Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2006:AZ0043

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
28-09-2006
Datum publicatie
12-10-2006
Zaaknummer
11/500392-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Dordrecht heeft het verweer van de raadsman in een zaak van een 33-jarige man tot partiële nietigverklaring van de dagvaarding verworpen. De rechtbank overwoog dat de officier weliswaar twee feiten die op verschillende data zijn gepleegd cumulatief te laste heeft gelegd, maar dat dit niet betekent dat de tenlastelegging daarmee onduidelijk wordt. Verdachte is, gelet op de inhoud van de tenlastelegging, naar het oordeel van de rechtbank in ieder geval genoegzaam geïnformeerd over hetgeen hem wordt verweten en waartegen hij zich heeft te verdedigen.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 300
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 261
Wetboek van Strafvordering 351
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NBSTRAF 2006/439
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

MEERVOUDIGE STRAFKAMER

Tegenspraak

Parketnummer: 11/500392-06

Zittingsdatum: 14 september 2006

Uitspraak: 28 september 2006

VERKORT STRAFVONNIS

De rechtbank Dordrecht heeft op grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting vonnis gewezen in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren in 1972,

wonende te [woonplaats en adres].

De rechtbank heeft de processtukken gezien en kennis genomen van de

vordering van de officier van justitie en van hetgeen de raadsman naar voren

heeft gebracht. Verdachte is niet verschenen.

1. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen dat:

1.

hij op of omstreeks 12 juni 2006 te Zwijndrecht, in elk geval in Nederland,ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] (zijnde zijn, verdachtes, ex-vriendin) van het leven te beroven, althans opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met zijn, verdachtes, knie(ën) op de keel/hals van die [slachtoffer] heeft gezeten en/of tegen die keel/hals heeft geduwd en/of heeft gehouden en/of (daarbij) een kussen in/tegen het gezicht van die [slachtoffer] heeft geduwd en/of heeft gehouden en/of zijn, verdachtes, hand tegen de mond van die [slachtoffer] heeft geduwd en/of heeft gehouden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

SUBSIDIAIR: voorzover het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 12 juni 2006 te Zwijndrecht, in elk geval in Nederland opzettelijk heeft mishandeld een persoon, te weten: [slachtoffer] (zijnde zijn,verdachtes, ex-vriendin), door met zijn, verdachtes, knie(ën) op de keel/hals van die [slachtoffer] te zitten en/of tegen die keel/hals te duwen en/of te houden en/of (daarbij) een kussen in/tegen het gezicht van die [slachtoffer] te duwen en/of te houden en/of zijn, verdachtes, hand tegen de mond van die [slachtoffer] te duwen en/of te houden, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

2.

hij op 2 april 2006 en/of op 8 april 2006 te Zwijndrecht, in elk geval in Nederland, (telkens) opzettelijk heeft mishandeld een persoon, te weten:

[slachtoffer] (zijnde zijn, verdachtes, ex-vriendin), door meermalen, althans eenmaal,

- tegen het lichaam van die [slachtoffer] te duwen en/of

- (met gestrekte vingers) in het gezicht en/of in de zij, althans in het lichaam, van die [slachtoffer] te prikken en/of

- in het gezicht, althans tegen het hoofd, en/of tegen het lichaam van die [slachtoffer] te stompen en/of te slaan en/of

- (krachtig) de arm(en), althans het lichaam, van die [slachtoffer] vast te pakken en/of

- de kin, althans het hoofd, van die [slachtoffer] (hardhandig) vast te pakken en/of (vervolgens) (met zijn, verdachtes duimen) de keel van die [slachtoffer] dicht te drukken en/of dichtgedrukt te houden, althans in de keel/hals van die [slachtoffer] te drukken en/of te duwen en/of (daarbij) het hoofd van die [slachtoffer] (hardhandig) achterover te duwen en/of (terwijl hij de keel keel/hals van die [slachtoffer] vast had) die [slachtoffer] op te tillen (waardoor die [slachtoffer] weinig of geen lucht kreeg), waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

3.

hij op of omstreeks 02 april 2006 te Zwijndrecht opzettelijk en wederrechtelijk meerdere, althans één, mobiele telefoon(s), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt door die telefoon(s) tegen een muur te gooien;

art 350 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2. De voorvragen

2.1 De geldigheid van de dagvaarding

De raadsman heeft voor wat betreft het onder 2. ten laste gelegde betoogd dat de dagvaarding partieel nietig moet worden verklaard. Omdat er sprake zou zijn van een tweetal incidenten en omdat de officier van justitie er voor heeft gekozen om deze incidenten in één tenlastelegging te omschrijven, zou het volkomen onduidelijk zijn, welke in de tenlastelegging omschreven geweldshandelingen bij welk incident behoren.

De rechtbank heeft op grond van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vastgesteld. Het slachtoffer [slachtoffer] heeft tot tweemaal toe aangifte gedaan van jegens haar door verdachte gepleegde strafbare feiten, welke zouden zijn gepleegd op 2 respectievelijk 8 april 2006. In beide aangiftes verklaart zij specifiek over de jegens haar door verdachte gepleegde geweldshandelingen op de beide tijdstippen. Vervolgens heeft de officier van justitie er voor gekozen om de beide feiten cumulatief ten laste te leggen.

Op grond van hetgeen hiervoor reeds door de rechtbank is vastgesteld, maakt deze keuze niet dat daarmee de tenlastelegging onduidelijk wordt. Zij is in ieder geval zodanig geformuleerd dat de verdachte genoegzaam is geïnformeerd over hetgeen hem wordt verweten en waartegen hij zich heeft te verdedigen. Daarvan heeft ook de ter terechtzitting gevoerde verdediging blijk gegeven. De dagvaarding vormt aldus een voldoende grondslag voor een terechtzitting en voldoet derhalve aan het bepaalde in artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering. De rechtbank verwerpt het verweer.

Ook overigens is bij het onderzoek ter terechtzitting gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

2.2 De bevoegdheid van de rechtbank

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen.

2.3 De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen feiten en/of omstandigheden gebleken, die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan.

2.4 De schorsing van de vervolging

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing van de vervolging gebleken.

3. Het onderzoek ter terechtzitting

3.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ten aanzien van het onder feit 1 primair ten laste gelegde vrijspraak gevorderd. Hij heeft het overige ten laste gelegde bewezen achtend gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vier maanden met aftrek van het voorarrest.

3.2 De verdediging

De raadsman heeft - naast het hiervoor onder 2.1. genoemde verweer - algehele vrijspraak bepleit en subsidiair een strafmaatverweer gevoerd.

4. De bewijsbeslissingen

4.1 Vrijspraak

Naar het oordeel van de rechtbank is niet overtuigend bewezen hetgeen onder 1. primair is ten laste gelegd.

De rechtbank heeft op grond van het onderzoek ter terechtzitting uit de schaarse bewijsmiddelen hieromtrent niet de overtuiging bekomen dat verdachte de ten laste gelegde geweldshandelingen heeft gepleegd met de intentie van levensberoving dan wel het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.

Verdachte zal derhalve van het onder 1. primair ten laste gelegde worden vrijgesproken.

4.2 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte

1.

(subsidiair)

hij op of omstreeks 12 juni 2006 te Zwijndrecht, in elk geval in Nederland

opzettelijk heeft mishandeld een persoon, te weten: [slachtoffer] (zijnde zijn, verdachtes, ex-vriendin), door met zijn, verdachtes, knie(ën) op de keel/hals van die [slachtoffer] te zitten en/of tegen die keel/hals te duwen en/of te houden en/of (daarbij) een kussen in/tegen het gezicht van die [slachtoffer] te duwen en/of te houden en/of zijn, verdachtes, hand tegen de mond van die [slachtoffer] te duwen en/of te houden, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

2.

hij op 2 april 2006 en/of op 8 april 2006 te Zwijndrecht, in elk geval in Nederland, (telkens) opzettelijk heeft mishandeld een persoon, te weten: [slachtoffer] (zijnde zijn, verdachtes, ex-vriendin), door meermalen, althans eenmaal,

- tegen het lichaam van die [slachtoffer] te duwen en/of

- (met gestrekte vingers) in het gezicht en/of in de zij, althans in het lichaam, van die [slachtoffer] te prikken en/of

- in het gezicht, althans tegen het hoofd, en/of tegen het lichaam van die [slachtoffer] te stompen en/of te slaan en/of

- (krachtig) de arm(en), althans het lichaam, van die [slachtoffer] vast te pakken en/of

- de kin, althans het hoofd, van die [slachtoffer] (hardhandig) vast te pakken en/of (vervolgens) (met zijn, verdachtes duimen) de keel van die [slachtoffer] dicht te drukken en/of dichtgedrukt te houden, althans in de keel/hals van die [slachtoffer] te drukken en/of te duwen en/of (daarbij) het hoofd van die [slachtoffer] (hardhandig) achterover te duwen en/of (terwijl hij de keel keel/hals van die [slachtoffer] vast had) die [slachtoffer] op te tillen (waardoor die [slachtoffer] weinig of geen lucht kreeg),

waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

3.

hij op of omstreeks 02 april 2006 te Zwijndrecht opzettelijk en wederrechtelijk meerdere, althans één, mobiele telefoon(s), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt door die telefoon(s) tegen een muur te gooien.

Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Voor zover in de bewezen verklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4.3 De bewijsmiddelen

De rechtbank grondt haar overtuiging dat verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

De rechtbank bezigt ieder bewijsmiddel, ook in onderdelen, telkens slechts voor het bewijs van het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

De rechtbank bezigt de inhoud van de geschriften als bedoeld in artikel 344, lid 1 sub 5° van het Wetboek van Strafvordering alleen in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis met de bewijsmiddelen vereist, dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, in een aan dit vonnis gehechte bijlage worden opgenomen.

5. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

Het bewezen verklaarde levert op:

1. subsidiair en 2., telkens: MISHANDELING.

3. OPZETTELIJK EN WEDERRECHTELIJK ENIG GOED DAT GEHEEL OF TEN DELE AAN EEN ANDER TOEBEHOORT BESCHADIGEN.

6. De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7. De redenen die de straf hebben bepaald of tot de maatregel hebben geleid

7.1 Strafmotivering

De rechtbank heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft in korte tijd zijn ex-vriendin - het slachtoffer - tweemaal mishandeld en heeft bij gelegenheid haar mobiele telefoon beschadigd. Verdachte en het slachtoffer hebben samen een dochtertje. Uit het strafdossier valt op te maken dat de onenigheid tussen verdachte en het slachtoffer zich telkens toespitst rondom hun kind, hetzij omdat verdachte (op toch wat ongebruikelijk tijdstippen) zijn kind wil zien, hetzij doordat verdachte thans kennelijk moeite heeft met de wijze waarop zijn ex-partner tegenwoordig haar leven (en dat van hun dochtertje) inricht.

De feiten op zich en de omstandigheden waaronder zij zijn gepleegd, hebben een grote impact gehad op het slachtoffer. Tevens hebben zij een grote inbreuk gemaakt op haar persoonlijke integriteit. Ook in de samenleving in het algemeen veroorzaken dit soort feiten gevoelens van angst en onveiligheid. Het tweede bewezen verklaarde feit vond grotendeels plaats op de openbare weg en het noodzakelijke politie-ingrijpen met betrekking tot het eerste feit geschiedde (op klaarlichte dag ) in en rond de flatwoning van het slachtoffer, hetgeen een behoorlijke impact moet hebben gehad op de overige flatbewoners.

De ernst van de feiten tezamen genomen brengt mee dat niet anders dan een vrijheidsbenemende straf kan worden opgelegd. Bij de bepaling van de duur van de op te leggen vrijheidsbenemende straf houdt de rechtbank rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals deze ter terechtzitting zijn gebleken. De rechtbank houdt daarbij tevens rekening met het feit dat verdachte eerder door de strafrechter is veroordeeld ter zake van geweldsdelicten.

8. De toepasselijke wettelijke voorschriften

De opgelegde straf is gegrond op de volgende wettelijke voorschriften:

de artikelen 57, 300 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

9. De beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen wat aan de verdachte onder 1. primair ten laste is gelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, zoals vermeld onder 4.2 van dit vonnis;

verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart dat het bewezen verklaarde de onder 5. vermelde strafbare feiten oplevert;

verklaart de verdachte hiervoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte wegens deze feiten tot:

een GEVANGENISSTRAF voor de duur van VIER (4) MAANDEN;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

HEFT OP het (geschorste) bevel tot inbewaringstelling.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. drs. T.F. van der Lugt, voorzitter,

mr. F.L.J.M. Heijnen en mr. W.P.M. Jurgens, rechters,

in tegenwoordigheid van A. Gaal,griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 28 september 2006.