Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2006:AZ2074

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
27-10-2006
Datum publicatie
13-11-2006
Zaaknummer
Awb 05/1220
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2007:BA7087, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Niet alle handhaving is bestuursdwang. Analoge toepassing beginselplicht. Waarschuwing vooraf.

Ingevolge de voorschriften die zijn verbonden aan de exploitatievergunning voor een café is verweerder bevoegd over te gaan tot schorsing, intrekking of wijziging van de vergunning als blijkt, dat de aan de vergunning verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen of worden overtreden. Op deze bevoegdheid acht verweerder de zogenaamde beginselplicht, zoals die geldt voor bestuursdwang, gelijkelijk van toepassing. De volgens verweerders beleid vereiste voorafgaande schriftelijke waarschuwing is niet in strijd met die beginselplicht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Sector Bestuursrecht

procedurenummer: AWB 05/1220

uitspraak van de meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

inzake

[xxx],

wonende te Langerak, eiser,

tegen

de Burgemeester van de gemeente Liesveld, verweerder,

gemachtigde: mr. P.M.D. Weijers, advocaat te Alblasserdam.

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft bij besluit van 23 maart 2005 afwijzend beslist op eisers verzoek om bestuursrechtelijke handhaving van de voorschriften van de exploitatievergunning (hierna: de vergunning) voor het café Het Onderhuis (hierna: het café) en schorsing van de vergunning.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 7 april 2005 bezwaar gemaakt bij verweerder.

Bij besluit van 31 augustus 2005 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiser bij faxbericht van 7 oktober 2005 beroep ingesteld bij de rechtbank Dordrecht.

Bij besluit van 27 oktober 2005, verzonden 31 oktober 2005, heeft verweerder voormeld besluit van 31 augustus 2005 ingetrokken en meegedeeld, dat op 14 september 2005 een schriftelijke laatste waarschuwing is verstuurd.

De zaak is op 13 juni 2006 ter zitting van een meervoudige kamer behandeld.

Eiser is ter zitting verschenen, vergezeld van [xxx].

Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

De vergunninghouder is niet verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Wettelijk kader

Ingevolge artikel 6:18, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) brengt het aanhangig zijn van bezwaar of beroep tegen een besluit geen verandering in een los van het bezwaar of beroep reeds bestaande bevoegdheid tot intrekking of wijziging van dat besluit.

Ingevolge het derde lid van dit artikel mag het bestuursorgaan, zolang het bezwaar of beroep aanhangig blijft, geen besluit nemen waarvan de inhoud of strekking met het oorspronkelijke besluit overeenstemt, tenzij: a. gewijzigde omstandigheden dit rechtvaardigen en b. het bestuursorgaan daartoe los van het bezwaar of beroep ook bevoegd zou zijn geweest.

Ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Awb wordt, indien een bestuursorgaan een besluit heeft genomen als bedoeld in artikel 6:18, het bezwaar of beroep geacht mede gericht te zijn tegen het nieuwe besluit, tenzij dat besluit aan het bezwaar of beroep geheel tegemoet komt.

Ingevolge voorschrift 27 van de aan de vergunning verbonden voorschriften kan de burgemeester de vergunning schorsen, intrekken of wijzigen als blijkt dat de aan de vergunning verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn nagekomen of worden overtreden.

2.2. Bestreden besluiten

Het bestreden besluit van 31 augustus 2005 strekt, kort gezegd, tot handhaving van de afwijzende beslissing op eisers verzoek, aangezien er door verweerder geen overtredingen zijn geconstateerd en de door eiser opgestelde lijst van incidenten slechts inzicht geeft in de hinder die eiser stelt te ondervinden.

Het bestreden besluit van 27 oktober 2005 strekt, kort gezegd, tot intrekking van voormeld besluit, onder handhaving van de afwijzing. Vanwege een drietal door politie en/of milieudienst geconstateerde overtredingen heeft verweerder op 14 september 2005 een schriftelijke laatste waarschuwing aan de vergunninghouder verstuurd. Daarbij heeft verweerder medegedeeld dat hij, indien nogmaals overlast wordt geconstateerd, het sluitingsuur van het café met twee uur zal terugbrengen. Voorts heeft verweerder aan eiser in kopie toegezonden de notitie regionaal handhavingsbeleid horeca 2002, die is vastgesteld door de "districtelijke driehoek".

2.3. Gronden beroep

Eiser acht de bestreden besluiten onrechtmatig. Kort gezegd is eiser van opvatting dat het besluit van 27 oktober 2005 in strijd is met artikel 6:18, derde lid, van de Awb. Onder "gewijzigde omstandigheden" als bedoeld in deze bepaling mogen slechts omstandigheden worden begrepen die verweerder niet reeds bij het besluit van 31 augustus 2005 had moeten betrekken. Nu dergelijke omstandigheden ontbreken was verweerder niet bevoegd het besluit van 27 oktober 2005 te nemen onder intrekking van het eerdere besluit, nu het nieuwe besluit dezelfde strekking heeft als het ingetrokken besluit. Voorts voert eiser aan nog steeds regelmatig overlast van het café te ondervinden door muziekgeluid, het stemgeluid van gasten op het terras en van komende en gaande gasten, alsmede van lawaai van motorvoertuigen van de bezoekers. Dit leidt tot aantasting van eisers woon- en leefklimaat en tot slaapstoornissen bij eiser. Eiser is van opvatting dat hij in een stille woonwijk met weinig verkeer woont als bedoeld in de, volgens eiser analoog toepasselijke, brochure "Handreiking industrielawaai en vergunningverlening". Volgens eiser heeft verweerder een beginselplicht tot handhaving en mag hij slechts afzien van handhaving indien legalisatie mogelijk is dan wel er sprake is van bijzondere omstandigheden die zich tegen handhaving verzetten.

2.4. Beoordeling

2.4.1. Naar het oordeel van de rechtbank is het besluit van 27 oktober 2005 niet in strijd met artikel 6:18, derde lid, van de Awb. Deze bepaling verzet zich niet tegen het nemen van een nieuw, verbeterd besluit met dezelfde strekking onder intrekking van het onjuiste, eerdere besluit. Dit heeft verweerder in het onderhavige geval gedaan. Nu eiser niet heeft aangegeven welk belang hij overigens heeft bij de beoordeling van het ingetrokken besluit is zijn beroep daartegen niet-ontvankelijk en staat nog slechts ter beoordeling het besluit van 27 oktober 2005 (hierna: het bestreden besluit).

2.4.2. Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag verweerders bevoegdheid ingevolge het aan de vergunning verbonden voorschrift 27 over te gaan tot schorsing, intrekking of wijziging van de vergunning als blijkt, dat de aan de vergunning verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen of worden overtreden. Naar verweerder ter zitting heeft toegelicht hanteert hij in gevallen als het onderhavige het regionaal handhavingsbeleid horeca 2002 als zijn beleid. De waarschuwing aan de vergunninghouder en de daarbij aangezegde terugbrenging van het sluitingsuur van het café acht verweerder in overeenstemming met het "Sanctiebeleid Bestuur" dat volgens het beleid van toepassing is bij het "Niet voldoen aan voorschriften exploitatievergunning".

Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting is verweerder voorts van opvatting dat de zogenaamde beginselplicht tot handhaving met bestuursdwang als bedoeld in artikel 5:21 van de Awb tevens - kennelijk op analoge wijze - van toepassing is op zijn voormelde bevoegdheid. Deze beginselplicht houdt in dat in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik zal moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag het bestuursorgaan weigeren dit te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van handhavend optreden in die situatie behoort te worden afgezien.

Naar het oordeel van de rechtbank is verweerders beleid overeenkomstig het regionaal handhavingsbeleid horeca 2002, voorzover hier van belang, niet kennelijk onredelijk. Voorzover eiser heeft beoogd te stellen dat dit beleid en voornoemde beginselplicht niet met elkaar verenigbaar zouden zijn, is daarvan naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. De beginselplicht staat niet in de weg aan een handhavingsbeleid dat een waarschuwing aan de overtreder voorschrijft alvorens tot bestuursdwang mag worden overgegaan en evenmin aan een beleid dat voorziet in een reeks bestuursdwangmaatregelen waarvan de zwaarte toeneemt bij voortzetting of voortduring van overtredingen. Niet valt in te zien dat dit anders zou zijn voor de toepassing van bevoegdheden als voorschrift 27 van de aan de vergunning verbonden voorschriften. Dit spreekt temeer in een geval als het onderhavige, waarin het niet gaat om een voortdurende of naar zijn aard permanente overtreding van een wettelijk voorschrift.

Evenmin acht de rechtbank de toepassing van verweerders beleid in het onderhavige geval onredelijk. Verweerder stelt zich terecht op het standpunt dat het bestreden besluit in overeenstemming is met het beleid. Daarbij mocht verweerder uitgaan van de drie in het bestreden besluit genoemde overtredingen, nu hij de door eiser opgestelde lijst van incidenten onvoldoende bewijs heeft kunnen achten voor de (andere) door eiser gestelde overtredingen van de aan de vergunning verbonden voorschriften. Gelet daarop heeft eiser naar het oordeel van de rechtbank geen omstandigheden gesteld op grond waarvan verweerder tot een andere belangenafweging had moeten komen.

Gelet op het voorgaande is het beroep tegen het bestreden besluit van 27 oktober 2005 ongegrond.

2.4.3. De rechtbank ziet geen aanleiding een van de partijen te veroordelen in de kosten van de andere partij.

Mitsdien beslist de rechtbank als volgt.

3. Beslissing

De rechtbank Dordrecht,

- verklaart het beroep tegen het besluit van 31 augustus 2005 niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 27 oktober 2005 ongegrond.

Aldus gegeven door mr. W.M.P.M. Weerdesteijn, voorzitter, en mrs. M.G.L. de Vette en C. Smals-van Dijk, leden, en door de voorzitter en de griffier ondertekend.

De griffier is buiten staat De voorzitter,

te tekenen

Uitgesproken in het openbaar op: 27 oktober 2006

Afschrift verzonden op: 1 november 2006

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan een belanghebbende beroep instellen. Het instellen van het beroep geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag, binnen zes weken na dagtekening van verzending van deze uitspraak.