Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2006:AZ2070

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
27-10-2006
Datum publicatie
13-11-2006
Zaaknummer
Awb 05/14 en 05/15
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-beeindiging wwb-uitk. bij verblijf langer dan toegestane vakantieperiode in het buitenland vanwege medische behandeling is niet in strijd met art. 49 EG-verdrag(vrij verkeer van diensten);

-art. 13, vierde lid, van de WWB dient buiten toepassing te worden gelaten vanwege ongerechtvaardigde leeftijdsdiscriminatie;

- bevoegdheid toepassen art. 16 WWB niet beperkt door territorialiteitsbeginsel

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Sector Bestuursrecht

procedurenummers: AWB 05/14 en AWB 05/15

uitspraak van de meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

inzake

[xxx],

wonende te Dordrecht, eiser,

gemachtigde: mr. C. Vissers, advocaat te Rotterdam,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Dordrecht, verweerder,

gemachtigden: mr. A. Kleijn en mr. M.M. Berkhout, beiden werkzaam bij de gemeente Dordrecht.

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft bij besluit van 16 maart 2004 het eerder aan eiser toegekende recht op bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (hierna: WWB) ingetrokken met ingang van

17 maart 2004.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 7 juni 2004 bezwaar gemaakt bij verweerder.

Verweerder heeft bij beslissing van 13 juli 2004 het eerder aan eiser toegekende recht op bijstand ingevolge de WWB ingetrokken met ingang van 17 maart 2004 en de kosten van teveel betaalde bijstand over de periode van 17 maart 2004 tot en met 31 mei 2004 van eiser teruggevorderd.

Verweerder heeft de bezwaren van eiser op grond van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) geacht mede te zijn gericht tegen laatstbedoelde beslissing.

Bij besluit van 26 november 2004 heeft verweerder het bezwaar van eiser in zoverre gegrond verklaard dat de intrekkingsdatum nader is vastgesteld op 15 april 2004, en de bezwaren voor het overige ongegrond verklaard (hierna: bestreden besluit I).

Tegen dit besluit heeft eiser bij faxbericht van 4 januari 2005 beroep ingesteld bij de rechtbank Dordrecht. Dit beroep is bij de rechtbank geregistreerd onder procedurenummer AWB 05/14.

Verweerder heeft bij besluit van 29 maart 2004 geweigerd eiser bijzondere bijstand te verlenen voor de kosten van doorbetaling van de vaste lasten tijdens zijn verblijf in het buitenland.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 7 mei 2004 bezwaar gemaakt bij verweerder.

Bij besluit van 26 november 2004 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard (hierna: bestreden besluit II).

Tegen dit besluit heeft eiser bij faxbericht van 4 januari 2005 beroep ingesteld bij de rechtbank Dordrecht. Dit beroep is bij de rechtbank geregistreerd onder procedurenummer AWB 05/15.

De enkelvoudige kamer heeft de zaken verwezen naar een meervoudige kamer.

De rechtbank heeft de zaken ter behandeling gevoegd met de zaak met procedurenummer AWB 05/13.

De zaken zijn op 24 april 2006 ter zitting van een meervoudige kamer behandeld.

Eiser is ter zitting verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

Na de behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst. Thans wordt in de onderhavige zaken afzonderlijk uitspraak gedaan.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 9, eerste lid, van de WWB, voor zover hier van belang, is de belanghebbende van 18 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar, vanaf de dag van melding als bedoeld in artikel 44, tweede lid, verplicht:

a. naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen en deze te aanvaarden;

b. gebruik te maken van een door het college aangeboden voorziening, waaronder begrepen

sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling, alsmede mee te werken aan een onderzoek naar zijn mogelijkheden tot arbeidsinschakeling.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel kan het college, indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, in individuele gevallen tijdelijk ontheffing verlenen van een verplichting als bedoeld in het eerste lid.

Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de WWB heeft iedere Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, recht op bijstand van overheidswege.

Ingevolge artikel 13, eerste lid, aanhef en onder d, van de WWB - zoals dit artikel luidde ten tijde hier van belang - heeft geen recht op bijstand degene die per kalenderjaar langer dan vier weken verblijf houdt buiten Nederland dan wel een aaneengesloten periode van langer dan vier weken verblijf houdt buiten Nederland.

Ingevolge het vierde lid van dit artikel geldt in afwijking van het eerste lid, onderdeel d, voor personen vanaf 57,5 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar, aan wie op grond van artikel 9, tweede lid, ontheffing is verleend van de verplichtingen, bedoeld in artikel 9, eerste lid, alsmede voor personen van 65 jaar of ouder, een periode van 13 weken.

Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de WWB kan het college aan een persoon, die geen recht op bijstand heeft, gelet op alle omstandigheden, in afwijking van deze paragraaf, bijstand verlenen indien zeer dringende redenen daartoe noodzaken.

2.2. De rechtbank gaat bij haar beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiser ontving een bijstandsuitkering naar de norm van een alleenstaande, laatstelijk op grond van de WWB. In verband met zijn alcoholverslaving is eiser met toestemming van zijn ziektekostenverzekeraar vanaf 17 maart 2004 opgenomen in Castle Craig Hospital te Peelblesshire in Schotland (hierna: Castle Craig), een AWBZ-erkende instelling die is gespecialiseerd in de behandeling van alcohol- en andere verslavingen. De kosten van de medische behandeling zijn volledig vergoed door de ziektekostenverzekeraar.

Bij besluit van 16 maart 2004 heeft verweerder het recht van eiser op bijstand met ingang van 17 maart 2004 ingetrokken op grond van de overweging dat eiser vanaf die datum niet langer in Nederland woont.

Bij besluit van 13 juli 2004 heeft verweerder het recht op bijstand van eiser met ingang van 17 maart 2004 op grond van dezelfde overweging ingetrokken, alsmede de kosten van teveel betaalde bijstand over de periode van 17 maart 2004 tot en met 31 mei 2004 van eiser teruggevorderd.

Bij besluit van 29 maart 2004 heeft verweerder geweigerd eiser bijzondere bijstand te verlenen voor de kosten van doorbetaling van de vaste lasten tijdens zijn verblijf in het buitenland.

2.3. Bij het bestreden besluit I (Awb 05/14) heeft verweerder de intrekkingsbesluiten van 16 maart 2004 en 13 juli 2004 gehandhaafd, met dien verstande dat hij de intrekkingsdatum nader heeft vastgesteld op 16 april 2004.

Verweerder heeft ten aanzien van de ontvankelijkheid van het eerst op 7 juni 2004 door eiser gemaakte bezwaar, bij verweerder op 8 juni 2004 ingekomen, overwogen dat, nu het primaire besluit van 16 maart 2004 naar het verkeerde adres is gezonden en het eiser niet verweten kan worden dat hij van de verhuizing op 15 maart 2004 niet op een zodanig tijdstip melding heeft gemaakt dat het besluit nog van een juiste adressering kon worden voorzien, eiser redelijkerwijs niet in verzuim is.

Met betrekking tot de intrekking van het recht op bijstand heeft verweerder overwogen dat het in artikel 11 van de WWB neergelegde territorialiteitsbeginsel zich te allen tijde verzet tegen bijstandsverlening aan de betrokkene vanaf het moment waarop hij langer dan de toegestane vakantieperiode in het buitenland verblijft. Hierdoor komt de vraag naar een eventuele ontheffing van de arbeidsverplichting niet meer aan de orde, aldus verweerder.

Het beginsel van vrijheid van dienstverlening is volgens verweerder niet in geding, nu eiser op geen enkele wijze wordt beperkt in zijn vrijheid om naar Schotland te gaan om daar behandeld te worden. Het beroep van eiser op het gelijkheidsbeginsel heeft verweerder verworpen met de overweging dat de uitvoeringspraktijk van de ene gemeente de andere gemeente niet kan binden. Ten slotte heeft verweerder overwogen dat het territorialiteitsbeginsel zo absoluut is dat het zich zelfs verzet tegen toekenning van een bijstandsuitkering op grond van artikel 16 van de WWB.

Bij het bestreden besluit II (Awb 05/15) heeft verweerder het besluit van 29 maart 2004 gehandhaafd, doch de weigering bijzondere bijstand te verlenen gebaseerd op het in artikel 11 van de WWB neergelegde territorialiteitsbeginsel dat zich tegen bijstandsverlening verzet aan in het buitenland verblijvende personen. In aanvulling op hetgeen hij in besluit I heeft overwogen heeft verweerder nog opgemerkt dat het feit of al dan niet een ontheffing van de arbeidsverplichtingen op grond van artikel 9, tweede lid, van de WWB is verleend niet van invloed is op het recht op bijzondere bijstand.

2.4. Eiser kan zich met beide besluiten niet verenigen en heeft aangevoerd dat intrekking van het recht op bijstand naast het wegvallen van zijn enige bron van inkomsten direct leidt tot beëindiging van zijn ziektekostenverzekering, terwijl de ziektekostenverzekeraar hem toestemming had gegeven een medische behandeling in Schotland te ondergaan. Dientengevolge wordt het ondergaan van een medische behandeling van langer dan vier weken in een andere EG-lidstaat dan Nederland voor een bijstandsgerechtigde illusoir.

Een dermate absolute opvatting van het territorialiteitsbeginsel zoals verweerder dat voorstaat vormt een disproportionele belemmering van het recht op een vrije ontvangst van dienstverlening als bedoeld in artikel 49 van het EG-verdrag, waarvoor geen rechtvaardigingsgrond bestaat. De arbeidsinschakeling van eiser komt niet in gevaar, in tegendeel, het ondergaan van een effectieve medische behandeling in Schotland is er juist op gericht om eiser zo spoedig mogelijk te genezen en weer te laten participeren op de arbeidsmarkt. Eiser heeft betoogd dat de intrekking van het recht op bijstand voorts in strijd is met het eveneens in artikel 49 van het EG-verdrag neergelegde discriminatieverbod. Indien in Nederland een gelijksoortige behandeling wordt genoten door een betrokkene heeft dit geen gevolgen voor het recht op bijstand. Voorts heeft eiser betoogd dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld door hem in bezwaar niet alsnog te ontheffen van de wettelijke verplichting om beschikbaar te zijn voor de arbeidsmarkt en dat verweerder heeft gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel, in die zin dat door andere gemeenten aan betrokkenen tijdens hun medische behandeling in Schotland wel bijstand is verstrekt. Eiser heeft voorts betoogd dat hij, gelet op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (hierna: CRvB) van 15 juli 2003, JAWB 2003, 200, gedurende 13 weken zijn uitkering doorbetaald had moeten krijgen. Ten slotte heeft eiser betoogd dat verweerder ten onrechte voorbij is gegaan aan zijn subsidiaire verzoek om hem ingevolge artikel 16 van de WWB bijstand te verstrekken gedurende zijn verblijf in Schotland.

2.5. De rechtbank overweegt als volgt.

t.a.v. besluit I (AWB 05/14)

2.5.1. De rechtbank ziet zich vooreerst gesteld voor de vraag of verweerder eiser terecht in zijn bezwaren gericht tegen het besluit van 16 maart 2004 heeft ontvangen.

Op grond van artikel 6:8 van de Awb vangt de in artikel 6:7 vermelde termijn van zes weken aan met ingang van de dag waarop dat besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Ingevolge artikel 3:41 van de Awb geschiedt de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbende zijn gericht, door toezending of uitreiking aan hen, onder wie begrepen de aanvrager.

Nu het besluit van 16 maart 2004 is verzonden naar het adres waarvan verweerder mocht aannemen dat eiser aldaar woonachtig was, is dit besluit op de in artikel 3:41 van de Awb voorgeschreven wijze bekend gemaakt. De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift is geëindigd op 27 april 2004. Vast staat dat het bezwaarschrift van eiser, ingekomen bij verweerder op 8 juni 2004, niet binnen de gestelde termijn van zes weken na verzending op 16 maart 2004 van het besluit is ingediend en dat derhalve sprake is van overschrijding van de wettelijke bezwaartermijn.

Ingevolge artikel 6:11 van de Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijkheid op grond daarvan achterwege, indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

De rechtbank is met verweerder van oordeel dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat eiser in verzuim is geweest en dat de termijnoverschrijding met toepassing van artikel 6:11 van de Awb verschoonbaar is. Eiser heeft weliswaar eerst op het aanvraagformulier bijzondere bijstand van 16 maart 2004 melding gemaakt van zijn nieuwe woonadres, doch blijkens de informatie van de Gemeentelijke Basisadministratie had de verhuizing pas de dag ervoor plaatsgevonden. Gelet hierop kan eiser niet verweten worden dat hij van deze verhuizing niet op een zodanig tijdstip melding heeft gemaakt dat het besluit van

16 maart 2004 nog van een juiste adressering kon worden voorzien.

Vast staat dat eiser eerst op 1 juni 2004 heeft kennisgenomen van het besluit van 16 maart 2004. Door op 7 juni 204 bezwaar te maken heeft eiser zo spoedig als redelijkerwijs kan worden verlangd bezwaar gemaakt.

Gelet op het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat verweerder eiser terecht in zijn bezwaren gericht tegen het besluit van 16 maart 2004 heeft ontvangen.

2.5.2. Met betrekking tot de beslissing van 13 juli 2004 overweegt de rechtbank ambtshalve het volgende.

Ingevolge artikel 6:18, eerste lid, van de Awb, voor zover hier van belang, brengt het aanhangig zijn van bezwaar tegen een besluit geen verandering in een los van het bezwaar reeds bestaande bevoegdheid tot intrekking of wijziging van dat besluit.

Ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, voor zover hier van belang, wordt, indien een bestuursorgaan een besluit heeft genomen als bedoeld in artikel 6:18, het bezwaar of beroep geacht mede te zijn gericht tegen het nieuwe besluit tenzij dat besluit aan het bezwaar geheel tegemoet komt.

Verweerder heeft met toepassing van de artikelen 6:18 en 6:19 van de Awb het bezwaar van eiser mede gericht geacht tegen de beslissing van 13 juli 2004.

Vast staat dat verweerder reeds bij besluit van 16 maart 2004 het recht op bijstand van eiser met ingang van 17 maart 2004 heeft beëindigd. Ingevolge vaste jurisprudentie van de CRvB kan in het geval er twee naar inhoud gelijkluidende besluiten worden genomen, het tweede besluit niet worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb, omdat het niet op enig ander rechtsgevolg is gericht dan reeds was beoogd met het eerst genomen besluit.

Aangezien in het onderhavige geval de beslissing van 13 juli 2004 zich wederom uitstrekt over beëindiging van het recht op bijstand met ingang van 17 maart 2004, is het in zoverre geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb.

Gelet op het bepaalde in artikel 7:1 in samenhang met artikel 8:1 van de Awb staat tegen een dergelijke beslissing dan ook niet het rechtsmiddel van bezwaar open, en had verweerder in het verlengde hiervan daarom het bezwaar van eiser niet mede gericht mogen achten tegen de beslissing van 13 juli 2004 voor zover dit besluit betrekking had op de beëindiging van het recht op uitkering

2.5.3. Met betrekking tot de inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit overweegt de rechtbank het volgende.

In het verlengde van hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen merkt de rechtbank op dat verweerder in het bestreden besluit geen heroverweging heeft gewijd aan de beslissing tot terugvordering als vervat in het besluit van 13 juli 2004. Hiertegen zijn geen beroepsgronden gericht zodat de rechtbank zich in dezen beperkt tot het navolgende.

In het onderhavige geval staat de rechtbank voor de beantwoording van de vraag of de intrekking van eisers recht op bijstand in verband met het genieten van gezondheidszorg in een andere lidstaat langer dan de gebruikelijke vakantieperiode van vier weken, in rechte stand kan houden.

2.5.3.1. Toetsing aan artikel 49 van het EG-Verdrag.

Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna: HvJ) staat artikel 49 EG-Verdrag in de weg aan de toepassing van een nationale regeling die de mogelijkheid voor een dienstontvanger om daadwerkelijk van die vrijheid gebruik te maken beperkt, zonder dat daarvoor een objectieve rechtvaardiging bestaat. Deze bepaling verzet zich ook tegen toepassing van een nationale regeling die ertoe leidt, dat het ontvangen van diensten tussen lidstaten moeilijker wordt dan het ontvangen van diensten binnen een enkele lidstaat.

Volgens vaste rechtspraak van het HvJ kunnen belemmeringen van de door het EG-recht gewaarborgde vrijheden, waaronder die van dienstverrichting, die voortvloeien uit voor eenieder toepasselijke nationale maatregelen, slechts worden geaccepteerd indien die maatregelen hun rechtvaardiging vinden in dwingende redenen van algemeen belang en daarbij het evenredigheidsbeginsel in acht wordt genomen, dat wil zeggen dat de maatregelen geschikt zijn om het ermee beoogde doel te bereiken, en niet verder te gaan dan wat daartoe noodzakelijk is.

Beoordeeld moet dan ook worden of een wettelijke regeling, zoals die welke hier aan de orde is, het vrij verrichten van diensten belemmert en of die belemmering in een voorkomend geval aanvaardbaar kan zijn als een door het verdrag uitdrukkelijk voorziene of overeenkomstig de rechtspraak van het HvJ door dwingende redenen van algemeen belang gerechtvaardigde afwijkende regeling.

De rechtbank stelt vast dat doel en strekking van de WWB niet in direct verband staan met het vrij verkeer van diensten. Zo is er in de WWB ook geen bepaling opgenomen die ziet op een voorziening in de gezondheidszorg. Bij de verlening van bijstand ter voorziening in de noodzakelijke kosten van het bestaan als oogmerk van de regeling speelt geen rol het ontvangen van een dienst in het buitenland. Evenmin speelt een toestemmingsvereiste of een financiële vergoeding voor de ontvangen dienst een rol. Slechts het langer in het buitenland verblijven dan de gebruikelijke vakantieduur vanwege gezondheid kan in het kader van de WWB leiden tot intrekking van het recht op bijstand. Hoewel niet kan worden ontkend dat intrekking van het recht op bijstand na ommekomst van de termijn van een toegestaan verblijf in het buitenland kan leiden tot belemmeringen in de ontvangst van gezondheidszorg in het buitenland, als gevolg van het niet langer verzekerd zijn, acht de rechtbank dit gevolg niet beschermd door artikel 49 van het EG-verdrag.

Met betrekking tot de vraag of er sprake is van een ongerechtvaardigd onderscheid als gevolg van de toepassing van artikel 11 in samenhang met artikel 13 van de WWB waardoor het ontvangen van diensten in een andere lidstaat moeilijker is dan het ontvangen van diensten in Nederland, stelt de rechtbank vast dat door de wetgever de reikwijdte van de WWB uitdrukkelijk is beperkt tot de hier te lande wonende rechthebbende. Gelet op inmiddels vaste jurisprudentie van de CRvB kan naar het oordeel van de rechtbank ten aanzien van dit zogeheten territorialiteitsbeginsel niet worden gezegd dat dit in het kader van het vrij verkeer van diensten op zichzelf beschouwd een ongerechtvaardigd onderscheid is, althans er valt geen regel van gemeenschapsrecht of internationaal recht aan te wijzen die bedoeld onderscheid verbiedt.

Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van een door artikel 49 van het EG-Verdrag verboden belemmerende maatregel.

De beroepsgrond van eiser faalt mitsdien.

2.5.3.2. Toetsing aan de WWB

Blijkens de parlementaire geschiedenis van de WWB en de jurisprudentie van de CRvB staat het territorialiteitsbeginsel zoals vastgelegd in artikel 11 van de WWB in de weg aan bijstandsverlening bij verblijf in het buitenland langer dan de gebruikelijke vakantieduur van 4 respectievelijk 13 weken, ongeacht de reden van het buitenlands verblijf. In combinatie met artikel 13 van de WWB leidt dit ertoe dat eiser voor de periode dat hij langer dan de eerdergenoemde gebruikelijke vakantieduur in het buitenland verblijft in principe geen recht op bijstand heeft.

Vast staat dat verweerder in het verleden de arbeidsverplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de WWB aan eiser heeft opgelegd. Daar staat echter tegenover dat eiser bij terugkeer in Nederland op 2 november 2004 door verweerder in verband met zijn psychische en lichamelijke klachten als arbeidsongeschikt en niet beschikbaar voor betaalde arbeid is beschouwd en aan hem een ontheffing van de verplichtingen, bedoeld in artikel 9, tweede lid, van de WWB is verleend. Voorts heeft verweerder ter zitting toegelicht dat, als eiser in Nederland een vergelijkbare medische behandeling had ondergaan als in Schotland, hij feitelijk als onbemiddelbaar zou zijn aangemerkt.

Gelet op deze gegevens, in onderlinge samenhang beschouwd, is de rechtbank van oordeel dat in het geval van eiser buiten twijfel is dat in de hier van belang zijnde periode van verblijf in het buitenland niet van eiser had mogen worden gevergd dat hij voldeed aan de arbeidsverplichtingen, bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de WWB. De rechtbank wijst in dit verband nog op de uitspraak van de CRvB van 13 januari 2004, gepubliceerd in RSV 2004/74.

De rechtbank overweegt dat eiser in bezwaar alsnog heeft verzocht te worden ontheven van de arbeidsverplichtingen op grond van artikel 9, tweede lid, van de WWB, en wel gedurende de periode waarin hij een medische behandeling heeft ondergaan in Schotland.

De rechtbank stelt vast dat verweerder in het bestreden besluit niet op deze aanvraag heeft beslist. Voor zover verweerder in het bestreden besluit heeft opgemerkt dat de vraag naar een eventuele (tijdelijke) ontheffing van de arbeidsverplichtingen op grond van artikel 9, tweede lid, van de WWB in het geheel niet meer aan de orde kan komen omdat het territorialiteitsbeginsel zich te allen tijde verzet tegen bijstandsverlening vanaf het moment waarop de betrokkene langer dan de gebruikelijke vakantieduur in het buitenland verblijft, overweegt de rechtbank dat verweerder met deze opmerking heeft miskend dat voor het antwoord op voormelde vraag ook van belang is om te bepalen wat in de situatie van eiser de gebruikelijke vakantieduur is. Nu verweerder dit heeft nagelaten is dit in strijd met het in artikel 3:2 van de Awb neergelegde vereiste dat het bestuursorgaan bij de voorbereiding van het besluit de nodige kennis vergaart omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen, alsmede met het in artikel 7:12, eerste lid, van de Awb neergelegde vereiste dat de beslissing op bezwaar dient te berusten op een deugdelijke motivering.

Met betrekking tot de vraag wat in de situatie van eiser de gebruikelijke vakantieduur is overweegt de rechtbank nog het volgende.

Met het in artikel 13, vierde lid, van de WWB gemaakte verschil in toegestane duur van verblijf buiten Nederland is naar het oordeel van de rechtbank onderscheid naar leeftijd in het leven geroepen. Niet ieder onderscheid naar leeftijd levert discriminatie op in de zin van artikel 26 van het Internationale Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (hierna: IVBPR). Indien daarvoor redelijke en objectieve gronden bestaan is het maken van onderscheid naar leeftijd geoorloofd. Onder verwijzing naar de uitspraak van de CRvB van 3 september 2002, gepubliceerd in RSV 2002, 244, overweegt de rechtbank dat in de wetsgeschiedenis van (de wijziging van) artikel 13, vierde lid, van de WWB geen argumenten zijn aangetroffen ter rechtvaardiging van het onderscheid naar leeftijd tussen enerzijds bijstandsgerechtigden van 57,5 jaar en ouder en anderzijds jongere bijstandsgerechtigden ten aanzien van wie (ook) buiten twijfel staat dat het voldoen aan de op de arbeidsinschakeling gerichte verplichtingen, bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de WWB, niet, althans niet (meer) in de voor de beoordeling relevante periode mag worden gevergd.

In dit verband acht de rechtbank van belang dat in de toelichting op het amendement van de Tweede Kamerleden Noorman-den Uyl en Bruls (Tweede Kamer, vergaderjaar 2003-2004, 29 499, nr. 8), dat heeft geleid tot de Wet van 9 juli 2004, waarbij onder meer artikel 13, vierde lid, van de WWB is gewijzigd, wordt vermeld dat in de WWB wordt gekozen voor een gelijke behandeling van vakantieduur in de WW en Algemene bijstandswet zoals dat altijd heeft gegolden. Gelet op bovengenoemde uitspraak van de CRvB van 3 september 2002 levert deze verwijzing evenwel geen redelijke en objectieve grond op voor het maken van onderscheid in leeftijd. Voorts acht de rechtbank van belang dat de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid tijdens het wetgevingsoverleg op 1 juni 2004 heeft aangegeven dat er eigenlijk geen redelijke en objectieve gronden (blijken) te zijn om het in eerdergenoemd amendement aangegeven onderscheid naar leeftijd te rechtvaardigen (Tweede Kamer, vergaderjaar 2003-2004, 29 499, nr. 11, p. 7).

Het voorgaande in aanmerking genomen kan, indien de betrokkene tot de laatstbedoelde groep van bijstandsgerechtigden moet worden gerekend, naar het oordeel van de rechtbank niet worden gezegd dat het gemaakte onderscheid naar leeftijd wordt gerechtvaardigd door objectieve en redelijke gronden.

Nu eiser jonger is dan 57,5 jaar en, zoals hiervoor reeds is overwogen, buiten twijfel is dat in de hier van belang zijnde periode van verblijf in het buitenland van eiser niet had mogen worden gevergd dat hij voldeed aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de WWB, dient artikel 13, vierde lid, van de WWB in zoverre buiten toepassing te worden gelaten.

Met betrekking tot de vraag of sprake is van zeer dringende redenen die nopen tot bijstandsverlening overweegt de rechtbank nog het volgende.

Zoals de CRvB in zijn uitspraken van 1 februari 2005, gepubliceerd in JWWB 2005 en van 29 maart 2005, JWWB 2005,11 heeft overwogen heeft een bestuursorgaan de bevoegdheid om van het territorialiteitsbeginsel af te wijken indien zeer dringende redenen daartoe noodzaken.

Door in het bestreden besluit op te merken dat het territorialiteitsbeginsel zo absoluut is dat het zich zelfs verzet tegen bijstandsverlening op grond van artikel 16 WWB, heeft verweerder zijn bevoegdheid in dezen miskend. Verweerder heeft hiermee eveneens gehandeld in strijd met het bepaalde in artikel 7:12, eerste lid, van de Awb.

Gelet op vorenoverwogene dient het beroep gegrond te worden verklaard en komt het bestreden besluit wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Awb voor vernietiging in aanmerking.

t.a.v. besluit II (AWB 05/15)

2.5.4. Met betrekking tot de gehandhaafde weigering eiser bijzondere bijstand te verlenen voor de kosten van doorbetaling van de vaste lasten tijdens zijn verblijf in het buitenland overweegt de rechtbank het volgende.

Naar vaste rechtspraak van de CRvB sluit het aan de WWB ten grondslag liggende territorialiteitsbeginsel de mogelijkheid tot bijstandsverlening uit ten aanzien van kosten die buiten Nederland zijn opgekomen of die betrekking hebben op kosten die niet aan Nederland zijn verbonden.

De rechtbank onderschrijft het oordeel van verweerder dat het territorialiteitsbeginsel in het onderhavige geval aan bijzondere bijstandsverlening in de weg staat. Het betreft immers kosten van een - tijdelijk - niet in Nederland woonachtig persoon.

Met betrekking tot de vraag of sprake is van zeer dringende redenen die nopen tot bijzondere bijstandsverlening is de rechtbank, zoals zij hiervoor reeds heeft overwogen, van oordeel dat verweerder, door in het bestreden besluit op te merken dat het territorialiteitsbeginsel zo absoluut is dat het zich zelfs verzet tegen bijstandsverlening op grond van artikel 16 WWB, zijn bevoegdheid in dezen heeft miskend.

Verweerder heeft hiermee gehandeld in strijd met het bepaalde in artikel 7:12, eerste lid, van de Awb.

Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep gegrond te worden verklaard en komt het bestreden besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb voor vernietiging in aanmerking.

2.5.5. Nu de beroepen gegrond worden verklaard dient verweerder op grond van het bepaalde in artikel 8:72, vierde lid, van de Awb de door eiser betaalde griffierechten te vergoeden.

De rechtbank ziet aanleiding om verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van deze beroepen redelijkerwijs heeft moeten maken. In aanmerking nemende dat sprake is van samenhang zijn de kosten in verband met door een derde beroepsmatig verleende bijstand zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322,- en wegingsfactor 1). De rechtbank is niet gebleken dat eiser nog andere kosten heeft moeten maken die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen.

3. Beslissing

De rechtbank Dordrecht,

-verklaart de beroepen gegrond;

-vernietigt de bestreden besluiten;

-bepaalt dat de gemeente Dordrecht aan eiser de door hem betaalde griffierechten ten bedrage van in totaal € 74,- vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten die eiser in verband met de behandeling van deze beroepen redelijkerwijs heeft moeten maken, welke kosten worden begroot op: € 644,- ter zake van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

-wijst de gemeente Dordrecht aan als de rechtspersoon die voormelde proceskosten aan eiser moet vergoeden.

Aldus gegeven door mr. P.K. Nihot, voorzitter, en mrs. M.J.M. Marseille en M.G.L. de Vette, leden, en door de voorzitter en mr. M.C. Woudstra, griffier, ondertekend.

De griffier, De voorzitter,

Uitgesproken in het openbaar op:

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan een belanghebbende beroep instellen. Het instellen van het beroep geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht, binnen zes weken na dagtekening van verzending van deze uitspraak.