Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2006:AZ0042

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
02-10-2006
Datum publicatie
12-10-2006
Zaaknummer
11/510253-05
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft een 44-jarige man veroordeeld tot een gevangenisstraf van twaalf maanden voor het voorbereiden van een overval op een GWK-Kantoor aan de Beijerlandselaan te Rotterdam in de tweede helft van 2005. In het vonnis besteedt de rechtbank aandacht aan de vraag of de auto's en telefoons waarvan de verdachte en zijn mededaders gebruik maakten "kennelijk bestemd" waren voor het voorbereiden van de overval als bedoeld in artikel 46 van het Wetboek van Strafrecht.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 46
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NS 2006, 437
NBSTRAF 2006/437
NJFS 2006, 318

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

MEERVOUDIGE STRAFKAMER

Tegenspraak

Parketnummer: 11/510253-05

Zittingsdata : 17 januari 2006, 30 maart 2006, 22 juni 2006, 18 september 2006 en 19 september 2006

Uitspraak : 2 oktober 2006

VERKORT STRAFVONNIS

De rechtbank Dordrecht heeft op grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting vonnis gewezen in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren in 1962,

wonende te [adres en woonplaats],

thans gedetineerd in de P.I. Rijnmond, locatie Noordsingel, te Rotterdam.

De rechtbank heeft de processtukken gezien en kennis genomen van de

vordering van de officier van justitie en van hetgeen de verdediging naar voren

heeft gebracht.

1. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd wat in de dagvaarding van 4 januari 2006, aangevuld met de nadere omschrijving ex artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering van 19 september 2006, is omschreven.

De rechtbank heeft de vordering nadere omschrijving ex artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering toegelaten, behoudens de feiten 2 en 3.

Kopieën van de dagvaarding en genoemde vordering nadere omschrijving zijn als bijlage 1 en 1A aan dit vonnis gehecht en maken hiervan deel uit.

1.

hij in of omstreeks de periode van 18 augustus 2005 tot en met 12 oktober 2005

te Rotterdam en/of Roosendaal, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

ter voorbereiding van een misdrijf, waarop naar de wettelijke omschrijving

een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten diefstal met

geweld in vereniging hetgeen het misdrijf van artikel 312 lid 1 en lid 2 onder

2 van het Wetboek van Strafrecht en/of afpersing in vereniging hetgeen het

misdrijf van artikel 317 lid 1 en lid 3 van het Wetboek van Strafrecht

oplevert,

opzettelijk

- een of meerdere gestolen (personen)auto('s) (te weten een Toyota Paseo,

kenteken: [kenteken] en/of een BMW, kenteken: [kenteken]) en/of

- een of meerdere GSM('s)kennelijk bestemd tot het begaan van dat misdrijf, heeft verworven en/of vervaardigd en/of ingevoerd en/of doorgevoerd en/of uitgevoerd en/of voorhanden heeft gehad,hebbende hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) toen aldaar (onder meer)

- met die GSM('s) afspraken met een of meerdere van zijn mededader(s) en/of

met elkaar gemaakt in de buurt van en/of in de omgeving van het

Grenswisselkantoor, gevestigd aan de Beijerlandselaan te Rotterdam en/of

zich in de nabijheid daarvan bevindende andere geldinstellingen en/of

- met en/of vanuit (een) voertuig(en) (een) observatie(s) gedaan/uitgevoerd op

het Grenswisselkantoor, gevestigd aan de Beijerlandselaan te Rotterdam

en/of zich in de nabijheid daarvan bevindende andere geldinstellingen en/of

- met en/of vanuit (een) (rijdend(e)) voertuig(en) en/of lopend, personeel van

het Grenswisselkantoor, gevestigd aan de Beijerlandselaan te Rotterdam

gevolgd en/of geobserveerd te Rotterdam en/of Roosendaal;

2.

hij op of omstreeks 23 juni 2005 te Spijkenisse tezamen en in vereniging met

een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke

toeëigening heeft weggenomen een geldbedrag en/of (een) autosleutel(s) en/of

een (Macro)pasje en/of een rijbewijs (t.n.v. [slachtoffer 1]), in elk

geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1], in

elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des

misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder

zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of

inklimming

en/of

hij op of omstreeks 23 juni 2005 te Spijkenisse tezamen en in vereniging met

een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke

toeëigening heeft weggenomen een auto (merk/type: Mercedes 639 Vito 109 Cd;

chassisnummer: [nummer]) in elk geval enig goed, geheel of ten dele

toebehorende aan [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen

dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn

mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben

verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik

heeft/hebben gebracht door middel van een valse sleutel, te weten een niet

voor zijn, verdachte, en/of zijn mededader(s), gebruik bestemde sleutel;

SUBSIDIAIR: voorzover het vorenstaande onder 2 niet tot een veroordeling mocht

of zou kunnen leiden:

hij in of omstreeks de periode van 23 juni 2005 tot en met 14 oktober 2005 te

Dordrecht en/of Tilburg, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging

met een ander of anderen, althans alleen, een auto (merk/type: Mercedes 639

Vito 109 Cd; chassisnummer: [nummer]) heeft verworven, voorhanden

heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten

tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die auto wist(en),

althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat het een door misdrijf

verkregen goed betrof;

3.

hij op of omstreeks 04 juli 2005 te Zoetermeer tezamen en in vereniging met

een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke

toe-eigening heeft weggenomen meerdere, althans één, kentekenpla(a)t(en)

(kenteken: [nummer]), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende

aan [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte

en/of zijn mededader(s);

SUBSIDIAIR: voorzover het vorenstaande onder 3 niet tot een veroordeling mocht

of zou kunnen leiden:

hij in of omstreeks de periode van 04 juli 2005 tot en met 14 oktober 2005 te

Dordrecht en/of Tilburg, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging

met een ander of anderen, althans alleen, meerdere, althans één,

kentekenpla(a)t(en) (kenteken: [kenteken]) heeft verworven, voorhanden heeft

gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde

van het verwerven of het voorhanden krijgen van die kentekenpla(a)t(en)

wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat het (een) door

misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

2. De voorvragen

2.1 De geldigheid van de dagvaarding

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

2.2 De bevoegdheid van de rechtbank

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen.

2.3 De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen feiten en/of omstandigheden gebleken, die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan.

2.4 De schorsing van de vervolging

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing van de vervolging gebleken.

3. Het onderzoek ter terechtzitting

3.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft -het ten laste gelegde bewezen achtend- een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden gevorderd.

3.2 De verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit.

4. De bewijsbeslissingen

4.1 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte

1.

in de periode van 18 augustus 2005 tot en met 12 oktober 2005

te Rotterdam tezamen en in vereniging met anderen, ter voorbereiding van een misdrijf, waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten diefstal met geweld in vereniging hetgeen het misdrijf van artikel 312 lid 1 en lid 2 onder 2 van het Wetboek van Strafrecht en/of afpersing in vereniging hetgeen het

misdrijf van artikel 317 lid 1 en lid 3 van het Wetboek van Strafrecht

oplevert, opzettelijk

- meerdere (personen)auto's (te weten een Toyota Paseo,

kenteken: [kenteken] en een BMW, kenteken: [kenteken]) en

- meerdere GSM's

kennelijk bestemd tot het begaan van dat misdrijf, voorhanden heeft gehad,

hebbende hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) toen aldaar (onder meer)

- met die GSM's afspraken met een of meerdere van zijn mededader(s)

met elkaar gemaakt in de buurt van en/of in de omgeving van het

Grenswisselkantoor, gevestigd aan de Beijerlandselaan te Rotterdam en

- met en/of vanuit (een) voertuig(en) (een) observatie(s) gedaan/uitgevoerd op

het Grenswisselkantoor, gevestigd aan de Beijerlandselaan te Rotterdam en

- met en/of vanuit (een) (rijdend(e)) voertuig(en) en/of lopend, personeel van

het Grenswisselkantoor, gevestigd aan de Beijerlandselaan te Rotterdam

gevolgd en/of geobserveerd te Rotterdam.

Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Voor zover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4.2 De bewijsmiddelen

De rechtbank grondt haar overtuiging dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis met de bewijsmiddelen vereist, dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, in een aan dit vonnis gehechte bijlage worden opgenomen.

4.3 Nadere bewijsoverweging

De raadsman heeft betoogd dat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de voorwerpen (mobiele telefoons) en vervoermiddelen (auto's) die verdachte en zijn medeverdachten voorhanden hebben gehad, "kennelijk bestemd" waren voor het plegen van een bankoverval. Daarnaast is door de verdediging aangevoerd dat er onvoldoende bewijs is voor de betrokkenheid van verdachte bij de voorbereiding van een bankoverval. Verdachte heeft in dit verband ter zitting aangegeven dat hij in de betreffende periode weliswaar op de Beijerlandselaan te Rotterdam is geweest, maar dat hij daar niet was voor het GWK-kantoor, maar voor een persoon die zich ophield in een nabijgelegen café.

Op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting gaat de rechtbank uit van het volgende.

Uit peilbakengegevens, observaties en tapgesprekken is gebleken dat verdachte en/of zijn medeverdachten zich in de periode 18 augustus 2005 tot en met 12 oktober 2005 veelvuldig ophielden op of in de buurt van het GWK-kantoor aan de Beijerlandselaan te Rotterdam. Door het observatieteam is geconstateerd dat verdachte en/of zijn medeverdachten dit kantoor rond sluitingstijd vanuit dan wel vlakbij de auto in de gaten hielden en dat zij na sluiting medewerkers van het kantoor naar het station zijn gevolgd. Tijdens, voor dan wel na deze handelingen onderhielden verdachte en de medeverdachten contact met elkaar via mobiele telefoons.

De rol van verdachte was dat hij in een auto heeft gezeten die veelvuldig bij het kantoor werd gesignaleerd, dat hij het kantoor zelf heeft geobserveerd, dat hij een medewerker van het kantoor naar het station is gevolgd en dat hij met medeverdachten gedurende, voor dan wel na afloop van deze handelingen belde via zijn mobiele telefoon.

Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de door verdachte en zijn medeverdachten gebruikte auto's en de mobiele telefoons "kennelijk bestemd" waren voor het begaan van een bankoverval en dat verdachte daarbij in die mate is betrokken geweest dat kan worden gesproken van medeplegen van de voorbereiding van een bankoverval (vergelijk HR 18 november 2003, NS 2003, 423, LJN AJ0535).

De rechtbank laat de verklaring van verdachte dat zijn belangstelling niet uitging naar het GWK-kantoor maar naar een nabijgelegen café bij dit oordeel buiten beschouwing, nu de rechtbank die verklaring gelet op de inhoud van het dossier en het feit dat verdachte ter zitting niet heeft kunnen aangeven om welk café het precies ging, niet geloofwaardig acht.

De rechtbank verwerpt daarom de gevoerde bewijsverweren.

5. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

Het bewezenverklaarde levert op:

1.

MEDEPLEGEN VAN VOORBEREIDING VAN DIEFSTAL, VOORAFGEGAAN, VERGEZELD OF GEVOLGD VAN GEWELD OF BEDREIGING MET GEWELD TEGEN PERSONEN, GEPLEEGD MET HET OOGMERK OM DIE DIEFSTAL VOOR TE BEREIDEN EN GEMAKKELIJK TE MAKEN, OF OM, BIJ BETRAPPING OP HETERDAAD, AAN ZICHZELF OF ANDERE DEELNEMERS AAN HET MISDRIJF HETZIJ DE VLUCHT MOGELIJK TE MAKEN, HETZIJ HET BEZIT VAN HET GESTOLENE TE VERZEKEREN, TERWIJL HET FEIT WORDT GEPLEEGD DOOR TWEE OF MEER VERENIGDE PERSONEN EN/OF AFPERSING, TERWIJL HET FEIT WORDT GEPLEEGD DOOR TWEE OF MEER VERENIGDE PERSONEN.

6. De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7. De redenen, die de straf hebben bepaald of tot de maatregel hebben geleid

7.1 Strafmotivering

De rechtbank heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich, samen met anderen, schuldig gemaakt aan het voorbereiden van een overval op een geldinstelling (GWK). De rol van verdachte was dat hij in een auto heeft gezeten die veelvuldig bij het kantoor werd gesignaleerd, dat hij het kantoor zelf heeft geobserveerd, dat hij een medewerker van het kantoor naar het station is gevolgd en dat hij met medeverdachten gedurende, voor dan wel na afloop van deze handelingen belde via zijn mobiele telefoon.

Een strafbaar feit als verdachte en zijn medeverdachten voor ogen stond veroorzaakt in het algemeen gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving. Voorbereiding van een dergelijk ernstig feit is met name uit oogpunt van algemene en speciale preventie, aanleiding voor een aanmerkelijke strafrechtelijk reactie.

De rechtbank heeft acht geslagen op een op naam van verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 10 november 2005. Hieruit blijkt dat verdachte reeds eerder is veroordeeld tot gevangenisstraffen wegens onder meer gewelds- en vermogensdelicten. De rechtbank rekent het verdachte aan dat deze eerdere veroordelingen hem er niet van hebben weerhouden het onderhavige feit te plegen.

De rechtbank houdt bij het bepalen van de strafmaat rekening met het feit dat de rol van verdachte een wat mindere grote lijkt te zijn dan die van zijn medeverdachten.

Tevens houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid dat de bewezen voorbereidingshandelingen zich beperkt hebben tot handelingen aangaande observaties van een pand en medewerkers van de geldinstelling. Dat de voorbereiding van de overval reeds in een vergevorderd stadium was kan daaruit niet worden afgeleid.

Op grond van het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te melden duur dient te worden opgelegd.

8. De toepasselijke wettelijke voorschriften

De opgelegde straf is gegrond op de volgende wettelijke voorschriften:

artikelen 46, 47, 310, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.

9. De beslissing

De rechtbank

verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals vermeld onder 4.1 van dit vonnis;

verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart dat het bewezenverklaarde het onder 5. vermelde strafbare feit oplevert;

verklaart de verdachte hiervoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte wegens dit feit tot:

een GEVANGENISSTRAF voor de duur van TWAALF MAANDEN;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. dr. M.J.A. Plaisier, voorzitter,

mr. drs. F.J.P Lock en mr. dr. C.J. van der Wilt, rechters,

in tegenwoordigheid van R. van Andel, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 2 oktober 2006.