Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2006:AZ1877

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
20-10-2006
Datum publicatie
09-11-2006
Zaaknummer
186188 HA VERZ 06-617
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Goedkeuring afwijkend huurbeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2006, 192
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Sector kanton

Locatie Dordrecht

kenmerk: 186188 HA VERZ 06-617

beschikking van de kantonrechter te Dordrecht van 20 oktober 2006

inzake het verzoek van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Laurus Nederland B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te 5223 AL ’s-Hertogenbosch, Parallelweg 64,

gemachtigde mr. P.A.M.H. van Ooij,

en

[naam],

wonende te [adres],

die zelf procedeert,

hierna te noemen “verzoekers”, danwel verhuurder respectievelijk huurder.

Verloop van de procedure

De kantonrechter beslist op de volgende processtukken:

1. het verzoekschrift dat ter griffie is binnengekomen op 29 september 2006;

2. de overgelegde producties.

De behandeling van het verzoekschrift is bepaald op 19 oktober 2006.

Verzoekers zijn verschenen, verhuurder vertegenwoordigd door haar gemachtigde.

Verzoekers hebben gepersisteerd bij het in het verzoekschrift gestelde en hebben het verzoekschrift nog mondeling nader toege-licht.

De gemachtigde van verhuurder heeft ter zitting de samenwerkingsovereenkomst tussen partijen overgelegd.

Verzoek en de beoordeling daarvan

Verzoekers hebben op 1 oktober 2006 een huurovereenkomst gesloten betreffende de winkelruimte aan het [adres] te Dordrecht, welk pand bedrijfsruimte is in de zin van artikel 7:290 BW.

In de tussen partijen gesloten huurovereenkomst zijn afwijkende huurbedingen opgenomen, waarvoor partijen de goedkeuring verzoeken van de kantonrechter. De reden voor de hierna te noemen afwijkende termijn in de huurovereenkomst hangt samen met het feit dat verhuurder niet voor een langere periode kan verhuren dan waarvoor verhuurder zelf de beschikking heeft over huurrechten.

De hierna te noemen beëindigingclausule van artikel 7.5a en 7.5b, welke afwijkt van afdeling 6, titel 4 van boek 7 BW, hangt samen met de omstandigheid dat verhuurder met huurder ook een samenwerkingsovereenkomst heeft gesloten. Het is ter instandhouding van de samenwerkingsketen (franchiseketen) volgens verhuurder nodig dat het winkelpand weer ter beschikking komt van verhuurder indien en zodra de samenwerkingsovereenkomst eindigt. Daarom verzoeken partijen goedkeuring voor het beding dat de huurovereenkomst zal eindigen op het moment dat de samenwerkingsovereenkomst zal eindigen.

Partijen wensen, gelet op bovenstaande, in de tussen hen geldende huurovereenkomst het volgende op te nemen:

Art. 3.1 Deze overeenkomst is aangegaan voor de duur van 37 maanden, ingaande op 01-10-2006 en lopende tot en met 31-10-2009.

Art 3.2 Na het verstrijken van de in art. 3.1 genoemde periode wordt deze overeenkomst voortgezet behoudens opzegging voor twee aansluitende perioden van elk vijf (5) jaar.

Art 7.4 Het is de huurder bekend dat verhuurder op zijn beurt het gehuurde eveneens huurt en dat de onderhavige huurovereenkomst derhalve een onderhuurovereenkomst betreft. Deze (hoofd)huurovereenkomst is gesloten voor een eerste periode van 15 jaar, ingaande op 01-11-1994 en lopende tot en met 31-10-2009, waarna de (hoofd)huurovereenkomst behoudens opzegging zal worden verlengd met 2 perioden van elk 5 jaar.

Art 7.5.a Partijen erkennen dat de bij deze aangegane huurovereenkomst binnen de overeengekomen termijnen, derhalve tussentijds, wordt geacht te zijn ontbonden met ingang van de datum waarop de huurder en verhuurder bestaande Samenwerkingsovereenkomst ongeacht om welke reden, wordt beëindigd of ontbonden.

Art 7.5.b Zodra de hiervoor bedoelde situatie zich voordoet, zal huurder het bij deze gehuurde winkelpand niet meer gebruiken en met verhuurder omtrent de ontruiming van het gehuurde waarvoor alsdan een termijn van tenminste twee (2) maanden in acht zal worden genomen. Huurder zal daarbij de eigendomsrechten c.q. het door hem schriftelijk vastgelegde eigendomsvoorbehoud van verhuurder met betrekking tot eventueel de bedrijfsuitrusting en/of handelsgoederen volledig respecteren. In het geval huurders resp. zijn rechtverkrijgenden in verzuim mochten blijven met betrekking tot de in het voorafgaande artikel 7.5.a vermelde verplichtingen, verbeurt hij resp. verbeuren zij een direct opeisbare boete van € 450,- (zegge: vierhonderdenvijftig euro) voor elke dag dat hij c.q. zij terzake in verzuim is resp. zijn.

Art 7.5 (bedoeld zal zijn artikel 7.6, kantonrechter) Deze overeenkomst is aangegaan onder de ontbindende voorwaarde dat door de bevoegde rechtelijke instantie goedkeuring wordt onthouden aan deze huurovereenkomst en de in artikel 7.4.a en 7.4.b (bedoeld zal zijn 7.5.a en 7.5.b, kantonrechter) omschreven beëindigingclausule.

De kantonrechter stelt voorop dat door deze bedingen, de rechten van de huurder wezenlijk worden aangetast, met name door de artikelen 7.5.a en 7.5.b., waardoor er geen sprake is van de rechtelijke toetsing op basis van artikel 7:296 BW.

Voorts is de maatschappelijke positie van huurder in vergelijking met die van verhuurder niet zodanig dat huurder geen bescherming behoeft van de wettelijke bepalingen ten aanzien van huur.

Ter zitting is naar voren gekomen dat tussen partijen sprake is van een franchise-overeenkomst, die ter zitting is overgelegd. In deze franchise-overeenkomst zijn ten aanzien van de beëindiging daarvan geen bepalingen opgenomen die de kantonrechter onredelijk voorkomen. Partijen hebben aangegeven dat het onwenselijk is dat de huurovereenkomst zou voortduren bij een eventuele beëindiging van de franchise-overeenkomst. Huurder heeft daar geen belang bij en verhuurder heeft er alsdan belang bij de exploitatie op basis van franchise door een derde te laten plaatsvinden. Huurder heeft ter zitting verklaard dat hij alle overeenkomsten heeft laten beoordelen door een advocaat, die hem terzake van uitvoerig juridisch advies gediend heeft. Op basis daarvan heeft huurder de risico’s afgewogen en kan hij zich vinden in de overeenkomsten.

Onder deze omstandigheden acht de kantonrechter een bescherming van de huurder niet noodzakelijk. Gelet op artikel 7: 291 juncto artikel 7:292 van het Burgerlijk Wetboek keurt de kantonrechter voornoemde bedingen goed.

Beslissing

De kantonrechter:

keurt voorgestelde bedingen goed.

Deze beslissing is gegeven door mr. B.C. Vink, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 oktober 2006, in aanwezigheid van de griffier.