Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2006:AZ0257

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
06-10-2006
Datum publicatie
17-10-2006
Zaaknummer
184752 VV EXPL 06-94
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

"Onvoldoende gronden voor een voortzetting van een non actiefstelling. Het feit dat door de werkgever een ontbindingsverzoek is ingediend, doet daar niet aan af.

Vordering tot weder te werkstelling toegewezen."

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Sector kanton

Locatie Dordrecht

kenmerk: 184752 VV EXPL 06-94

vonnis in kort geding van de kantonrechter te Dordrecht van 6 oktober 2006

in de zaak van:

[naam],

wonende te [woonplaats],

eiser in kort geding,

gemachtigde: mr. H.Th. Schravenmade,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Asep B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te 2964 LE Groot Ammers, Energieweg 26,

gedaagde,

gemachtigde: mr. N.M. Jonker

Verloop van de procedure

De kantonrechter wijst vonnis op de volgende processtukken:

? de dagvaarding van 11 september 2006;

? de aantekening dat de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 19 september 2006;

? de overgelegde producties;

? de pleitaantekeningen van beide gemachtigden.

Omschrijving van het geschil

Eiser vordert bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad, om gedaagde:

I. te gebieden binnen 24 uur de non actief stelling van eiser op te heffen en hem tot het bedrijf van gedaagde toe te laten om de bedongen arbeid weer te verrichten, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5000,-- per dag of gedeelte van een dag

II. te veroordelen in de kosten van deze procedure.

Eiser voert samengevat het volgende aan:

? Eiser is 53 jaren oud en sedert 15 april 2005, na daartoe te zijn uitgenodigd, managing director (niet statutair) bij gedaagde tegen een maandsalaris van € 10.030,86, exclusief vakantietoeslag, bonus en emolumenten;

? De bonusregeling geeft eiser recht op een percentage van de winst per boekjaar, maar ook op een percentage van de verkoopprijs van de aandelen van gedaagde, indien die hoger ligt dan € 40.000.000,--, ook in geval van een eventuele opzegging van de arbeidsovereenkomst door gedaagde binnen een termijn van zes maanden vóór de verkoop;

? Gedaagde is voornemens de verkoop binnen enige tijd (2007) te realiseren;

? Eiser heeft door zijn management de doelstellingen tot nu toe succesvol gerealiseerd. Hij was ook met dat oogmerk door gedaagde binnen gehaald;

? Gedaagde leed in 2004 een aanzienlijk verlies en eiser is er in geslaagd om al in 2005 een winstpositie te creëren..

? Niettemin heeft gedaagde het vertrouwen in eiser op 13 juli 2006 opgezegd en eiser vanaf die datum op non actief gesteld;

? Eiser meent dat gedaagde dit doet om hem te kunnen ontslaan op een zodanig tijdstip dat de verkoopbonus, die wel een hoogte van circa € 2.500.000,-- kan hebben aan eiser te onthouden;

? Eiser betwist dat er gronden voor een non actiefstelling zijn.

Gedaagde heeft de stellingen van eiser bestreden en wel als volgt:

? Eiser blijkt niet over de wel vooronderstelde consistente strategische kwaliteiten te beschikken;

? De verkoopafdeling functioneert onder eiser slecht met het gevolg dat er vele klachten zijn;

? Eiser communiceert niet goed en mist daarom bij het personeel ieder draagvlak;

? Eiser is hiervan regelmatig mondeling op de hoogte gesteld en een aantal overgelegde

e-mails onderbouwt het disfunctioneren;

? De ontevredenheid over eiser is niet geveinsd en heeft niets van doen met een toekomstige verkoop van de onderneming -en de dan te betalen bonus-, die zeker niet eerder dan in 2007/2008 gestalte zal krijgen;

? De goede resultaten over 2005 zijn een gevolg van de gunstige markt en niet toe te rekenen aan de inspanningen van eiser;

? Binnen een week zal een verzoek ex art. 7:685 BW worden ingediend.

Beoordeling van het geschil

De spoedeisendheid is voldoende aangetoond.

Hier is slechts aan de orde de eventuele opheffing van de non actiefstelling en de weder te werkstelling van eiser. Van een beëindiging van het dienstverband is, ook al heeft gedaagde wel aangekondigd dat te zullen initiëren, nog geen sprake.

Bezien zal dus moeten worden of de door gedaagde aangevoerde feiten en omstandigheden die tot de non actiefstelling hebben geleid voldoende zwaarwegend zijn geweest.

Voorlopig wordt geoordeeld dat dit niet het geval is.

Denkbaar is dat gedaagde niet tevreden over eiser is geweest, maar concrete bezwaren in arbeidsrechtelijke zin zijn niet of in ieder geval niet op een voor eiser voldoende kenbaar gemaakte wijze jegens hem geuit.

Een aantal e-mails met daarin op of aanmerkingen kan niet als voldoende kenbaar voor eiser worden beschouwd. Dit temeer niet omdat een groot deel van die e-mails afkomstig is van de grootaandeelhouder van gedaagde, die eiser welhaast op de voet in zijn doen en laten volgde onder het uiten van als vriendschappelijk aan te merken kritiek vanuit eigen ervaring in het verleden.

Er zijn ook geen functioneringsgesprekken gehouden noch zijn er door gedaagde verbetertrajecten m.b.t eiser in gang gezet.

Een op non actiefstelling is, anders dan indien er zich ernstige onregelmatigheden voordoen die een onmiddellijk ingrijpen in de arbeidsverhouding noodzakelijk maken, onnodig en defamerend.

Van de noodzaak om van dit zware middel gebruik te maken is hier voorshands niets gebleken.

Zeker ook gelet op de aard van de functie die eiser uitoefent (een directeur is immers een voorbeeld voor allen in de onderneming), had gedaagde meer zorgvuldigheid jegens hem dienen te betrachten en hem niet van het ene op het andere moment zonder sterke gronden mogen dwingen om zijn werkzaamheden te staken.

Of en in hoeverre het dienstverband uiteindelijk zal moeten worden voortgezet kan en zal hier niet worden beoordeeld. Het is de kantonrechter ambtshalve bekend dat gedaagde inmiddels op 2 oktober jl. een verzoek ex art. 7:685 BW bij deze rechtbank heeft ingediend, maar daarmede zal hier geen rekening (kunnen) worden gehouden.

De non activiteit zal niettemin dienen te worden opgeheven, omdat deze, zoals hierboven overwogen grondslag mist. De eis zal derhalve worden toegewezen, met dien verstande dat de termijn van 24 uur wordt verlengd tot 3 werkdagen.

Gedaagde zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van deze procedure worden veroordeeld.

Beslissing

De kantonrechter:

gebiedt gedaagde om binnen drie werkdagen na betekening van dit vonnis de op non actiefstelling van eiser op te heffen en hem weer op het werk toe te laten en in staat te stellen om de bedongen arbeid te verrichten op straffe van verbeurte van een dwangsom jegens eiser van € 5000,-- per dag of gedeelte van een dag indien gedaagde in gebreke blijft daaraan te voldoen;

veroordeelt gedaagde in de kosten van de procedure, bepaald op:

aan explootkosten € 84,87

aan kosten GBA/KvK € 00,00

aan griffierecht € 105,00

aan salaris gemachtigde € 400,00

totale kosten € 589,87

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.D. Rentema, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 oktober 2006, in aanwezigheid van de griffier.