleenovereenkomsten dat de opslag in het magazijn slechts voor een korte tijd mogelijk was.

3.2.2 De bruikleenovereenkomsten zijn niet stilzwijgend verlengd. [gedaagde] is er in diverse overleggen en ook schriftelijk op gewezen dat de overeenkomsten zijn geëindigd en dat het perceel diende te worden ontruimd.

3.2.3 [gedaagde] heeft in strijd met de bruikleenovereenkomsten gehandeld door het magazijn niet alleen als opslagplaats, maar ook als woonruimte te gebruiken. [gedaagde] heeft buiten het magazijn ook het perceel rond het magazijn en het perceel tegenover het magazijn in gebruik genomen. Voor deze percelen is nooit een overeenkomst gesloten tussen partijen.

3.2.4 [gedaagde] wist dat de Gemeente de percelen nodig had voor de ontwikkeling van het project 'Stadswerven'.

3.2.5 De Gemeente heeft op korte termijn de percelen aan de [adres] die [gedaagde] in gebruik heeft nodig voor de ontwikkeling van fase 1 van het project 'Stadswerven'. Het gebied dient bouwrijp te worden gemaakt. Een langer uitstel van de werkzaamheden zal tot aanzienlijke kosten lijden. Daarnaast blijkt uit het rapport van 22 mei 2006 van de afdeling Bouwen & Wonen van de Gemeente dat opslag in en bewoning van het magazijn niet verantwoord zijn. De huidige staat van het magazijn levert een gevaarlijk situatie op die op korte termijn moet worden beëindigd. De Gemeente heeft een spoedeisend belang bij haar vordering.

3.3 [gedaagde] voert verweer. Hierop wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1 [gedaagde] betwist dat de Gemeente een spoedeisend belang heeft bij haar vordering en voert aan dat niet duidelijk is welke plannen de Gemeente met het perceel heeft, wat de tijdsplanning van de Gemeente is en welke verplichtingen de Gemeente is aangegaan.

4.2 De voorzieningenrechter passeert dit verweer. Desgevraagd ter zitting heeft de Gemeente verklaard dat het perceel waar het magazijn op staat, alsmede het perceel daartegenover begin 2007 bouwrijp moeten zijn. De planning is dat op 16 oktober 2006 begonnen wordt met het puinvrij maken van deze percelen. De op schrift gestelde planning is ter inzage gegeven aan de raadsman van [gedaagde] die daarop geen (verder) commentaar gaf. Hiermee is voldoende aannemelijk dat de Gemeente op korte termijn (voorbereidende) werkzaamheden moet verrichten op voornoemde percelen.

4.3 Voorts voert [gedaagde] als verweer aan dat de Gemeente geen spoedeisend belang bij een veroordeling tot ontruiming heeft, omdat tussen partijen bijna een huurovereenkomst tot stand gekomen is, waardoor [gedaagde] de beschikking krijgt over een alternatieve opslagplaats. Volgens [gedaagde] zal hij de percelen bij de totstandkoming van de huurovereenkomst snel verlaten.

4.4 De voorzieningenrechter gaat ook aan dit verweer voorbij. De enkele omstandigheid dat tussen partijen bijna een huurovereenkomst voor een alternatieve opslagplaats tot stand is gekomen, biedt de Gemeente immers geen garantie dat [gedaagde] bedoelde percelen ook daadwerkelijk op korte termijn zal ontruimen. Bovendien biedt bedoelde huurovereenkomst nog geen oplossing voor woonproblematiek van [gedaagde].

4.5 Het vorengaande betekent dat voldoende aannemelijk is dat de Gemeente spoedeisend belang heeft bij een vonnis tot ontruiming.

4.6 De Gemeente stelt dat [gedaagde] zonder recht of titel op de percelen van de Gemeente verblijft. [gedaagde] beroept zich op de plicht van de Gemeente hem een alternatieve locatie aan te bieden. De enkele omstandigheid dat de Gemeente het op zich heeft genomen [gedaagde] te helpen bij het vinden van een alternatieve locatie is onvoldoende om een juridische plicht daartoe aan te kunnen nemen. Daarbij is van belang dat [gedaagde] ter zitting heeft verklaard dat de toenmalige verkoop van zijn perceel aan de [straatnaam] een financiële keuze van hem betrof. Ook de omstandigheid dat de Gemeente het perceel aan de [adres] aan [gedaagde] ter beschikking heeft gesteld brengt niet mee dat op de Gemeente een plicht rust een andere locatie voor [gedaagde] te vinden. Dit geldt temeer nu reeds in de bruikleenovereenkomsten is opgenomen dat het gebruik van het magazijn slechts tijdelijk zou zijn en dat de Gemeente met het aanbieden van het magazijn geen (verdere) verplichting op zich nam. Van een schending van een verplichting op dit punt is dus geen sprake. Derhalve is voldoende aannemelijk dat [gedaagde] zonder recht of titel op de percelen van de Gemeente verblijft, zodat de vordering van de Gemeente toewijsbaar is.

4.7 De dwangsom wordt bepaald op EUR 250,- per dag dat [gedaagde] nalatig is aan dit vonnis te voldoen, met een maximum van EUR 10.000,-.

4.8 [gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van deze procedure worden veroordeeld.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1 veroordeelt [gedaagde] om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis het perceel en magazijn gelegen aan de [adres], kadastraal bekend Gemeente Dordrecht [kadasternummer], alsmede het perceel kadastraal bekend Gemeente Dordrecht [kadasternummer(s)] te ontruimen en te verlaten met al de zijnen en het zijne en al diegenen die van zijnentwege het magazijn en de percelen occuperen en deze ter vrije beschikking te stellen van de Gemeente met machtiging van de Gemeente om zonodig zelf de bevolen ontruiming te doen bewerkstelligen met behulp van de sterke arm van politie en justitie op kosten van [gedaagde], alles onder verbeurte van een dwangsom van EUR 250,- voor iedere dag dat [gedaagde] nalatig is aan dit vonnis te voldoen, tot een maximum van EUR 10.000,-;

5.2 veroordeelt [gedaagde] in de kosten van dit geding aan de zijde van de Gemeente tot heden vastgesteld op EUR 816,- aan salaris van de procureur en EUR 319,32 aan verschotten, waaronder EUR 248,- aan griffierecht;

5.3 verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

5.4 wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J. Verschoof en in het openbaar uitgesproken op 12 oktober 2006.