Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2006:AY5192

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
27-07-2006
Datum publicatie
27-07-2006
Zaaknummer
11/500237-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Eendaadse samenloop. De rechtbank heeft een 42-jarige man veroordeeld tot een gevangenisstraf van 36 maanden waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren voor het gedurende lange tijd meermalen plegen van handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van zijn tienjarige dochter en het meermalen plegen van ontucht met die dochter. De rechtbank rekent het hierbij de veroordeelde zwaar aan dat hij doorgegaan is met het seksueel misbruiken van zijn dochter nadat in 2005 was gebleken dat anderen deze dochter ook seksueel hadden misbruikt. Voorts rekent de rechtbank het verdachte zwaar aan dat hij op enig moment zijn zoon er niet van heeft weerhouden om ook de dochter van verdachte seksueel te misbruiken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

MEERVOUDIGE STRAFKAMER

Tegenspraak

Parketnummer: 11/500237-06

Zittingsdatum : 13 juli 2006

Uitspraak : 27 juli 2006

VERKORT STRAFVONNIS

De rechtbank Dordrecht heeft op grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting vonnis gewezen in de zaak tegen:

Verdachte,

geboren in 1963,

wonende te [woonplaats]

thans gedetineerd in de P.I. Zuid-West, locatie Dordtse Poorten, te Dordrecht.

De rechtbank heeft de processtukken gezien en kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen de verdediging naar voren heeft gebracht.

1. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat hij

1.

hij in of omstreeks de periode van 24 juli 2000 tot en met 03 april 2006 te Dordrecht en/of Zwijndrecht, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, met [slachtoffer] (zijnde zijn, verdachtes, dochter), welke is geboren op 1995 en die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], hebbende verdachte (telkens),

- zijn penis in de vagina en/of de anus van die [slachtoffer] gebracht en/of geduwd en/of

- zijn penis tegen de (ontblote) vagina en/of de (onblote) anus van die [slachtoffer] geduwd en/of bewogen en/of

- die [slachtoffer] getongzoend en/of

- zich laten pijpen door die [slachtoffer] en/of

- (aan) de (ontblote) vagina van die [slachtoffer] gelikt en/of gekust en/of gezogen en/of

- de (ontblote) borst(en) en/of (onblote) bil(len) en/of (ontblote) vagina, althans het lichaam, van die [slachtoffer] betast en/of gestreeld;

2.

hij in of omstreeks de periode van 24 juli 2000 tot en met 03 april 2006 te Dordrecht en/of Zwijndrecht, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, ontucht heeft gepleegd met zijn minderjarige dochter, genaamd: [slachtoffer], welke is geboren op 1995, bestaande die ontucht hierin dat hij, verdachte,(telkens)

- zijn penis tegen de (ontblote) vagina en/of de (onblote) anus van die [slachtoffer] heeft geduwd en/of heeft bewogen en/of

- zich heeft laten pijpen door die [slachtoffer] en/of

- (aan) de (ontblote) vagina van die [slachtoffer] heeft gelikt en/of heeft gekust en/of heeft gezogen en/of

- de (ontblote) borst(en) en/of (onblote) bil(len) en/of (ontblote) vagina, althans het lichaam, van die [slachtoffer] heeft betast en/of heeft gestreeld.

2. De voorvragen

2.1 De geldigheid van de dagvaarding

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

2.2 De bevoegdheid van de rechtbank

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen.

2.3 De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen feiten en/of omstandigheden gebleken, die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan.

2.4 De schorsing van de vervolging

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing van de vervolging gebleken.

3. Het onderzoek ter terechtzitting

3.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft -het ten laste gelegde bewezen achtend- gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren waarvan één jaar voorwaardelijk met een proeftijd van vijf jaren en met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Voorts vordert zij dat aan verdachte zal worden opgelegd de bijzondere voorwaarde dat verdachte zich gedurende de proeftijd dient te houden aan de aanwijzingen hem te geven door de Reclassering Nederland ook als dat inhoudt het volgen van het daderprogramma seksuele delinquenten bij de polikliniek De Waag te Utrecht.

3.2 De verdediging

De verdediging heeft een bewijsverweer en een strafmaatverweer gevoerd.

4. De bewijsbeslissingen

4.1 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte

1.

in de periode van 24 juli 2000 tot en met 03 april 2006 te Dordrecht en Zwijndrecht, meermalen, met [slachtoffer] (zijnde zijn, verdachtes, dochter), welke is geboren op 1995 en die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], hebbende verdachte telkens,

- zijn penis tegen de ontblote vagina en de onblote anus van die [slachtoffer] geduwd en bewogen en

- die [slachtoffer] getongzoend en

- zich laten pijpen door die [slachtoffer] en

- (aan) de ontblote vagina van die [slachtoffer] gelikt en gezogen

- de ontblote borsten en onblote billen en ontblote vagina van die [slachtoffer] betast;

2.

in de periode van 24 juli 2000 tot en met 03 april 2006 te Dordrecht en Zwijndrecht, meermalen, ontucht heeft gepleegd met zijn minderjarige dochter, genaamd: [slachtoffer], welke is geboren op 1995, bestaande die ontucht hierin dat hij, verdachte, telkens

- zijn penis tegen de ontblote vagina en de onblote anus van die [slachtoffer] heeft geduwd en heeft bewogen en

- zich heeft laten pijpen door die [slachtoffer] en

- (aan) de ontblote vagina van die [slachtoffer] heeft gelikt en heeft gezogen

- de ontblote borsten en onblote billen en ontblote vagina van die [slachtoffer] heeft betast.

Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Voor zover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4.2 De bewijsmiddelen

De rechtbank grondt haar overtuiging dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

De rechtbank bezigt ieder bewijsmiddel, ook in onderdelen, telkens slechts voor het bewijs van het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis met de bewijsmiddelen vereist, dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, in een aan dit vonnis gehechte bijlage worden opgenomen.

5. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

Het bewezenverklaarde levert op:

eendaadse samenloop van:

1.

MET IEMAND BENEDEN DE LEEFTIJD VAN TWAALF JAREN HANDELINGEN PLEGEN DIE MEDE BESTAAN UIT HET SEKSUEEL BINNENDRINGEN VAN HET LICHAAM, meermalen gepleegd;

2.

ONTUCHT PLEGEN MET ZIJN MINDERJARIG KIND, meermalen gepleegd.

6. De strafbaarheid van de verdachte

6.1 Het rapport van de deskundige

Op verzoek van de rechtbank heeft GZ-psycholoog dr. A. van der Donk d.d. 22 juni 2006 een rapport over de persoon van verdachte uitgebracht.

In deze rapportage merkt deze deskundige -zakelijk weergegeven- het volgende op:

Betrokkene is niet lijdende aan een ziekelijke stoornis van de geestvermogens, wel is er sprake van een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens in de zin van een psycho-seksueel disfunctioneren. Betrokkene functioneert op een laaggemiddeld intelligentieniveau waarbij er tevens sprake van een zeer beperkt sociaal-emotioneel functioneren, een gebrekkig kritiek- en oordeelsvermogen alsmede tekorten in de gewetensfuncties.

Volgens betrokkene was aangeefster 5 jaar oud toen hij haar voor het eerst seksueel misbruikte.

Betrokkene heeft op verschillende momenten besef gehad van de ongeoorloofdheid en strafbaarheid van zijn handelen en heeft deze desondanks voortgezet. Met betrekking tot de toerekeningsvatbaarheid is ondertekende van mening dat betrokkene heeft gehandeld vanuit een aantal beperkingen zoals zijn beperkte intellectuele vermogens, het onvermogen om te gaan met spanningen en de forse beperkingen in zijn seksualiteitsontwikkeling. Door deze tekorten/beperkingen is betrokkene niet geheel in staat geweest, vergelijkbaar met de gemiddelde mens, zijn wil in vrijheid te bepalen. Ondergetekende is van mening dat de hem ten laste gelegde feiten, indien bewezen, hem in een enigszins verminderde mate kunnen worden toegerekend.

6.2 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank verenigt zich met de conclusie van het voormelde rapport op grond van de onderbouwing ervan. Zij is van oordeel dat op grond van het strafdossier, het verhandelde ter terechtzitting en het rapport van voornoemde deskundige, voldoende is komen vast te staan dat de ten laste gelegde en bewezen verklaarde feiten in enigszins verminderde mate aan verdachte kunnen worden toegerekend.

Nu ook overigens uit het onderzoek ter terechtzitting geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten, is verdachte strafbaar voor de door hem gepleegde strafbare feiten.

7. De redenen die de straf hebben bepaald of tot de maatregel hebben geleid

7.1 Strafmotivering

De rechtbank heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder die zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft gedurende een groot aantal jaren met zijn minderjarige dochter ontuchtige handelingen gepleegd, alsmede handelingen gepleegd die bestonden uit het seksueel binnendringen van haar lichaam.

Misbruik makend van zijn positie als vader heeft verdachte het slachtoffer al vanaf dat zij vijf jaar was in een situatie gebracht waarin hij steeds meer en verdergaande seksuele handelingen met haar pleegde en haar manipuleerde om naar zijn wensen te handelen.

Verdachte pleegde de handelingen als hij alleen met haar thuis was of als hij zeker wist dat hij zich buiten het zicht van zijn partner en/of anderen bevond.

Verdachte wist vanaf het begin dat zijn handelen verboden is. Ondanks dat pleegde hij deze handelingen toch met zijn dochter en maakte hij misbruik van haar geringe weerstandsvermogen en van het door haar in hem als ouder gestelde vertrouwen.

Ronduit schokkend acht de rechtbank dat toen een broer en een huisgenoot van verdachte beiden in 2005 ter zake van seksueel misbruik van zijn dochter werden veroordeeld, verdachte is doorgegaan diezelfde dochter seksueel te misbruiken. Verdachte heeft daarbij slechts oog gehad voor de bevrediging van zijn eigen seksuele behoeften. Hij heeft hierdoor de belangen van zijn dochter op schromelijke wijze veronachtzaamd. Het is immers algemeen bekend dat dergelijke handelingen, die een inbreuk betekenen op de persoonlijke integriteit van het slachtoffer, schadelijk zijn voor de ontwikkeling van haar. Dit geldt eens te meer nu het om een jong kind gaat en de handelingen gedurende een lange periode hebben plaatsgevonden. Verdachte had hier kennelijk geen enkele boodschap aan.

Met verbijstering heeft de rechtbank vastgesteld dat verdachte eenmaal, toen hij bezig was zijn dochter seksueel te misbruiken en werd betrapt door zijn zoon, zijn zoon heeft betrokken bij dit misbruik. In plaats van zijn handelingen te staken en zijn zoon ervan te weerhouden ook dergelijke handelingen met zijn zusje te plegen, heeft verdachte vervolgens samen met zijn zoon het seksuele misbruik van zijn dochter voortgezet.

De rechtbank rekent het verdachte voorts zwaar aan dat hij zijn dochter seksueel misbruikte in de woning waar zij gezamenlijk woonden en waar zij zich veilig en onbezorgd had moeten kunnen voelen. Ook rekent de rechtbank het verdachte zwaar aan dat deze,

hoewel hij stelt zich verantwoordelijk te voelen voor hetgeen hij heeft gedaan, als verklaring voor zijn eigen handelwijze aanvoert zelf in zijn jeugd te zijn misbruikt en (daarmee)

zélf slachtoffer te zijn. Los van het feit dat deze, voor verdachte onaangename herinneringen, hem ervan hadden moeten weerhouden zich aan zijn dochter te vergrijpen, geeft verdachte met deze redengeving voor zijn handelen naar het oordeel van de rechtbank blijk van het ontbreken van enig besef van de impact van het seksueel misbruik van zijn dochter en de gevolgen die zij hiervan nu ondervindt en later mogelijk nog zal ondervinden.

Voor wat betreft de persoon van verdachte heeft de rechtbank gelet op het feit dat verdachte niet eerder is veroordeeld wegens een zedendelict. De rechtbank houdt tevens rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals die blijken uit de rapportage van de Reclassering Nederland d.d. 23 juni 2006 en van gz-psycholoog A. van der Donk zoals vermeld onder 6.

Uit het rapport van de Reclassering Nederland komt, ten aanzien van de strafoplegging het volgende -zakelijk weergegeven- naar voren:

Naar het oordeel van rapporteur is sprake van een man die het product is van een gezinssysteem dat al over meerdere generaties incestueus, gewelddadig en intimiderend gedrag vertoont. Verder is kenmerkend dat geen van de gezinsleden enige verantwoording neemt en voelt binnen dit gesloten systeem. Daar komt bij dat betrokkene in hoge mate gehinderd zal worden door de combinatie van een gebrekkig inzicht in eigen handelen, dat van anderen en een laag IQ. Wat rapporteur zorgelijk vindt is het ontbreken van enige vorm van mededogen en begrip voor het slachtoffer. Er is sprake van een duidelijk verschil tussen rationaliteit en emotionaliteit. De vorm van therapie zal afgestemd moeten worden op dit zorgelijke beeld en naar het oordeel van de reclassering lijkt de beste optie die van plaatsing in het daderprogramma seksuele delinquenten van De Waag te Utrecht (intensieve poligroep zwakbegaafden).

De recidivekans is aanzienlijk. Op dit moment zijn alle banden tussen betrokkene en zijn familie verbroken. Maar de praktijk leert dat nog voor de detentie ten einde loopt in dit soort gezinssystemen er op een of andere wijze contact wordt gelegd en 'vergeven en vergeten' het credo is. De incestproblematiek is er door die houding mede één van generaties met een hardnekkige negatieve (behandel)prognose.

Wij zijn van mening dat begeleiding in de volgende vorm noodzakelijk is:

- begeleiding door de reclassering. Betrokkene is onvoldoende in staat zijn eigen belangen te behartigen en scoort slecht op alle bovenstaande probleemgebieden. De coördinatie na detentie zal veel inzet van de reclassering vragen. Huisvesting na detentie is een voorwaarde om de therapie ongestoord te kunnen laten verlopen.

- Hulpverlening/therapie door een externe instantie is absoluut noodzakelijk. Naar het oordeel van de reclassering is de beste optie die van plaatsing in het daderprogramma seksuele delinquenten van De Waag te Utrecht. (intensieve poligroep zwakbegaafden).

Naar het oordeel van de reclassering is een gevangenisstraf van langere duur hier op zijn plaats. Betrokkene verwijst als excuus voor zijn handelen veelvuldig naar zijn eigen misbruikverleden. Het externaliseren van zijn daden waarvan betrokkene wist dat hij strafbaar handelde, maakt deel uit van zijn problematiek en kan niet als excuus dienen.

Uit het rapport van gz-psycholoog A. van der Donk komt, ten aanzien van de strafoplegging het volgende -zakelijk weergegeven- naar voren:

Om de kans op herhaling in de toekomst zoveel mogelijk te beperken lijkt het aangewezen betrokkene, als bijzondere voorwaarde bij een (deels) voorwaardelijke straf, onder toezicht van de reclassering in te laten stromen in een project dat is opgezet voor seksueel delinquenten met een cognitieve beperking. Deze intensieve behandeling welke is opgezet door Polikliniek "De Waag" te Utrecht heeft als doel om de kans op terugval in het plegen van delicten zo klein mogelijk te maken. De behandeling is enerzijds gericht op het bijbrengen van zelfcontrole en anderzijds op het creëren van effectieve externe controle. Daarnaast zijn, indien gewenst, individuele therapiegesprekken mogelijk.

Alles afwegende acht de rechtbank uit het oogpunt van vergelding en preventie een langdurige gevangenisstraf een passende en geboden sanctie.

Omdat zij het, gezien bovenstaande adviezen, van groot belang acht dat verdachte zich onder behandeling stelt om de kans op herhaling te zoveel mogelijk te beperken, zal de rechtbank een gedeelte van deze straf voorwaardelijk opleggen.

De rechtbank acht het voorts van belang dat verdachte, die te kennen heeft gegeven na het uitzitten van zijn straf weer voor zijn dochter te willen zorgen en/of contact met haar te willen hebben, wordt begeleid en gesteund door de reclassering en zij zal dan ook aan de op te leggen gevangenisstraf de bijzondere voorwaarde verbinden, dat verdachte zich dient te houden aan de aanwijzingen te geven door of namens de Stichting Reclassering Nederland te Dordrecht, ook als dat inhoudt het volgen van therapie.

De rechtbank zal de aan het voorwaardelijk deel van de straf te verbinden proeftijd op drie jaren stellen. Hiertoe overweegt zij dat de recidivekans groot is en dat de behandeling intensief zal zijn, en mogelijk langere tijd in beslag zal nemen. De rechtbank acht voorts een langere proeftijd op zijn plaats om verdachte na detentie langer te kunnen begeleiden bij de (hernieuwde) omgang met zijn dochter.

8. De toepasselijke wettelijke voorschriften

De opgelegde gegrond op de volgende wettelijke voorschriften:

De artikelen 14a (oud), 14b, 14c, 14d, 55, 244 en 249 van het Wetboek van Strafrecht.

9. De beslissing

De rechtbank

verklaart bewezen dat de verdachte heeft begaan, zoals vermeld onder van dit vonnis;

verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart dat het bewezenverklaarde oplevert;

verklaart de verdachte hiervoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte wegens tot:

een GEVANGENISSTRAF voor de duur van 36 (zesendertig) MAANDEN;

bepaalt dat een gedeelte van deze straf, te weten 10 (tien) MAANDEN, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd die wordt bepaald op DRIE (drie) JAREN,

aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of niet heeft nageleefd de hierna te melden bijzondere voorwaarde;

stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen hem te geven door of namens Reclassering Nederland te Dordrecht, zolang deze instelling dit noodzakelijk acht, ook indien zulks inhoudt het volgen van het daderprogramma seksuele delinquenten bij de polikliniek De Waag te Utrecht (intensieve poligroep zwakbegaafden) of bij een soortgelijke instelling;

voor wat betreft de duur van de behandeling geldt in het kader van deze bijzondere voorwaarde maximaal de duur van de proeftijd of zoveel korter als door de betreffende instelling noodzakelijk wordt geacht;

verstrekt aan de genoemde reclasseringsinstelling opdracht om aan veroordeelde hulp en steun te verlenen bij de naleving van de bijzondere voorwaarde;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. drs. T.F. van der Lugt, voorzitter,

mr. H. Bedee en mr. M.J.A. Plaisier, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M.E. Boekholtz, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 27 juli 2006.