Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2006:AZ0038

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
02-10-2006
Datum publicatie
12-10-2006
Zaaknummer
11/510161-05
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft een 26-jarige man veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf jaar en zes maanden voor onder meer het plegen van een overval op een postkantoor aan de Van Hogenhoucklaan te Den Haag op 14 oktober van het vorig jaar en voor het voorbereiden van een overval op een GWK-Kantoor aan de Beijerlandselaan te Rotterdam in de tweede helft van 2005. Ook medeverdachten hebben gevangenisstraffen gekregen. In het vonnis besteedt de rechtbank aandacht aan de vraag of de auto's en telefoons waarvan de verdachte en zijn mededaders gebruik maakten "kennelijk bestemd" waren voor het voorbereiden van de overval als bedoeld in artikel 46 van het Wetboek van Strafrecht.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 46
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NS 2006, 436
NBSTRAF 2006/436

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

MEERVOUDIGE STRAFKAMER

Tegenspraak

Parketnummer: 11/510161-05

Zittingsdata : 17 januari 2006, 30 maart 2006, 22 juni 2006 en 18 september 2006

Uitspraak : 2 oktober 2006

VERKORT STRAFVONNIS

De rechtbank Dordrecht heeft op grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting vonnis gewezen in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren in 1980,

wonende te [adres en woonplaats],

thans gedetineerd in de P.I. Zuid-West, locatie Dordtse Poorten, te Dordrecht.

De rechtbank heeft de processtukken gezien en kennis genomen van de

vordering van de officier van justitie en van hetgeen de verdediging naar voren

heeft gebracht.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vorderingen van de benadeelde partijen.

1. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd wat in de dagvaarding van 4 januari 2006, aangevuld met de nadere omschrijving ex artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering van 19 september 2006, is omschreven.

De rechtbank heeft de vordering nadere omschrijving ex artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering toegelaten, behoudens feit 6.

Kopieën van de dagvaarding en genoemde nadere vordering omschrijving zijn als bijlage 1 en 1A aan dit vonnis gehecht en maken hiervan deel uit.

1.

hij op of omstreeks 14 oktober 2005 te 's-Gravenhage

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

A)

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een

geldbedrag (Euro 233.685), in elk geval enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan Postkantoren B.V., in elk geval aan een

ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld

en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], gepleegd

met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken

en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s)

hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te

verzekeren,

en/of

B)

met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen

door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2]

heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag (Euro 233.685), in elk geval

van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Postkantoren B.V., in elk

geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij,

verdachte, en/of zijn, verdachtes mededader(s) met voornoemd oogmerk -

zakelijk weergegeven -

- die [slachtoffer 1] bij haar arm heeft/hebben vastgepakt en/of tegen die

[slachtoffer 1] heeft/hebben gezegd: "meekomen, meekomen" en/of

- een pistool en/of een revolver aan die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] heeft/hebben getoond en/of

- op een dreigende toon tegen die [slachtoffer 1] heeft/hebben gezegd dat zij geen fouten mocht maken, omdat zij anders een kogel door haar hoofd zou krijgen,

althans woorden van soortgelijke dreigende aard en/of strekking en/of

- die [slachtoffer 2] bij zijn nek heeft/hebben vastgepakt en/of op de grond

heeft/hebben gegooid en/of

- een revolver en/of een pistool tegen de nek en/of de rug, althans tegen het

lichaam, van die [slachtoffer 2] heeft/hebben geduwd en/of geduwd gehouden en/of

- tegen die [slachtoffer 2] heeft/hebben gezegd: "Ga liggen, hoofd voorover, niet kijken, niet praten, anders schiet ik je dood.", althans woorden van

soortgelijke dreigende aard en/of strekking en/of

- op een dreigende toon tegen die [slachtoffer 2] heeft/hebben gezegd: "We richten een bloedbad aan en als je een fout maakt slaan we een gat in die grijze kop van

je.", althans woorden van soortgelijke dreigende aard en/of strekking en/of

- tegen die [slachtoffer 2] heeft/hebben gezegd: "Jij wil geintjes uithalen, als je geintjes uithaalt schiet ik je door je kop heen.", althans woorden van

soortgelijke dreigende aard en/of strekking en/of

- tegen die [slachtoffer 2] heeft/hebben gezegd: "Je moet het rustig doen, geen gekke dingen doen, in een keer goed, anders sla ik een gat in je hersens.",

althans woorden van soortgelijke dreigende aard en/of strekking en/of

- de handen van die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] met tie-wraps op

hun/haar/zijn rug heeft/hebben vastgebonden en/of

- met kracht aan de benen van die [slachtoffer 2] heeft/hebben gerukt en/of getrokken;

2.

hij in of omstreeks de periode van 18 augustus 2005 tot en met 12 oktober 2005

te Rotterdam en/of Roosendaal, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

ter voorbereiding van een misdrijf, waarop naar de wettelijke omschrijving

een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten diefstal met

geweld in vereniging hetgeen het misdrijf van artikel 312 lid 1 en lid 2 onder

2 van het Wetboek van Strafrecht en/of afpersing in vereniging hetgeen het

misdrijf van artikel 317 lid 1 en lid 3 van het Wetboek van Strafrecht

oplevert, opzettelijk

- een of meerdere gestolen (personen)auto('s) (te weten een Toyota Paseo,

kenteken: [kenteken] en/of een BMW, kenteken: [kenteken]) en/of

- een of meerdere GSM('s)

kennelijk bestemd tot het begaan van dat misdrijf, heeft verworven en/of

vervaardigd en/of ingevoerd en/of doorgevoerd en/of uitgevoerd en/of

voorhanden heeft gehad,

hebbende hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) toen aldaar (onder meer)

- met die GSM('s) afspraken met een of meerdere van zijn mededader(s) en/of

met elkaar gemaakt in de buurt van en/of in de omgeving van het

Grenswisselkantoor, gevestigd aan de Beijerlandselaan te Rotterdam en/of

zich in de nabijheid daarvan bevindende andere geldinstellingen en/of

- met en/of vanuit (een) voertuig(en) (een) observatie(s) gedaan/uitgevoerd op

het Grenswisselkantoor, gevestigd aan de Beijerlandselaan te Rotterdam

en/of zich in de nabijheid daarvan bevindende andere geldinstellingen en/of

- met en/of vanuit (een) (rijdend(e)) voertuig(en) en/of lopend, personeel van

het Grenswisselkantoor, gevestigd aan de Beijerlandselaan te Rotterdam

gevolgd en/of geobserveerd te Rotterdam en/of Roosendaal;

3.

hij in of omstreeks de periode van 23 juni 2005 tot en met 14 oktober 2005 te

Dordrecht en/of Tilburg, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging

met een ander of anderen, althans alleen, een auto (merk/type: Mercedes 639

Vito 109 Cd; chassisnummer: [nummer]) heeft verworven, voorhanden

heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten

tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die auto wist(en),

althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat het een door misdrijf

verkregen goed betrof;

4.

hij in of omstreeks de periode van 04 juli 2005 tot en met 14 oktober 2005 te

Dordrecht en/of Tilburg, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging

met een ander of anderen, althans alleen, meerdere, althans één,

kentekenpla(a)t(en) (kenteken: [kenteken]) heeft verworven, voorhanden heeft

gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde

van het verwerven of het voorhanden krijgen van die kentekenpla(a)t(en)

wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat het (een) door

misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

5.

hij op of omstreeks 12 oktober 2005 te Rijswijk tezamen en in vereniging met

een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke

toeëigening heeft weggenomen een auto (merk/type: Ford Escort; kenteken

[kenteken), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3],

in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of

zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang

tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen

goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak,

verbreking en/of inklimming;

6.

hij op of omstreeks 08 september 2005 te Rotterdam tezamen en in vereniging met

een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke

toe-eigening heeft weggenomen een auto (merk/type: Audi A4 Cabrio; chassis-

nummer: [nummer]), in elk geval enig goed, geheel of ten dele

toebehorende aan [slachtoffer 4], in elk geval aan een ander of anderen dan aan

verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s)

zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of

de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht

door middel van een valse sleutel, te weten een niet voor zijn, verdachtes

en/of zijn mededader(s) bestemde (auto)sleutel;

SUBSIDIAIR: voorzover het vorenstaande onder 6 niet tot een veroordeling mocht

of zou kunnen leiden:

hij in of omstreeks de periode van 8 september 2005 tot en met 14 oktober 2005

te Rotterdam en/of Schiedam, in elk geval in Nederland, tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een auto (merk/type: Audi

A4 Cabrio; chassis- nummer: [nummer]) heeft verworven, voorhanden

heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten

tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die auto wist(en) dat

het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

2. De voorvragen

2.1 De geldigheid van de dagvaarding

De raadsman heeft betoogd dat de dagvaarding partieel nietig zou moeten worden verklaard omdat de onder 2. in de tenlastelegging opgenomen zinsnede "zich in de nabijheid daarvan bevindende andere geldinstellingen" onvoldoende concreet en onvoldoende feitelijk zou zijn.

Artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering strekt ertoe dat de opgave van het tenlastegelegde feit zo duidelijk is dat de verdachte zich naar behoren kan verdedigen terwijl bovendien voor de rechter duidelijk moet zijn wat het object van diens onderzoek is. In het licht van dit criterium is de tenlastelegging voldoende duidelijk en feitelijk omschreven. Zowel uit het onderzoek door de politie als uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat het ook de verdachte duidelijk is voor welke handelingen hij zich diende te verantwoorden. Derhalve is aan de strekking van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering voldaan. Dat uit het onderzoek niet kan worden afgeleid dat de voorbereidingshandelingen die verdachte zijn tenlastegelegd (mede) betrekking hebben op een overval op andere geldinstellingen in de nabijheid van de Beijerlandselaan te Rotterdam dan het GWK aldaar, doet daaraan niet af; dat is immers niet een kwestie van nietigheid van de dagvaarding maar een kwestie van bewijs. Het verweer wordt daarom verworpen.

Nu bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding ook voor het overige aan alle wettelijke eisen voldoet, is deze dus geldig.

2.2 De bevoegdheid van de rechtbank

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen.

2.3 De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen feiten en/of omstandigheden gebleken, die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan.

2.4 De schorsing van de vervolging

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing van de vervolging gebleken.

3. Het onderzoek ter terechtzitting

3.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft -het ten laste gelegde onder 1, 2, 3 subsidiair, 4 subsidiair en 5 bewezen achtend- een gevangenisstraf voor de duur van 7 jaren gevorderd.

3.2 De verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit en een strafmaatverweer gevoerd.

3.3 De vordering van de benadeelde partij

Als benadeelde partij hebben zich schriftelijk in het geding gevoegd:

* [slachtoffer 1]

Zij vordert verdachte te veroordelen aan haar te betalen een bedrag van EUR 1.750,= , ter zake van immateriële schadevergoeding.

* [slachtoffer5]

Hij vordert verdachte te veroordelen aan hem te betalen een bedrag van EUR 173,67, ter zake van materiële schadevergoeding.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vorderingen.

Door of namens de verdachte is de aansprakelijkheid en de hoogte van de schade betwist.

4. De bewijsbeslissingen

4.1 De vrijspraak

Naar het oordeel van de rechtbank is niet bewezen wat aan de verdachte onder feit 3 en 4 ten laste is gelegd.

De rechtbank overweegt dienaangaande het volgende.

feit 3 primair

Uit de inhoud van de wettige bewijsmiddelen is niet komen vast te staan dat de verdachte als pleger of als medepleger betrokken is geweest bij de in het genoemde feit omschreven diefstal.

feit 3 subsidiair

Ten aanzien van de subsidiair tenlastegelegde heling overweegt de rechtbank dat er geen bewijsmiddel voorhanden is waar uit blijkt dat de Mercedes Vito waar onder meer verdachte over beschikte, hetzelfde chassisnummer had als de gestolen Mercedes Vito ([chassisnummer]), zodat niet vast te stellen is of de gestolen auto dezelfde auto is als waarin verdachte is aangetroffen.

feit 4 primair

Uit de inhoud van de wettige bewijsmiddelen is niet komen vast te staan dat de verdachte als pleger of als medepleger betrokken is geweest bij de in het genoemde feit omschreven diefstal.

feit 4 subsidiair

Uit de inhoud van de wettige bewijsmiddelen is niet komen vast te staan dat de verdachte als pleger of als medepleger betrokken is geweest bij de in het genoemde feit omschreven heling. Uit de bewijsmiddelen volgt niet dat verdachte wist dat de kentekenplaten door misdrijf verkregen goederen betroffen. Op verdachte rust voorts geen onderzoeksplicht nu hij slechts als bijrijder in de Mercedes Vito is opgetreden.

De verdachte zal daarom worden vrijgesproken van die feiten.

De raadsman heeft verzocht om de in het proces-verbaal gerelateerde anonieme CIE-informatie op voet van artikel 344, derde lid van het Wetboek van Strafvordering uit te sluiten voor het bewijs.

Wat er verder ook zij van de gebrekkige onderbouwing van dit verweer, de rechtbank zal deze CIE-informatie niet als bewijsmiddel gebruiken.

4.2 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte

1.

op 14 oktober 2005 te 's-Gravenhage

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een geldbedrag toebehorende aan Postkantoren B.V., welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken

en

met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen

door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]

heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag toebehorende aan Postkantoren B.V., welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat hij,

verdachte, en/of zijn, verdachtes mededader(s) met voornoemd oogmerk -

zakelijk weergegeven -

- die [slachtoffer 1] bij haar arm heeft/hebben vastgepakt en tegen die

[slachtoffer 1] heeft/hebben gezegd: "meekomen, meekomen" en

- een pistool en/of een revolver aan die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] heeft/hebben getoond en

- op een dreigende toon tegen die [slachtoffer 1] heeft/hebben gezegd dat zij geen fouten mocht maken, omdat zij anders een kogel door haar hoofd zou krijgen,

althans woorden van soortgelijke dreigende aard en/of strekking en

- die [slachtoffer 2] bij zijn nek heeft/hebben vastgepakt en op de grond

heeft/hebben gegooid en

- een revolver en/of een pistool tegen de nek van die [slachtoffer 2] heeft/hebben geduwd en/of geduwd gehouden en

- tegen die [slachtoffer 2] heeft/hebben gezegd: "Ga liggen, hoofd voorover, niet kijken, niet praten, anders schiet ik je dood.", althans woorden van

soortgelijke dreigende aard en/of strekking en

- op een dreigende toon tegen die [slachtoffer 2] heeft/hebben gezegd: "We richten een bloedbad aan en als je een fout maakt slaan we een gat in die grijze kop van je.", althans woorden van soortgelijke dreigende aard en/of strekking en

- tegen die [slachtoffer 2] heeft/hebben gezegd: "Jij wil geintjes uithalen, als je geintjes uithaalt schiet ik je door je kop heen.", althans woorden van

soortgelijke dreigende aard en/of strekking en

- tegen die [slachtoffer 2] heeft/hebben gezegd: "Je moet het rustig doen, geen gekke dingen doen, in een keer goed, anders sla ik een gat in je hersens.",

althans woorden van soortgelijke dreigende aard en/of strekking en

- de handen van die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] met tie-wraps op

hun rug heeft/hebben vastgebonden en

- met kracht aan de benen van die [slachtoffer 2] heeft/hebben gerukt en/of getrokken;

2.

in de periode van 18 augustus 2005 tot en met 12 oktober 2005

te Rotterdam, tezamen en in vereniging met anderen, ter voorbereiding van een misdrijf, waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten diefstal met geweld in vereniging hetgeen het misdrijf van artikel 312 lid 1 en lid 2 onder 2 van het Wetboek van Strafrecht en/of afpersing in vereniging hetgeen het

misdrijf van artikel 317 lid 1 en lid 3 van het Wetboek van Strafrecht

oplevert, opzettelijk

- meerdere (personen)auto's (te weten een Toyota Paseo,

kenteken: [kenteken] en een BMW, kenteken: [kenteken]) en

- meerdere GSM's

kennelijk bestemd tot het begaan van dat misdrijf,

voorhanden heeft gehad,

hebbende hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) toen aldaar (onder meer)

- met die GSM's afspraken met een of meerdere van zijn mededader(s)

met elkaar gemaakt in de buurt van en/of in de omgeving van het

Grenswisselkantoor, gevestigd aan de Beijerlandselaan te Rotterdam en

- met en/of vanuit (een) voertuig(en) (een) observatie(s) gedaan/uitgevoerd op

het Grenswisselkantoor, gevestigd aan de Beijerlandselaan te Rotterdam en

- met en/of vanuit (een) (rijdend(e)) voertuig(en) en/of lopend, personeel van

het Grenswisselkantoor, gevestigd aan de Beijerlandselaan te Rotterdam

gevolgd en/of geobserveerd te Rotterdam;

5.

op 12 oktober 2005 te Rijswijk met het oogmerk van wederrechtelijke

toeëigening heeft weggenomen een auto (merk/type: Ford Escort; kenteken

[kenteken]), toebehorende aan [slachtoffer 3], waarbij verdachte het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak.

Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Voor zover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4.3 De bewijsmiddelen

De rechtbank grondt haar overtuiging dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

De rechtbank bezigt ieder bewijsmiddel, ook in onderdelen, telkens slechts voor het bewijs van het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

De rechtbank bezigt de inhoud van de geschriften als bedoeld in artikel 344, lid 1 sub 5° van het Wetboek van Strafvordering alleen in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis met de bewijsmiddelen vereist, dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, in een aan dit vonnis gehechte bijlage worden opgenomen.

4.4 Nadere bewijsoverwegingen

De raadsman heeft de volgende bewijsverweren gevoerd.

a) (feit 1)

De raadsman heeft de herkenning van de schoenen van verdachte door een slachtoffer van de overval betwist, nu de politie heeft volstaan met het tonen van één paar schoenen, terwijl er meerdere schoenen getoond hadden moeten worden.

b) (feit 1)

De raadsman heeft gesteld dat, ondanks dat zijn cliënt heeft toegegeven dat hij bij de voorbereidingen van dit feit actief is geweest, zijn cliënt niet als medepleger van de overval kan worden aangemerkt, omdat zijn verklaring dat hij tijdens de overval in de auto is blijven zitten plausibel is.

c) (feit 2)

De raadsman heeft gesteld dat uit de bewijsmiddelen niet kan volgen dat zijn cliënt zich schuldig heeft gemaakt aan strafbare voorbereidingshandelingen in de zin van artikel 46 van het Wetboek van Strafrecht. Uit de in de tenlastelegging opgesomde voorwerpen is bovendien niet gebleken dat zij "kennelijk bestemd" waren voor een overval op een grenswisselkantoor.

De rechtbank overweegt met betrekking tot voornoemde verweren het navolgende.

a)

De rechtbank stelt voorop dat het de voorkeur had verdiend wanneer het slachtoffer zou zijn geconfronteerd met meerdere schoenparen. Desondanks acht de rechtbank de confrontatie toch bruikbaar voor het bewijs, nu het slachtoffer reeds een aantal weken voor de confrontatie een schets heeft gemaakt van de schoenen van één van de overvallers die overeen kwam met de schoenen van één van de overvallers zoals die haar later door de politie zijn getoond. Derhalve vindt de uitkomst van de confrontatie steun in ander bewijsmateriaal. Voorts merkt de rechtbank op dat blijkens het proces-verbaal van de confrontatie, het slachtoffer de schoenen direct en zonder enige aarzeling heeft herkend als zijnde van één van de overvallers.

b)

De rechtbank acht de verklaring van verdachte dat hij gedurende de overval is achtergebleven in de auto niet plausibel op grond van het navolgende.

Allereerst zijn de schoenen van verdachte door een slachtoffer van de overval herkend als de schoenen van één van de bankovervallers. Voorts is verdachte op de avond voor de overval door een observatieteam samen met de medeverdachte -met wie verdachte kort na de overval in de vluchtauto is aangehouden- gezien, lopend in de omgeving van het postkantoor. Dit terwijl verdachte zelf heeft verklaard die avond geheel alleen op pad te zijn gegaan om in te breken in het postkantoor.

Op grond van het bovenstaande komt de rechtbank tot het oordeel dat verdachte zich als medepleger schuldig heeft gemaakt aan de overval.

c)

Op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting gaat de rechtbank uit van het volgende.

Uit peilbakengegevens, observaties en tapgesprekken is gebleken dat verdachte en/of zijn medeverdachten zich in de periode 18 augustus 2005 tot en met 12 oktober 2005 veelvuldig ophielden op of in de buurt van het GWK-kantoor aan de Beijerlandselaan te Rotterdam. Door het observatieteam is geconstateerd dat verdachte en/of zijn medeverdachten dit kantoor met name rond sluitingstijd vanuit dan wel vlakbij de auto in de gaten hielden en dat zij na sluiting medewerkers van het kantoor naar het station zijn gevolgd. Tijdens, voor dan wel na deze handelingen onderhielden verdachte en de medeverdachten contact met elkaar via mobiele telefoons.

De rol van verdachte was dat hij auto's bestuurde die veelvuldig bij het kantoor werden gesignaleerd en dat hij met medeverdachten gedurende, voor dan wel na afloop van deze handelingen belde via zijn mobiele telefoon.

Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de door de verdachte en zijn medeverdachten gebruikte auto's en de mobiele telefoons "kennelijk bestemd" waren voor het begaan van een bankoverval en dat verdachte bij de genoemde handelingen in die mate is betrokken geweest dat kan worden gesproken van medeplegen van de voorbereiding van en bankoverval (vergelijk HR 18 november 2003, NS 2003, 423, LJNAJ0535).

5. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

Het bewezenverklaarde levert op:

1.

de voortgezette handeling van:

DIEFSTAL, VOORAFGEGAAN EN VERGEZELD EN GEVOLGD VAN GEWELD EN BEDREIGING MET GEWELD TEGEN PERSONEN, GEPLEEGD MET HET OOGMERK OM DIE DIEFSTAL VOOR TE BEREIDEN EN GEMAKKELIJK TE MAKEN, TERWIJL HET FEIT WORDT GEPLEEGD DOOR TWEE OF MEER VERENIGDE PERSONEN

EN

AFPERSING, TERWIJL HET FEIT WORDT GEPLEEGD DOOR TWEE OF MEER VERENIGDE PERSONEN.

2.

MEDEPLEGEN VAN VOORBEREIDING VAN DIEFSTAL, VOORAFGEGAAN, VERGEZELD OF GEVOLGD VAN GEWELD OF BEDREIGING MET GEWELD TEGEN PERSONEN, GEPLEEGD MET HET OOGMERK OM DIE DIEFSTAL VOOR TE BEREIDEN EN GEMAKKELIJK TE MAKEN, OF OM, BIJ BETRAPPING OP HETERDAAD, AAN ZICHZELF OF ANDERE DEELNEMERS AAN HET MISDRIJF HETZIJ DE VLUCHT MOGELIJK TE MAKEN, HETZIJ HET BEZIT VAN HET GESTOLENE TE VERZEKEREN, TERWIJL HET FEIT WORDT GEPLEEGD DOOR TWEE OF MEER VERENIGDE PERSONEN EN/OF AFPERSING, TERWIJL HET FEIT WORDT GEPLEEGD DOOR TWEE OF MEER VERENIGDE PERSONEN.

5.

DIEFSTAL, WAARBIJ DE SCHULDIGE HET WEG TE NEMEN GOED ONDER ZIJN BEREIK HEEFT GEBRACHT DOOR MIDDEL VAN BRAAK.

6. De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7. De redenen, die de straf hebben bepaald of tot de maatregel hebben geleid

7.1 Strafmotivering

De rechtbank heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder die zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich samen met (een) ander(en) schuldig gemaakt aan een overval op een postkantoor, aan de voorbereiding van een overval op een grenswisselkantoor en diefstal van een auto.

Bij de overval op het postkantoor te Den Haag hebben verdachte en zijn medeverdachte tijdens een lunchpauze een bankmedewerkster overrompeld en hebben zij een andere medewerker opgewacht en tegen de grond gegooid.

Verdachte en zijn medeverdachte hebben aan het personeel een (geladen) vuurwapen getoond en hun bevolen een kluis te openen waarbij zij zeer bedreigende taal hebben geuit.

Bovendien werden de polsen van het personeel met tie-rips aan elkaar vastgebonden.

Dit alles met als doel een groot geldbedrag weg te nemen.

Dergelijke feiten zijn zeer ernstig van aard en veroorzaken gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving in het algemeen en bij de slachtoffers in het bijzonder. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van dergelijke gebeurtenissen dit als zeer traumatisch ervaren en nog geruime tijd de psychisch nadelige gevolgen hiervan kunnen ondervinden. Verdachte heeft zich geen rekenschap gegeven van het leed dat door zijn handelen aan de slachtoffers wordt toegebracht.

Bekend is dat in ieder geval een van de slachtoffers nog steeds de nadelige gevolgen van deze overval ondervindt.

Verdachte en zijn medeverdachten hebben in wisselende samenstelling het GWK geobserveerd en hebben na sluitingstijd twee medewerksters van dat kantoor gevolgd.

Een strafbaar feit als verdachte en zijn medeverdachten voor ogen stond veroorzaakt in het algemeen gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving. Voorbereiding van een dergelijk ernstig feit is aanleiding voor een aanmerkelijke strafrechtelijk reactie.

Diefstal van een auto is een zeer ergerlijke feit, die naast schade veel hinder veroorzaken voor de gedupeerden. Verdachte heeft slechts oog gehad voor zijn eigen belang, met terzijdestelling van de belangen van de benadeelde.

Bij het bepalen van de strafmaat houdt de rechtbank rekening met het feit dat er sprake is van een grote mate van professionaliteit bij het uitvoeren van de overval te Den Haag. De rechtbank overweegt hiertoe dat de verdachten de overval zorgvuldig hebben voorbereid door zich onder meer te voorzien van bivakmutsen en vuurwapens, door het zorgvuldig uitgekozen tijdstip van de overval en doordat blijkens de verklaringen van de medewerkers de daders heel goed wisten wat ze moesten doen. De overvallers hebben zelfs opnameapparatuur uit het postkantoor meegenomen en zich voorzien van een politiescanner.

In strafmaat verhogende zin neemt de rechtbank mee dat de medewerkers bijna een uur in grote onzekerheid omtrent hun leven hebben moeten doorbrengen.

Tevens houdt de rechtbank rekening, met de omstandigheid dat de bewezen voorbereidingshandelingen zich beperkt hebben tot handelingen aangaande observaties van een pand en medewerkers van de geldinstelling. Dat de voorbereiding van de overval reeds in een vergevorderd stadium was kan daaruit niet worden afgeleid.

Voorts heeft de rechtbank acht geslagen op een op naam van verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 9 december 2005. Hieruit blijkt dat verdachte reeds vele malen eerder is veroordeeld voor vermogensdelicten tot gevangenisstraffen. De rechtbank rekent het verdachte aan dat deze eerdere veroordelingen hem er niet van hebben weerhouden onderhavige feiten te plegen.

Op grond van het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te melden duur dient te worden opgelegd.

8. Bijkomende beslissingen

8.1 De vordering van de benadeelde partij

8.1.1 De benadeelde partij [slachtoffer 1] is ontvankelijk is haar vordering, nu aan verdachte een straf of maatregel wordt opgelegd en aan haar rechtstreeks schade is toegebracht door het bewezen verklaarde feit.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de door het bewezen verklaarde strafbare feit toegebrachte schade.

Naast toewijzing van deze civiele vordering zal de rechtbank als extra waarborg voor de schadevergoeding tevens de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen.

8.1.2 De rechtbank acht op grond van het onderzoek ter terechtzitting de benadeelde partij [slachtoffer 5] niet ontvankelijk in zijn vordering, nu aan verdachte voor het onder 4. ten laste gelegde geen straf of maatregel wordt opgelegd dan wel geen toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht zal plaatsvinden.

Nu verdachte ten aanzien van dat feit zal worden vrijgesproken, dient de benadeelde partij niet ontvankelijk te worden verklaard.

De benadeelde partij zal worden verwezen in de kosten door de verdachte in deze strafzaak gemaakt als in het dictum vermeld.

8.2 De inbeslaggenomen voorwerpen

In deze zaak is bij en onder verdachte inbeslaggenomen en nog niet teruggeven een:

8.2.1 BMW 318 TDS, kenteken [kenteken], chassisnummer [nummer]

8.2.2 richtmicrofoon (A.A5.32)

8.2.3 blok hasj (A.A1.22)

8.2.4 2 portofoons horloge model, merk ZEON (T1002)

8.2.5 scannerantenne, merk Uniden-Bearcat (T1006)

De officier van justitie heeft gevorderd dat het voorwerp onder 8.2.1 verbeurd wordt verklaard en hij heeft ten aanzien van de voorwerpen onder 8.2.2, 8.2.3, 8.2.4 en 8.2.5 de onttrekking aan het verkeer gevorderd.

De raadsman heeft betoogd dat de richtmicrofoon een legaal voorwerp is.

De verbeurdverklaring

De rechtbank is van oordeel dat het onder verdachte inbeslaggenomen en aan hem toebehorende voorwerp onder 8.2.1 verbeurd dient te worden verklaard, nu met behulp van dit voorwerp het onder 4.1. bewezenverklaarde feit 2 is begaan.

De onttrekking aan het verkeer

De rechtbank zal de aan verdachte toebehorende voorwerpen onder 8.2.2, 8.2.4 en 8.2.5 onttrekken aan het verkeer. Naar het oordeel van de rechtbank zijn deze voorwerpen van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit in strijd is met het algemeen belang. Tevens geldt dat de voorwerpen bij het onderzoek ter gelegenheid van de door hem begane feiten zijn aangetroffen en kunnen dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten.

De rechtbank zal het aan verdachte toebehorende voorwerp onder 8.2.3 onttrekken aan het verkeer, op grond van het bepaalde in artikel 13a van de Opiumwet.

9. De toepasselijke wettelijke voorschriften

De opgelegde straffen en maatregelen zijn gegrond op de volgende wettelijke voorschriften:

artikelen 24c, 33, 33a, 36b, 36d, 46, 47, 56, 57, 63, 310, 311, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 13a van de Opiumwet.

10. De beslissing

De rechtbank

verklaart niet bewezen wat aan de verdachte onder feit 3 en 4 ten laste is gelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals vermeld onder 4.2 van dit vonnis;

verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart dat het bewezenverklaarde de onder 5. vermelde strafbare feiten oplevert;

verklaart de verdachte hiervoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte wegens die feiten tot:

een GEVANGENISSTRAF voor de duur van VIJF JAREN EN ZES MAANDEN;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

verklaart VERBEURD het hierboven onder 8.2.1 vermelde inbeslaggenomen voorwerp;

verklaart ONTTROKKEN AAN HET VERKEER de hierboven onder 8.2.2, 8.2.3, 8.2.4 en 8.2.5 vermelde inbeslaggenomen voorwerpen;

veroordeelt verdachte om tegen kwijting te betalen aan [slachtoffer 1], een bedrag van EUR 1.750,=, met veroordeling tevens van verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot deze uitspraak begroot op nihil;

verstaat dat gehele of gedeeltelijke betaling van voormeld bedrag door een mededader de veroordeling van de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] met eenzelfde bedrag doet verminderen;

legt op de verplichting tot betaling aan de staat van een bedrag van EUR 1.750,= ten behoeve van [slachtoffer 1];

beveelt dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt -onder handhaving van voormelde verplichting- vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 35 dagen;

verstaat dat de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van [slachtoffer 1] komt te vervallen voor zover een mededader heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van [slachtoffer 1].

bepaalt dat de voldoening aan de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen;

verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 5] niet-ontvankelijk in de vordering;

veroordeelt de benadeelde partij [slachtoffer 5] in de kosten door de verdachte gemaakt tot op deze uitspraak begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. dr. M.J.A. Plaisier, voorzitter,

mr. drs. F.J.P Lock en mr. dr. C.J. van der Wilt, rechters,

in tegenwoordigheid van R. van Andel, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 2 oktober 2006.