Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2006:AY9426

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
08-09-2006
Datum publicatie
04-10-2006
Zaaknummer
Awb 05/1471
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:CRVB:2007:BB3921, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

nalatenschap - voldoende middelen van bestaan - tijdstip van toerekening uitbetaling erfdeel aan erfgenaam - langstlevendenbeding - legitieme portie

artikel: 58 WWB

intrekking en terugvordering WWB-uitkering - appellante is als kind van erflater legitimaris in een nalatenschap ten aanzien waarvan langstlevendenbeding geldt ten gunste van achterblijvende partner - eerst dan ontstaat een aanspraak op een erfenis als de betrokkene als legitimaris een beroep doet op uitbetaling van de legitieme portie of op ongeldigheid van het testament, waartoe zij niet verplicht of genoodzaakt is. Aanspraak op de nalatenschap ontstaat niet eerst/reeds vanaf het moment dat een erfdeel daadwerkelijk aan erfgenaam is uitbetaald, noch direct bij overlijden van erflater, noch op het moment waarop tussen de erfgenamen een schikking is getroffen ter afwikkeling van de nalatenschap. Zie ook CRVB 27 augustus 2002 LJN AF 1686.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Sector Bestuursrecht

procedurenummer: AWB 05/1471

uitspraak van de meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

inzake

[xxx],

wonende te Dordrecht, eiseres,

gemachtigde: mr. T.M. Subelack, advocaat te 's-Hertogenbosch,

tegen

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Dordrecht, verweerder,

gemachtigde: mr. J. van der Heiden, werkzaam bij verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

Bij besluit van 7 maart 2005 heeft verweerder eiseresses uitkering ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) ingetrokken met ingang van 23 februari 2002 alsmede deze uitkering van haar teruggevorderd over de periode vanaf 23 februari 2002 tot en met 31 december 2004.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 14 april 2005 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 26 oktober 2005, kenmerk 61854/170283/SR, heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief, ingekomen op 5 december 2005, beroep ingesteld bij de rechtbank Dordrecht.

De zaak is behandeld ter zitting van een enkelvoudige kamer op 21 april 2006.

Eiseres is ter zitting verschenen bijgestaan door haar gemachtigde.

Verweerder is ter zitting verschenen bij gemachtigde.

Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de rechtbank met toepassing van artikel 8:68 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het onderzoek heropend teneinde aan partijen nadere inlichtingen te vragen. Voorts heeft de rechtbank de zaak verwezen naar de meervoudige kamer.

Na terzake van partijen verkregen toestemming heeft de rechtbank het onderzoek gesloten zonder (nadere) zitting te hebben gehouden.

2. Overwegingen

2.1. Artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, van de WWB bepaalt, zakelijk weergegeven, dat het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend de kosten van bijstand terug kan vorderen, voorzover de bijstand anderszins onverschuldigd is betaald, waaronder begrepen dat de belanghebbende naderhand met betrekking tot de periode waarover bijstand is verleend, over in aanmerking te nemen middelen als bedoeld in paragraaf 3.4. beschikt of kan beschikken.

2.2. Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat eiseresses vader op 23 februari 2002 is overleden en dat haar uit diens nalatenschap is toegevallen een erfdeel van € 119.914,26. Dit bedrag overstijgt de grens voor het bij een alleenstaande vrij te laten vermogen en eiseres wordt geacht vanaf de overlijdensdatum van haar vader over dit vermogen te hebben kunnen beschikken. Gelet op het bepaalde in artikel 58, eerste lid, aanhef en sub f. van de WWB is daardoor een terugvorderingsbevoegdheid ontstaan.

2.3. Eiseres bestrijdt verweerders conclusie. Zij stelt dat haar, gezien een langstlevendenbeding dat in het testament van vader ten gunste van diens weduwe was opgenomen, pas na het overlijden van de weduwe enig recht op de nalatenschap zou toekomen. De uitkering van voornoemd bedrag vindt zijn grondslag in een schikking die in november 2004 is getroffen tussen enerzijds de weduwe en anderzijds de kinderen van de erflater. Eiseres kan dus eerst vanaf november 2004 geacht worden over genoemd vermogen te hebben beschikt. Intrekking van eiseresses uitkering kan mitsdien pas plaatshebben vanaf november 2004.

2.4. De rechtbank overweegt als volgt.

2.4.1. De volgende feiten staan in deze zaak vast. Op 23 februari 2002 is eiseresses vader overleden. De rechten op zijn nalatenschap waren bij testament geregeld. Van het testament maakte een zogenaamd langstlevendenbeding deel uit ten gunste van zijn weduwe. Zakelijk weergegeven en voorzover hier van belang luidde dit langstlevendenbeding dat aan de weduwe werd gelegateerd alle goederen en rechten in de nalatenschap, zulks tegen inbreng in de nalatenschap van de waarde ervan en/of door schulderkenning aan de mede-erfgenamen, onder meer onder voorwaarde dat de vorderingen van andere erfgenamen (lees: de kinderen) eerst opeisbaar zouden zijn zes maanden na het overlijden van de weduwe. De weduwe werd benoemd tot executeur. Tevens werd bepaald, zakelijk weergegeven, dat kinderen die zich tegen de inhoud van het testament verzetten in de legitieme portie zouden worden gesteld. Eiseres, alsmede haar broer en zus, konden zich niet verenigen met de wijze waarop de nalatenschap door de weduwe werd beheerd, de waarde die aan een of meer goederen was toegekend, de volledigheid van de boedelbeschrijving en de geldigheid van het testament op zich. Tussen partijen ontwikkelde zich vervolgens correspondentie, die medio 2004 zijdens eiseres en haar broer en zus leidde tot inschakeling van een advocaat. Vervolgens is tussen partijen een schikking getroffen, die door de advocaat van de weduwe op 12 november 2004 definitief is bevestigd. Eind december 2004 is aan eiseres ter uitvoering van de schikkingsovereenkomst een bedrag van € 119.914,26 overgemaakt.

2.4.2. De vraag die partijen verdeeld houdt en waarover zij een oordeel van de rechtbank willen hebben is of en zo ja vanaf wanneer hetgeen aan eiseres is uitbetaald in de zin van artikel 58, eerste lid onder f, van de WWB moet worden aangemerkt als middelen waarover zij heeft kunnen beschikken gedurende de gehele periode waarover bijstand is teruggevorderd, te beginnen op 23 februari 2002.

2.4.3. Maatstaf voor de beantwoording van die vraag is niet op welk tijdstip daadwerkelijk aan eiseres is uitbetaald, immers, artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, bevat tevens een voorziening voor het geval de belanghebbende met betrekking tot de periode waarvoor bijstand is verleend over in aanmerking te nemen middelen beschikt of kan beschikken. Evenmin is maatgevend het tijdstip waarop tussen partijen een schikking is getroffen. Dat hetgeen in het kader van deze schikking is uitbetaald niet voortvloeit uit erfrechtelijke aanspraken is gelet op hetgeen tussen partijen vaststaat niet juist. Eiseresses aanspraken zijn terug te voeren op haar betwisting van de geldigheid van het testament cq op haar aanspraken op betaling van de legitieme portie en vloeien dus voort uit het erfrecht. Het voorgaande heeft tot gevolg dat - anders dan eiseres heeft betoogd - niet de datum waarop het bedrag aan haar is uitbetaald, noch de dag dat de schikkingsovereenkomst tot stand kwam kunnen worden beschouwd als de dag, waarop bedoeld bedrag is gaan behoren tot haar vermogen en derhalve als in aanmerking te nemen middelen dient te worden beschouwd.

2.4.4. Bepalend voor de vraag wanneer de vordering tot het vermogen is gaan behoren is evenmin de datum van overlijden van de van de erflater, nu eiseres, indien zij in het testament had berust, eerst aanspraak had kunnen maken op betaling van enig - in omvang nog niet bepaald - bedrag na overlijden van de weduwe van erflater. Verweerder heeft derhalve in het bestreden besluit ten onrechte deze datum als bepalend geacht voor het ontstaan van de vordering.

2.4.5. De rechtbank overweegt hierbij nog dat het zogenaamde langstlevendenbeding, als hier van belang, al lang in het recht een uitwerking werd geacht van de natuurlijke verbintenis tussen (ex-) echtelieden te voorzien in elkaars onderhoud en verzorging. Dit beding is inmiddels ook voorzien in het zogenaamde 'intestair' erfrecht. Een uitkomst waarbij het overlijden van de erflater zonder meer bepalend zou zijn voor het tot het vermogen rekenen van de vordering van een kind van de erflater voor de toepassing van artikel 58 van de WWB zou tot het ongewenste gevolg leiden dat dat kind wordt gedwongen onmiddellijk aanspraak te maken op de legitieme portie en daarmee afbreuk te doen aan bovenvermelde natuurlijke verbintenis teneinde te kunnen voorzien in het eigen onderhoud omdat er geen recht op bijstand meer zou zijn. Een dergelijk gevolg heeft de wetgever niet beoogd.

2.4.6. Door ter bepaling van de periode waarover eiseres geacht moet worden aanspraak te hebben gehad op de erfenis en derhalve over middelen te hebben beschikt de overlijdensdatum van erflater als aanvangstijdstip te nemen is verweerder dan ook uitgegaan van een onjuiste maatstaf. Eerst dan ontstaat een aanspraak op de erfenis als de betrokkene als legitimaris een beroep doet op uitbetaling van de legitieme portie of op ongeldigheid van het testament, waartoe zij niet verplicht noch genoodzaakt is. De rechtbank vindt voor die opvatting mede steun in de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep d.d. 27 augustus 2002 LJN AF1686. Mitsdien komt het bestreden besluit met gegrondverklaring van het beroep voor vernietiging in aanmerking wegens strijd met artikel 58 van de WWB.

2.5. Nu het beroep gegrond wordt verklaard dient verweerder op de voet van artikel 8:74, eerste lid, van de Awb aan eiseres het door haar betaalde griffierecht te vergoeden.

2.6. Gelet op het voorafgaande ziet de rechtbank aanleiding om verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van dit beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De kosten in verband met de door een derde beroepsmatig verleende bijstand zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 805,- (1 punt voor het beroepschrift,1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor het verstrekken van nadere schriftelijke inlichtingen, met een waarde per punt van € 322,- en wegingsfactor 1). De rechtbank is niet gebleken dat eiseres nog andere kosten heeft moeten maken die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen.

2.7. Gezien het vorenstaande beslist de rechtbank als volgt.

3. Beslissing

De rechtbank Dordrecht,

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

- beveelt dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierrecht ten bedrage van € 37,- vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten welke eiseres in verband met de behandeling van deze beroepszaak redelijkerwijs heeft moeten maken, welke kosten wordt begroot op € 805,- ter zake van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- wijst de gemeente Dordrecht aan als de rechtspersoon die voormelde proceskosten aan eiser moet vergoeden.

Aldus gegeven door mr. A.P. Hameete, voorzitter, mr. R.P. Broeders en mr. M.J.M. Marseille, leden en door de voorzitter en C. Groenewegen, griffier, ondertekend.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op:

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan een belanghebbende beroep instellen. Het instellen van het beroep geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht, binnen zes weken na dagtekening van verzending van deze uitspraak.