Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2006:AY9825

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
04-10-2006
Datum publicatie
11-10-2006
Zaaknummer
65483 / KG ZA 06-109
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

De vordering tot verwijdering van de door de buurman op een strook grond van eiser aangebrachte bestrating en beschoeiing wordt afgewezen wegens het ontbreken van spoedeisend belang. De vordering tot herstel van de erfafscheiding wordt afgewezen omdat voorshands niet is gebleken dat deze niet deugdelijk is hersteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 65483 / KG ZA 06-109

Vonnis in kort geding van 4 oktober 2006

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

procureur mr. J. Wijnja,

advocaat mr. A.N. Kampherbeek te Rotterdam,

tegen

1. [gedaagde sub 1],

2. [gedaagde sub 2],

beiden wonende te [woonplaats],

gedaagden,

procureur mr. B.E.M. van der Burg.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde cs] genoemd worden.

1. De procedure

1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 20 juni 2006;

- de mondelinge behandeling op 20 juli 2006;

- de pleitnota van [eiser];

- de pleitnota van [gedaagde cs];

- de aanhouding ten behoeve van het betrachten van een minnelijke regeling;

- het faxbericht van de procureur van [eiser] van 25 augustus 2006.

1.2 Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1 [eiser] is eigenaar van het perceel gelegen aan de [adres] te [plaatsnaam]. Het perceel ligt tussen een dijk ([naam dijk]) en de rivier de Binnenmaas. Op dit perceel staat een zomerhuis, omgeven door een ruime tuin.

2.2 In augustus 2005 heeft [gedaagde cs] aan de andere zijde van de dijk een perceel gekocht, met daarop een woonhuis en omliggende grond. Voorts heeft [gedaagde cs] het perceel grond naast het perceel van [eiser] gekocht. Dit perceel bestaat uit een dijktalud annex tuin. Vanaf [naam dijk] kan via dit laatste perceel de Binnenmaas worden bereikt.

2.3 Op het perceel gelegen naast het perceel van [eiser] heeft [gedaagde cs] een oprit aangelegd. In augustus 2005 heeft [gedaagde cs] [eiser] verzocht hem toestemming te verlenen om deze oprit over het perceel van [eiser] af te ronden, zodat gemakkelijker met een botenwagen kan worden in- en uitgereden.

2.4 Begin oktober 2005 bleek er onduidelijkheid te zijn over de kadastrale grenzen van het perceel van [gedaagde cs]. Op of omstreeks 19 oktober 2005 heeft Kadastraal Landmeetkundig Bureau Kaper (hierna: "Kaper") de grens opgemeten en aangegeven tussen de percelen van [gedaagde cs] en zijn andere buurman, de heer [naam].

2.5 In november/december 2005 is een grondbedrijf in opdracht van [gedaagde cs] met diverse werkzaamheden aangevangen. Daarbij is de erfafscheiding tussen de percelen van [eiser] en [gedaagde cs] verwijderd en is bestrating en beschoeiing aangebracht.

2.6 In zijn brief van 10 januari 2006 heeft [gedaagde cs] het volgende aan [eiser] medegedeeld: "Reeds bij ons eerste contact heeft u aangegeven dat de grenzen zoals bepaald bij de meting in 1982 voor u geldig zijn." [gedaagde cs] heeft voorgesteld af te spreken dat de grenzen gemeten in 1982 als officiële grenzen zullen gelden en dat geen recht op verjaring van afwijkingen door feitelijk gebruik zal ontstaan.

2.7 [eiser] heeft bij brief van 17 januari 2006 gereageerd op de brief van [gedaagde cs] van 10 januari 2006. Daarin heeft [eiser] aangedrongen op vaststelling van de juiste kadastrale grenzen door een landmeter.

2.8 De landmetingen zijn uitgevoerd op 15 februari 2006. Daarbij is vastgesteld dat de aangebrachte beschoeiing de erfgrens overschrijdt vanaf 0,50 centimeter tot 1,70 meter. Daarnaast heeft [gedaagde cs] een afronding aangebracht die tot een lengte van 6,5 meter uitkomt op het perceel van [eiser]. De erfgrens van [eiser] is aldus met ongeveer 27 m2 overschreden.

2.9 Als scheiding tussen de percelen stond over een lengte van elf meter een ligusterhaag, welke gezamenlijk eigendom was van [eiser] en [gedaagde cs]. Deze haag is verwijderd bij de hierboven genoemde werkzaamheden (zie r.o. 2.5).

2.10 Bij brief van 16 februari 2006 heeft [eiser] [gedaagde cs] medegedeeld dat hij niet kan instemmen met de zonder zijn toestemming verwijderde erfafscheiding en de op zijn perceel aangebrachte bestrating en beschoeiing. [eiser] heeft [gedaagde cs] gesommeerd de erf-afscheiding te herstellen en de op zijn perceel aangebrachte bestrating en beschoeiing te verwijderen alsmede de aangebrachte schade te herstellen.

2.11 [gedaagde cs] heeft een hovenier opdracht gegeven een nieuwe erfafscheiding aan te brengen. Er zijn twintig taxusstruiken met een hoogte van 1,5 meter aangebracht. De aangebrachte bestrating en beschoeiing is niet verwijderd.

2.12 De advocaat van [eiser] heeft [gedaagde cs] bij brief van 25 april 2006 gesommeerd binnen tien dagen na dagtekening van die brief te bevestigen dat binnen 30 dagen de erfafscheiding deugdelijk zal worden hersteld door middel van het plaatsen van vijf taxusstruiken per twee strekkende meter, met een hoogte van twee meter en dat de op het perceel van [eiser] aangebrachte bestrating en beschoeiing zal worden verwijderd.

2.13 Ook [gedaagde cs] heeft zich tot een advocaat gewend. In overleg met zijn advocaat heeft [gedaagde cs] zijn visie kenbaar gemaakt bij brief van 16 mei 2006, gericht aan de advocaat van [eiser].

3. Het geschil

3.1 [eiser] vordert - samengevat - gedaagden hoofdelijk, zodanig dat wanneer de één betaalt de ander zal zijn bevrijd, te veroordelen:

a. om binnen 14 dagen na betekening van het vonnis, de op het perceel van [eiser] aangebrachte bestrating en beschoeiing te verwijderen en verwijderd te houden, en dat deel van het perceel te herstellen door de beplanting en begroeiing -voor zover mogelijk- terug te brengen in de oude staat en weer ter beschikking te stellen aan [eiser];

b. om binnen 14 dagen na betekening van het vonnis, de erfafscheiding deugdelijk te herstellen door op de kadastrale erfgrens met een lengte van elf meter, vijf taxusstruiken per twee strekkende meter te (doen) plaatsen, met een hoogte van twee meter;

c. om een bedrag van € 1.500,-- aan buitengerechtelijke kosten aan [eiser] te voldoen;

het gevorderde onder a. en b. op straffe van verbeurte van een dwangsom en met veroordeling van gedaagden in de kosten van het geding.

3.2 [gedaagde cs] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1 Ten eerste voert [gedaagde cs] als verweer aan dat er geen sprake is van spoedeisend belang aan de zijde van [eiser].

4.2 [eiser] stelt dat de vordering naar haar aard spoedeisend is omdat deze strekt tot het beëindigen van een onrechtmatige toestand, bestaande uit een inbreuk op zijn eigendoms-recht. Voorts stelt [eiser] dat het spoedeisend belang is ingegeven door de aanvang van het zomerseizoen. Het is van belang dat de bestrating en beschoeiing op zo kort mogelijke termijn wordt verwijderd omdat het groei- en bloeiseizoen nog maar net aangevangen, waardoor het perceel zich op korte termijn kan herstellen.

4.3 Hoewel de omstandigheid dat de onderhavige vordering betrekking heeft op inbreuk op het eigendomsrecht van een perceel gelegen bij een zomerhuis niets af doet aan de aard van die vordering, is de voorzieningenrechter van oordeel dat terzake daarvan meer van [eiser] mag worden gevergd omdat hij die woning niet permanent bewoont. [eiser] wordt daardoor immers niet dagelijks geconfronteerd met de gevolgen van de inbreuk op zijn eigendomsrechten zodat het spoedeisend belang niet zonder meer uit de vordering voortvloeit.

4.3.1 De voorzieningenrechter is van oordeel dat er op dit moment geen sprake (meer) is van een spoedeisend belang aan de zijde van [eiser]. De zomer is inmiddels voorbij, zodat hetgeen [eiser] gesteld heeft omtrent de mogelijkheden van het perceel zich op korte termijn te herstellen niet meer aan de orde is. Het huidige seizoen (herfst) leent zich daar immers niet voor. Bovendien blijkt uit de overgelegde foto's van de situatie ter plaatse naar voorlopig oordeel niet dat de bestrating en beschoeiing onbehoorlijk en/of ondeugdelijk is aangebracht terwijl het bovendien niet aannemelijk is dat [eiser] het betreffende deel van zijn perceel anders gebruikt dan als tuin. Indien dit wordt afgewogen tegen de stellingen van [gedaagde cs], inhoudende dat hij reeds aanzienlijke kosten heeft moeten maken en zal moeten maken indien de vordering tot verwijdering van de bestrating en beschoeiing wordt toegewezen, alsmede zijn belang het perceel met een botenwagen op te kunnen rijden, valt niet in te zien waarom van [eiser] niet mag worden gevergd dat hij de uitkomst van een bodemprocedure afwacht.

4.3.2 De vordering onder a. zal derhalve worden afgewezen wegens het ontbreken van spoedeisend belang.

4.4 Ten aanzien van de vordering tot het herstellen van de erfafscheiding is het spoedeisend belang voldoende aannemelijk gemaakt, nu deze vordering strekt tot het doen plaatsen van taxusstruiken en het huidige jaargetijde zich daar nog voor leent.

4.4.1 Na het verwijderen van de ligusterhaag heeft [gedaagde cs] op de erfgrens twintig taxusstruiken met een hoogte van 1,5 meter geplaatst. Naar voorlopig oordeel is niet gebleken dat de erfafscheiding aldus niet deugdelijk is hersteld. Daartoe verwijst de voorzieningenrechter naar de overgelegde verklaring van Hoveniersbedrijf [bedrijfsnaam], waaruit blijkt dat de taxus is geplant volgens het normenboek van Pannenkoek en Schipper (2 stuks per meter). Volgens de hovenier kan met twee taxusstruiken per meter een mooie gesloten haag worden verkregen binnen een periode van twee tot vijf jaar. Dit laatste is afhankelijk van droogte en verzorging. Uit de foto van de geplante taxusstruiken, door [eiser] als productie 11 overgelegd, kan evenmin voorshands worden afgeleid dat geen sprake is van deugdelijk herstel.

4.4.2 Dit betekent dat ook de vordering onder b. dient te worden afgewezen.

4.5 Gezien het voorgaande behoeft de vordering onder c. geen nadere bespreking. Ook deze zal derhalve worden afgewezen.

4.6 [eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde cs] worden begroot op:

- vast recht EUR 248,00

- overige kosten 0,00

- salaris procureur 816,00

Totaal EUR 1.064,00

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1 wijst de vorderingen af,

5.2 veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde cs] tot op heden begroot op EUR 1.064,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.H. Kemp-Randewijk en in het openbaar uitgesproken op 4 oktober 2006.