Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2006:AZ1140

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
26-10-2006
Datum publicatie
30-10-2006
Zaaknummer
176894 CV EXPL 06-1579
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ontslag op staande voet wegens disfunctioneren aan secretaresse van advocaat niet terecht verleend. Er zijn geen schriftelijke waarschuwingen gegeven, noch schriftelijk vastgelegde functioneringsgesprekken en evenmin zijn er acties ter verbetering ingezet. Van gesteld drugsgebruik is niet gebleken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RAR 2007, 21
Prg. 2006, 193

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Sector kanton

Locatie Dordrecht

kenmerk: 176894 CV EXPL 06-1579

vonnis van de kantonrechter te Dordrecht van 26 oktober 2006

in de zaak van:

[naam],

wonende te [woonplaats],

eiseres in conventie, verweerster in reconventie,

gemachtigde mr. J.M.C. Wessels, advocaat te Zwijndrecht,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [naam] B.V.,

gevestigd te [adres],

gedaagde in conventie, eiseres in reconventie,

gemachtigde J. van der Stel.

Partijen worden hierna aangeduid als [eiseres] en [gedaagde].

Verloop van de procedure

De kantonrechter wijst vonnis op de volgende processtukken:

1. de dagvaarding van 6 maart 2006;

2. de conclusie van antwoord in conventie, conclusie van eis in reconventie;

3. het tussenvonnis van 20 april 2006 waarin een comparitie van partijen is gelast;

4. de conclusie van antwoord in reconventie;

5. de aantekeningen van de griffier van de op 31 mei 2006 gehouden comparitie van

partijen;

6. de conclusie van repliek in conventie;

7. de conclusie van dupliek in conventie, tevens conclusie van repliek in reconventie;

8. de conclusie van dupliek in reconventie;

9. de door beide partijen overgelegde producties.

Omschrijving van het geschil

De vaststaande feiten in conventie en in reconventie

1. Als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, alsmede op grond van producties, voorzover niet betwist, staat het volgende tussen partijen vast.

2. [eiseres] is op 10 maart 2003 in dienst getreden bij [gedaagde] in de functie van secretaresse. [gedaagde] is een advocatenkantoor. [gedaagde] heeft [eiseres] op 28 november 2005 op staande voet ontslagen. Het ontslag is bevestigd bij brief van [gedaagde] aan [eiseres] van 28 november 2005, waarin is opgenomen:

“U wordt thans per direct op staande voet ontslagen. De redenen voor dit ontslag op staande voet zijn de navolgende:

Al enkele jaren wordt geklaagd door andere personeelsleden over stankoverlast op de dames toilet. Daarbij wordt aangegeven dat men van mening is dat u verslaafd bent aan verdovende middelen en op het toilet gebruikt.

Aanvankelijk reageerde ik met ongeloof. De meningen daarover echter werden steeds concreter. Allengs echter werd die twijfel weggenomen doordat de klachten aanhielden. Aanvankelijk was daarentegen ook niet concreet bewijs te verkrijgen anders dan dat een ieder die van het damestoilet gebruikt maakte de overtuiging uitsprak dat u verdovende middelen gebruikt.

(…)

Het behoort tot uw takenpakket om de post op te halen en de data van de daarmee bekend geworden termijnen in de agenda te noteren. Dit als onderdeel van de agendabewaking. Verder uiteraard om mij te attenderen op activiteiten zoals zittingen en het opstellen van conclusies.

Steeds vaker is evenwel gebleken dat dit niet meer correct gebeurde. Ook het telefoon aannemen en het doorgeven van de berichten bleek steeds minder goed te gaan.

(…)

Ook blijkt al geruime tijd dat u werk laat liggen. U moet door mij steeds aangemaand worden om het typewerk te gaan verrichten. Als het typewerk klaar is dan legt u het niet althans niet tijdig ter correctie voor of u verzendt de brief zonder dat die door mij gecorrigeerd is. Steeds heb ik u daarop aangesproken maar u ontkent of wordt kwaad en/of u doet er het zwijgen toe.

(…)

Thans is de situatie onhoudbaar geworden.

Het personeel vertelt mij dat u contacten onderhoudt met Antillianen die tijdens de middagpauze voor de deur althans vlak bij het kantoor komen en waar u drugs bij koopt. Zo ook wordt u op het station gesignaleerd waar u in onderhandeling bent met lieden die als drugsdealers ogen. Bij herhaling hebben dat soort lieden ook al contact met het kantoor opgenomen op zoek naar u. Het is naar ik heb vernomen al in bredere kring bekend dat u gebruikt. Duidelijk moge zijn dat dit het kantoor schade toebrengt.

Steeds weer vertoeft u geruime tijd een half uur tot drie kwartier op het toilet, zo is mij medegedeeld. U rookt op dat toilet bij herhaling verdovende middelen. Na uw toiletbezoek hangt er zo is mij door de andere dames verzekerd een stank in het toilet die met drugsgebruik moet samenhangen.

Naar aanleiding van het feit dat mij werd medegedeeld dat er af en toe een rietje en een leeg drugszakje werden aangetroffen in de damestoilet heb ik onlangs het damestoilet geïnspecteerd en daar daadwerkelijk een rietje aangetroffen en een sealzakje met restanten van wit poeder.

Eerder was mij al door een personeelslid een dergelijk sealzakje overhandigd.

Ik heb u die attributen getoond.

U wordt steeds roekelozer in uw verslavingsgedrag maar u gaat ook steeds meer en steeds ernstiger fouten maken.

In een uiterst belangrijke zaak werd door u verzuimd om de zittingsdatum in de agenda te vermelden. Daardoor is die zaak bij het Hof buiten mijn aanwezigheid behandeld. Voor cliënt heeft dat nadelige gevolgen die een weerslag op het kantoor zullen hebben.

Bij een andere zaak eveneens een strafzaak heeft u mij niet geattendeerd op de zitting waardoor cliënt alleen bij de rechter heeft gestaan.

In een andere zaak heeft u een brief als verzonden in het dossier gelegd welke niet verzonden bleek.

In een ander dossier lag ook een brief die niet verzonden was.

(…)

Op vrijdag 25 november j.l. belde u naar kantoor dat uw handtas ontvreemd was. Ik was om 9.15 al thuis door een zekere heer [naam] gebeld die mij mededeelde dat hij een handtas onder de [naam] brug had gevonden met allerlei belangrijke papieren van het advocatenkantoor. U gaf later aan die ochtend eerst naar het station geweest te zijn waar uw tas van de bagagedrager afgerukt was. De vraag dient zich aan wat u des ochtends op het station te zoeken had daar u niet met het openbaar vervoer reist. Op vrijdag 25 november trof ik in uw postbakje allerlei onverwerkte post. Ik heb vaker medegedeeld dat dergelijke post gelijk verwerkt moet worden, (…)

Op zondag 27 november heb ik uw bureau nader geïnspecteerd en blijkt er ook een map nader te verwerken post op na te houden. Daarin lagen allerlei poststukken die verwerkt hadden moeten worden. Met name ook berichten van de Raad voor de Rechtsbijstand die al geruime tijd hadden moeten worden beantwoord.

Wat daar ook in lag was een faxbericht van 18 november. Dit faxbericht had mij conform de instructies ter hand gesteld moeten worden. Doordat mij dat faxbericht niet te hand gesteld werd was ik niet geïnformeerd over het verdere verloop van de zaak en had ik mij onnodig bij herhaling over het dossier gebogen.

Hedenochtend heb ik mr [naam collega] verzocht mij haar mening te geven. Mevrouw [naam collega] heeft aangegeven er absoluut van overtuigd te zijn dat u verslaafd bent. (…)

Ik heb het aanvankelijk aanwezige vertrouwen in uw persoon absoluut verloren. De cumulatie van fouten en wangedrag hebben daartoe geleid. Het aantreffen van een map zoals hiervoor omschreven en het concreet niet hebben verwerkt van de post waaronder de met name genoemde fax hebben de emmer nu doen overlopen.

Hoogachtend,

[gedaagde] B.V.

[naam advocaat]

3. Bij brief van 4 december 2005 heeft [eiseres] geprotesteerd tegen het verleende ontslag en een beroep gedaan op doorbetaling van salaris.

4. Bij brief van 14 december 2005 heeft de heer [naam advocaat] [eiseres] bericht dat het ontslag op staande voet terecht is gegeven.

5. Bij beschikking van 19 januari 2006 heeft de kantonrechter te Dordrecht de arbeidsovereenkomst, voorzover mocht blijken dat deze nog voortduurt, ontbonden met ingang van 20 januari 2006, onder toekenning van een vergoeding aan [eiseres] van bruto € 10.000,--.

De vordering in conventie

6. [eiseres] heeft gevorderd bij vonnis, voorzover toelaatbaar uitvoerbaar bij voorraad:

a. voor recht te verklaren dat aan de arbeidsovereenkomst gesloten tussen partijen op

28 november 2005 niet rechtsgeldig een einde is gekomen;

b. [gedaagde] te veroordelen aan [eiseres] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te

betalen een bedrag van € 11.026,98, te vermeerderen met rente en kosten. Zij legt

hieraan, kort samengevat en voorzover thans van belang, het volgende ten

grondslag.

7. [eiseres] is op 28 november 2005 ten onrechte op staande voet ontslagen. [eiseres] gebruikt geen verdovende middelen en het haar getoonde rietje en sealzakje zijn niet van haar. Verder betwist [eiseres] onvoldoende te hebben gefunctioneerd. Zij is hier ook niet op aangesproken en evenmin in de gelegenheid gesteld zich te verbeteren. Het dienstverband is niet rechtsgeldig beëindigd op 28 november 2005, derhalve maakt [eiseres] aanspraak op betaling van salaris van 28 november 2005 tot en met 10 januari 2006 ad € 2.640,-- en vakantietoeslag over juli 2005 tot 10 januari 2006 ad € 915,20. Verder heeft zij nog recht op uitbetaling van 36 niet opgenomen vakantiedagen ad € 3.168,00. Vanwege te late betaling vordert [eiseres] de wettelijke verhoging van € 3.361,60 en verder buitengerechtelijke kosten ad € 833,-- en de wettelijke rente van € 109,18.

Het verweer in conventie

8. [gedaagde] heeft geconcludeerd de vorderingen af te wijzen, met veroordeling van [eiseres] in de kosten van het geding. Zij heeft daartoe, kort samengevat en voorzover thans van belang, het volgende aangevoerd.

9. [eiseres] is terecht op staande voet ontslagen. [gedaagde] heeft de overtuiging dat [eiseres] verdovende middelen gebruikte. Voorts functioneerde zij onvoldoende, waarbij zij heeft verzuimd een zitting bij het hof in de agenda te noteren, de heer [naam advocaat] niet op een zitting heeft geattendeerd, post niet correct heeft verwerkt en een fax niet aan de heer [naam advocaat] ter hand heeft gesteld. Nu het dienstverband rechtsgeldig is beëindigd op 28 november 2005 heeft [eiseres] geen recht op salaris en vakantietoeslag na 28 november 2005. De vakantietoeslag van juli 2005 tot 28 november 2005 wordt geacht te zijn gecompenseerd met de door [gedaagde] geleden schade, die in reconventie gevorderd wordt. Voorts betwist [gedaagde] dat [eiseres] recht heeft op 36 vakantiedagen, welke vordering niet is gemotiveerd. De wettelijke verhoging is niet verschuldigd, en dient subsidiair te worden beperkt. De buitengerechtelijke kosten zijn, evenals de wettelijke rente niet gemotiveerd en dienen dus afgewezen te worden.

De vordering in reconventie

10. [gedaagde] vordert [eiseres] te veroordelen bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 1.900,80, met rente en kosten. Zij stelt daartoe het volgende.

11. [eiseres] heeft [gedaagde] een dringende reden gegeven de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen en zij is derhalve schadeplichtig. De gefixeerde schade vergoeding bedraagt een bruto maandsalaris ad € 1.900,80.

Het verweer in reconventie

12. [eiseres] heeft geconcludeerd tot afwijzing van de vordering en voert daartoe hetzelfde aan als in haar vordering in conventie.

Beoordeling van het geschil in conventie en in reconventie

13. Blijkens de ontslagbrief van 28 november 2005 is het vermeende drugsgebruik van [eiseres] mede de grondslag geweest voor het verleende ontslag op staande voet. Bij conclusie van antwoord is [gedaagde] uitvoerig ingegaan op dit vermeende drugsgebruik van [eiseres], waarbij verband werd gelegd tussen het door [gedaagde] gestelde disfunctioneren, wangedrag en het gestelde drugsgebruik. Ter gelegenheid van de gehouden comparitie van partijen is na vragen van de kantonrechter omtrent het door [gedaagde] gestelde drugsgebruik van [eiseres] (die zulks ontkent) gebleken dat de stellingen van [gedaagde] hieromtrent louter op verdenkingen en veronderstellingen berusten en niet op feiten zijn gebaseerd. Hierna heeft [gedaagde] zich op het standpunt gesteld dat het drugsgebruik geen reden vormde voor het ontslag op staande voet, maar het disfunctioneren. Het aanvankelijke bewijsaanbod van [gedaagde] ten aanzien van het druggebruik van [eiseres] is daarna niet gehandhaafd. Het onderwerp drugsgebruik zal dan ook bij de beoordeling van het geschil geen rol meer spelen.

14. [gedaagde] heeft gesteld dat [eiseres] veel fouten maakte en dat zij daarop is aangesproken. [eiseres] heeft dit gemotiveerd bestreden. Wel heeft zij, ter gelegenheid van de gehouden comparitie van partijen, aangegeven dat de heer [naam advocaat] wel eens aanmerkingen maakte op haar werk en haar mededeelde dat ze bepaalde zaken anders moest doen. Hierbij heeft zij aangegeven dat deze opmerkingen in haar beleving een min of meer terloops karakter hadden. Tijdens de gehouden comparitie van partijen is dit door [gedaagde] met zoveel woorden erkend, althans niet weersproken. Zoals door [gedaagde] in de stukken is aangegeven, heeft [eiseres] geen schriftelijke waarschuwingen ontvangen en zijn met haar geen beoordelings- of functioneringsgesprekken gevoerd die schriftelijk zijn vastgelegd. Juist van een professionele rechtshulpverlener als een advocatenkantoor kan en mag evenwel worden verwacht dat bij constatering van fouten bij de vervulling van de functie van een medewerker, deze daar ondubbelzinnig en schriftelijk op wordt gewezen en dat acties ter verbetering van het functioneren worden ingezet. Ook van dit laatste is niet gebleken. [gedaagde] heeft aangeboden te bewijzen dat de heer [naam advocaat] [eiseres] bij herhaling mondeling heeft gewaarschuwd. Zelfs al zou dit worden bewezen, dan kan dit [gedaagde] niet baten, want het geven van mondelinge waarschuwingen is in deze onvoldoende, zodat dit bewijsaanbod wordt gepasseerd. Het bewijsaanbod van [gedaagde] ten aanzien van het wangedrag van [eiseres] wordt eveneens gepasseerd, aangezien [gedaagde] hiertoe onvoldoende heeft gesteld, anders dan verband houdende met vermeend drugsgebruik, dat zoals hiervoor is overwogen buiten beschouwing blijft.

15. Dat [gedaagde], althans de heer [naam advocaat], als advocaat zittingen heeft gemist kan niet zonder meer aan [eiseres] worden toegeschreven. Het standpunt van [gedaagde] in deze miskent dat een advocaat een geheel eigen verantwoordelijkheid heeft ten aanzien van de uitoefening van zijn beroep, waaronder verschijnen ter zitting. De door [gedaagde] gestelde door [eiseres] gemaakte fouten ten aanzien van agendabeheer en postbehandeling rechtvaardigen, onder de omstandigheden waarin schriftelijke waarschuwingen en schriftelijk vastgelegde functioneringsgesprekken ontbreken, geen ontslag op staande voet. Dit brengt met zich dat het ontslag op staande voet niet terecht is verleend, derhalve nietig is en dat de hieromtrent gevraagde verklaring voor recht zal worden toegewezen.

16. De vordering ten aanzien van achterstallig salaris ad € 2.640,-- zal worden toegewezen, evenals de vordering ten aanzien van de vakantietoeslag ad € 915,20.

17. De vordering van uitbetaling van 36 vakantiedagen is door [gedaagde] onvoldoende gemotiveerd weersproken. Van [gedaagde] mocht worden verwacht dat zij overzichten in het geding zou brengen waaruit blijkt op hoeveel vakantiedagen [eiseres] aan het begin van het jaar recht had, hoeveel dagen zij had opgenomen en wat het saldo is volgens [gedaagde]. Nu zij zulks heeft nagelaten, wordt de vordering ad € 3.168,-- toegewezen.

18. De wettelijke verhoging zal naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid worden gematigd tot 10% over € 6.723,20, derhalve € 672,32.

19. De buitengerechtelijke kosten zijn door [eiseres] niet onderbouwd en zullen worden afgewezen, evenals de gevorderde wettelijke rente van € 109,18, nu specificatie daarvan, waaronder begin- en einddatum ontbreekt. De wettelijke rente vanaf de dagvaarding tot de dag der voldoening wordt toegewezen.

20. Nu [gedaagde] grotendeels in het ongelijk is gesteld, zal zij worden veroordeeld in de kosten van het geding in conventie.

21. Ten aanzien van de gevorderde uitvoerbaar verklaring bij voorraad heeft [gedaagde] verzocht deze niet toe te wijzen, aangezien zij van een veroordelend vonnis hoger beroep zal instellen en er sprake is van restitutierisico. Terzake dienen de betrokken belangen te worden afgewogen. Mede gelet op de omvang van het bedrag waartoe [gedaagde] wordt veroordeeld en de veronderstelde betere financiële positie waarin [gedaagde] verkeert ten opzichte van [eiseres], valt deze afweging uit in het voordeel van [eiseres]. Gelet op de niet weersproken penibele financiële situatie van [eiseres], heeft zij recht op spoedige betaling van haar achterstallige salaris. De kantonrechter ziet geen aanleiding [eiseres] de voorwaarde op te leggen zekerheid te stellen.

22. Nu is geoordeeld dat het verleende ontslag op staande voet niet terecht is verleend en de daarmee samenhangende vorderingen worden toegewezen, ontbreekt de grondslag voor de reconventionele vordering tot de gefixeerde schadevergoeding. Deze vordering wordt dan ook afgewezen, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van het geding in reconventie.

Beslissing

De kantonrechter:

In conventie:

verklaart voor recht dat aan de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst op 28 november 2005 niet rechtsgeldig een einde is gekomen;

veroordeelt [gedaagde] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiseres] te betalen het bedrag van € 7.395,52, met de wettelijke rente vanaf de dag van de dagvaarding tot de voldoening;

veroordeelt [gedaagde] in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van [eiseres] bepaald op:

aan explootkosten € 84,87

aan griffierecht € 196,00

aan salaris gemachtigde € 900,00

totale kosten € 1.180,87;

wijst af het meer of anders gevorderde;

In reconventie:

wijst de vordering af;

veroordeelt [gedaagde] in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van [eiseres] bepaald op € 600,-- aan salaris gemachtigde;

In conventie en in reconventie:

verklaart dit vonnis, behoudens de verklaring voor recht, uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr B.C. Vink, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 oktober 2006, in aanwezigheid van de griffier.