Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2006:AY4860

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
20-07-2006
Datum publicatie
24-07-2006
Zaaknummer
11/500147-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Dordrecht heeft een verdachte wegens brandstichting in de woning van zijn ex-vriendin veroordeeld tot 30 maanden gevangenisstraf waarvan 10 maanden voorwaardelijk. Ook heeft zij verdachte een contactverbod opgelegd ter zake van de slachtoffers (verdachtes ex-vriendin en haar dochter). De rechtbank achtte bewezen dat het risico aanwezig was dat in deze woning personen aanwezig waren die door de brandstichting in een levensgevaarlijke situatie terecht zouden kunnen komen. Verdachte heeft volgens de rechtbank dit risico bewust genomen nu hij ervan uitging dat zijn ex-vriendin in de woning aanwezig was. Dit is niet anders nu bleek dat niet verdachtes ex-vriendin maar haar dochter en de vriend van haar dochter in deze woning aanwezig waren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

MEERVOUDIGE STRAFKAMER

Tegenspraak

Parketnummer: 11/500147-06

Zittingsdatum : 6 juli 2006

Uitspraak : 20 juli 2006

VERKORT STRAFVONNIS

De rechtbank Dordrecht heeft op grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting vonnis gewezen in de zaak tegen:

Verdachte,

geboren in 1961,

wonende te [woonplaats],

thans verblijvende in de P.I. Rijnmond, HvB De IJssel te Krimpen aan den IJssel.

De rechtbank heeft de processtukken gezien en kennis genomen van de

vordering van de officier van justitie en van hetgeen de verdediging naar voren

heeft gebracht.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vorderingen van de benadeelde partijen.

1. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 17 februari 2006 te Gorinchem opzettelijk brand heeft gesticht in/aan een woning (gelegen aan [ adres woning ]), immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk een brandende aansteker, althans een brandend voorwerp, in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met een gordijn en/of een krant, althans papier, en/of een (deur)mat, althans met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan dat gordijn en/of die krant, althans dat papier, en/of die deurmat en/of een deur, geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor zich in die woning en/of belendende percelen bevindende goederen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de zich in dat pand bevindende [ Z ] en/of [ Y ] en/of voor één of meer zich in belendende percelen bevindende perso(o)n(en), in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te duchten was.

2. De voorvragen

2.1 De geldigheid van de dagvaardingen

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaardingen aan alle wettelijke eisen voldoen en dus geldig zijn.

2.2 De bevoegdheid van de rechtbank

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen.

2.3 De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen feiten en/of omstandigheden gebleken, die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan.

2.4 De schorsing van de vervolging

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing van de vervolging gebleken.

3. Het onderzoek ter terechtzitting

3.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft -het ten laste gelegde bewezen achtend- gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren, waarvan twee jaren voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren. Voorts heeft hij gevorderd aan verdachte op te leggen de navolgende bijzondere voorwaarden:

- dat verdachte zich gedurende de proeftijd dient te houden aan de aanwijzingen van de Reclassering Nederland ook als dat inhoudt het volgen van een alcoholregulatietraining en een cognitieve vaardigheidstraining;

- een contactverbod met [ X ] en met [ Y ];

- een straatverbod rond de woning van [ X ].

3.2 De verdediging

De verdediging heeft een bewijsverweer en een strafmaatverweer gevoerd.

3.3 De vorderingen van de benadeelde partijen

Als benadeelde partijen hebben zich schriftelijk in het geding gevoegd:

- [ P ], [ adres ]. Deze vordert verdachte te veroordelen aan hem te betalen een bedrag van EUR 527,49 ter zake van door hem als gevolg van het tenlastegelegde feit geleden schade.

- [ X ], [ adres ]. Zij vordert verdachte te veroordelen aan haar te betalen een bedrag van EUR 250,- ter zake van door haar geleden immateriële schade.

- [ Y ], [ adres ]. Zij vordert verdachte te veroordelen aan haar te betalen een bedrag van EUR 1000,- ter zake van door haar geleden immateriële schade.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vorderingen van [ X ] en [ Y ] tot het gevorderde bedrag, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Ten aanzien van [ P ] heeft hij geconcludeerd tot toewijzing van een bedrag van

EUR 509,85 met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en de niet-ontvankelijk verklaring van benadeelde partij in het resterende deel van de vordering.

Door of namens de verdachte is

- ten aanzien van [ P ] de aansprakelijkheid niet betwist, maar wel de hoogte van de vordering;

- ten aanzien van [ Y ] de aansprakelijkheid en de hoogte van de schade niet betwist;

- ten aanzien van [ X ] de aansprakelijkheid betwist, nu deze benadeelde partij niet rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het tenlastegelegde feit.

4. De bewijsbeslissingen

4.1 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte

op 17 februari 2006 te Gorinchem opzettelijk brand heeft gesticht in een woning ( adres), immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk een brandende aansteker in aanraking gebracht met een gordijn ten gevolge waarvan dat gordijn en een krant, en een deurmat en een deur, geheel of gedeeltelijk zijn verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor zich in die woning en belendende percelen bevindende goederen, en levensgevaar voor de zich in dat pand bevindende [ Z ] en [ Y ] en voor één of meer zich in belendende percelen bevindende personen te duchten was.

Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Voor zover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4.2 De bewijsmiddelen

De rechtbank grondt haar overtuiging dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

De rechtbank bezigt ieder bewijsmiddel, ook in onderdelen, telkens slechts voor het bewijs van het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

De rechtbank bezigt de inhoud van de geschriften als bedoeld in artikel 344, lid 1 sub 5° van het Wetboek van Strafvordering alleen in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis met de bewijsmiddelen vereist, dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, in een aan dit vonnis gehechte bijlage worden opgenomen.

5. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

Het bewezenverklaarde levert op:

OPZETTELIJK BRAND STICHTEN, TERWIJL DAARVAN GEMEEN GEVAAR VOOR GOEDEREN TE DUCHTEN IS,

en

OPZETTELIJK BRAND STICHTEN, TERWIJL DAARVAN LEVENSGEVAAR VOOR EEN ANDER TE DUCHTEN IS.

6. De strafbaarheid van de verdachte

6.1 Het rapport van de deskundige

Op verzoek van de rechtbank heeft GZ-psycholoog dr. A. van der Donk d.d. 7 mei 2006 rapport over verdachte uitgebracht.

In deze rapportage merkt deze deskundige -zakelijk weergegeven- het volgende op:

Er is sprake van alcoholafhankelijkheid en misbruik van cannabis. Voorts is er sprake van een tekortschietend kritiek- en oordeelsvermogen evenals beperkingen van de impulscontrole.

Betrokkene had naar zijn mening een betekenisvolle relatie met aangeefster. Hij voelde zich tekort gedaan toen zij zonder hem uitleg te geven een einde aan de relatie maakte. Betrokkene kon dat moeilijk accepteren en wilde met haar in gesprek komen. Voorafgaande aan het tenlastegelegde zou hij een grote hoeveelheid alcohol gebruikt hebben. Teleurgesteld en gefrustreerd zou hij zonder verder na te denken over de eventuele gevolgen het gordijn aangestoken hebben.

Er lijkt een directe relatie te bestaan tussen het betrokkene ten laste gelegde en zijn overmatige alcoholgebruik. Betrokkene is door zijn alcoholgebruik in een toestand gekomen waarin hij zichzelf niet meer onder controle had. Hoewel betrokkene zelf een keuze lijkt te maken om alcohol te gebruiken is hij daarin naar mijn mening niet geheel vrij. Zijn alcoholgebruik lijkt minstens ten dele voort te komen uit zijn persoonlijkheidsstructuur. Op grond van het bovenstaande is ondergetekende van mening dat betrokkene ten tijde van het plegen van de tenlastegelegde feiten wel de ongeoorloofdheid hiervan heeft kunnen inzien, maar dat hij niet geheel in staat geweest is, vergelijkbaar met de gemiddelde normale mens, zijn wil in vrijheid te bepalen. Verdachte kan ten aanzien van het aan hem tenlastegelegde feit enigszins verminderd toerekeningsvatbaar geacht worden.

6.2 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank verenigt zich met de conclusie van het voormelde rapport op grond van de onderbouwing ervan. Zij is van oordeel dat op grond van het strafdossier, het verhandelde ter terechtzitting en het rapport van voornoemde deskundige, voldoende is komen vast te staan dat de ten laste gelegde en bewezen verklaarde feiten in enigszins verminderde mate aan verdachte kunnen worden toegerekend.

Nu ook overigens uit het onderzoek ter terechtzitting geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten, is verdachte strafbaar voor de door hem gepleegde strafbare feiten.

7. De redenen, die de straf hebben bepaald of tot de maatregel hebben geleid

7.1 Strafmotivering

De rechtbank heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder die zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft op 17 februari 2006 in de vroege ochtend brand gesticht in de gang van de woning van zijn ex-vriendin. Hij deed dit door een gordijn door de brievenbus naar buiten te trekken en dit in brand te steken. Toen het gordijn vlam vatte en het vuur door de brievenbus de woning in drong is verdachte op een afstand van de woning blijven staan kijken. Een krantenjongen die het vuur ontdekte in de gang van de woning heeft de nog in de woning aanwezige bewoners, zijnde de dochter van de ex-vriendin en haar vriend die in de woning lagen te slapen, gewaarschuwd en daarmee gezorgd dat het vuur werd geblust.

Verdachte kwam tot zijn daad omdat hij het niet kon verkroppen dat de relatie met zijn ex-vriendin was beëindigd en zij niet meer met hem (hierover) wilde spreken. Verdachte was die ochtend in alle vroegte al bij zijn ex-vriendin aan de deur geweest om haar te spreken te krijgen, maar zijn ex-vriendin had hierop niet gereageerd en was zonder dat hij haar had gezien naar haar werk gegaan.

Hierop heeft verdachte uit frustratie de brand gesticht waardoor schade in de gang van de woning van zijn ex-vriendin is ontstaan. De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat hij het risico heeft genomen dat de brand zich verder zou verspreiden en dat bovendien in de woning aanwezige personen - en/of in belendende percelen - in een levensgevaarlijke situatie terecht zouden kunnen komen. Verdachte heeft dat risico bewust genomen nu hij ervan uitging dat zijn ex-vriendin in de woning was. Dat dit risico niet denkbeeldig was blijkt uit het feit dat niet de ex-vriendin van verdachte maar haar dochter met haar vriend op de bovenetage lagen te slapen. Deze zijn ontzettend geschrokken van deze brandstichting en uit onder meer de slachtofferverklaring van de dochter blijkt dat zij daar nog dagelijks hinder van ondervindt. Het is aan het kordate optreden van een krantenjongen te danken dat deze bij het ontdekken van de brand hen uit bed belde zodat erger kon worden voorkomen.

Wat betreft de persoon van verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op diens persoonlijke omstandigheden zoals deze ter terechtzitting zijn gebleken en zoals deze uit de voorlichtingsrapportage van de reclassering d.d. 8 mei 2006 en voormelde psychologische rapportage naar voren zijn gekomen. Voorts heeft de rechtbank acht geslagen op het uittreksel uit het Justitieel Documentatie Register waaruit blijkt dat verdachte niet eerder ter zake van brandstichting is veroordeeld.

De deskundige genoemd onder 6. en de reclassering hebben zich tevens uitgelaten over de afdoening van de zaak.

Om eventuele herhaling te voorkomen adviseren zij aan verdachte een deels voorwaardelijke straf op te leggen. Hierbij dient, gekoppeld aan het voorwaardelijke strafdeel, aan verdachte de bijzondere voorwaarde te worden opgelegd dat hij zich zal houden aan de aanwijzingen van de reclassering, waarbij verdachte (onder meer) ook een intensieve alcoholregulatietraining bij het Boumanhuis en een training cognitieve vaardigheden dient te volgen.

Voorts heeft de reclassering geadviseerd aan verdachte een straatverbod op te leggen met betrekking tot de woonlocatie van de ex-vriendin.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op de ernst van het bewezenverklaard feit een gedeeltelijk voorwaardelijke vrijheidsbenemende straf passend en geboden is, te meer daar uit de rapportages ook naar voren komt dat een zo spoedig mogelijke aanvang van behandeling van verdachte geboden is.

De bijzondere voorwaarde zoals vermeld in het dictum zal dan ook worden opgelegd. Deze voorwaardelijke straf dient mede als waarschuwing aan de verdachte zich in de toekomst van het plegen van strafbare feiten te onthouden.

7.2 De vorderingen van de benadeelde partijen

Nu is komen vast te staan dat de benadeelde partij, [ P ], [ adres ], als gevolg van de bewezen verklaarde strafbare feiten rechtstreekse schade heeft geleden, zal het gevorderde bedrag van EUR 509,86 (zijnde het totale opgevoerde bedrag aan kosten minus de hierin verwerkte BTW) worden toegewezen, met veroordeling van verdachte in de kosten van de benadeelde partij, zoals hierna wordt bepaald.

Het overige deel van de vordering is niet van eenvoudige aard, zodat de benadeelde partij daarin niet-ontvankelijk zal worden verklaard. Dit deel kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Naast de toewijzing van de civiele vordering aan [ P ] zal de rechtbank bij deze benadeelde partij als extra waarborg voor de schadevergoeding tevens de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen.

Een en ander met dien verstande dat volledige voldoening aan de maatregel de toegewezen civiele vordering voor dat gedeelte doet vervallen en (omgekeerd) de vergoeding van de gehele schade tot het toegewezen bedrag door verdachte en/of derden de opgelegde maatregel doet vervallen.

Nu is komen vast te staan dat de benadeelde partij, [ X ], [ adres ], als gevolg van de bewezen verklaarde strafbare feiten is getroffen in een belang dat door de overtreden strafbepaling wordt beschermd en derhalve als gevolg hiervan rechtstreekse schade heeft geleden, zal de rechtbank het door haar gevorderde bedrag, te weten EUR 250,-- aan benadeelde partij toewijzen als vergoeding van de geleden immateriële schade, aangezien dit bedrag de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt, met veroordeling van verdachte in de kosten van de benadeelde partij, zoals hierna wordt bepaald.

Naast toewijzing van deze civiele vordering aan [ X ] zal de rechtbank als extra waarborg voor de schadevergoeding tevens de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen.

Een en ander met dien verstande dat volledige voldoening aan de maatregel de toegewezen civiele vordering voor dat gedeelte doet vervallen en (omgekeerd) de vergoeding van de gehele schade tot het toegewezen bedrag door verdachte en/of derden de opgelegde maatregel doet vervallen.

Nu is komen vast te staan dat de benadeelde partij, [ Y ], [ adres ], als gevolg van de bewezen verklaarde strafbare feiten rechtstreekse schade heeft geleden en de verdachte de inhoud van de door de benadeelde partij overlegde producties onvoldoende gemotiveerd heeft weersproken, zal de rechtbank een deel van het gevorderde bedrag, te weten EUR 500,= aan benadeelde partij toewijzen als vergoeding van de geleden immateriële schade, aangezien dit bedrag de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt, met veroordeling van verdachte in de kosten van de benadeelde partij, zoals hierna wordt bepaald.

Het overige deel van de vordering is niet van eenvoudige aard, zodat de benadeelde partij daarin niet-ontvankelijk zal worden verklaard. Dit deel kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Naast toewijzing van deze civiele vordering aan [ Y ] zal de rechtbank als extra waarborg voor de schadevergoeding tevens de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen.

Een en ander met dien verstande dat volledige voldoening aan de maatregel de toegewezen civiele vordering voor dat gedeelte doet vervallen en (omgekeerd) de vergoeding van de gehele schade tot het toegewezen bedrag door verdachte en/of derden de opgelegde maatregel doet vervallen.

8. De toepasselijke wettelijke voorschriften

De opgelegde straf is gegrond op de volgende wettelijke voorschriften:

de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 36f, 57 en 157 van het Wetboek van Strafrecht.

9. De beslissing

De rechtbank

verklaart bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals vermeld onder 4.1 van dit vonnis;

verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart dat het bewezenverklaarde de onder 5. vermelde strafbare feiten oplevert;

verklaart de verdachte hiervoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte wegens deze feiten tot:

een GEVANGENISSTRAF voor de duur van 30 (dertig) MAANDEN;

bepaalt dat een gedeelte van deze straf, te weten 10 (tien) MAANDEN

niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd die wordt bepaald op 3 (drie) JAREN, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of niet heeft nageleefd de hierna te melden bijzondere voorwaarden;

stelt als bijzondere voorwaarden dat

- de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen hem te geven door of namens de Stichting Reclassering Nederland te Dordrecht, zolang deze instelling dit noodzakelijk acht, ook indien zulks inhoudt het volgen van een intensieve alcoholregulatietraining zoals die gegeven wordt in het Boumanhuis en een training cognitieve vaardigheden, voor zover en voor zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

- de veroordeelde zich gedurende de proeftijd niet zal ophouden bij of in de naaste omgeving van het woonadres van [ X ];

- dat de verdachte op geen enkele wijze contact zal zoeken met [ X ] en/of [ Y ], ook niet via anderen;

voor wat betreft de duur van de behandeling geldt in het kader van deze bijzondere voorwaarde maximaal de duur van de proeftijd of zoveel korter als door de betreffende instelling noodzakelijk wordt geacht;

verstrekt aan de genoemde reclasseringsinstelling opdracht om aan veroordeelde hulp en steun te verlenen bij de naleving van de bijzondere voorwaarde;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

ten aanzien van de benadeelde partijen:

veroordeelt verdachte om tegen kwijting aan [ P ], [ adres] een bedrag van EUR 509,86 (vijfhonderdnegen euro en zesentachtig cent), met veroordeling tevens van verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken en vermeerderd met de wettelijke rente, tot deze uitspraak begroot op nihil;

legt op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van EUR 509,86 (vijfhonderdnegen euro en zesentachtig cent), ten behoeve van [ P ], voornoemd;

bepaalt dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt -onder handhaving van voormelde verplichting- vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 10 dagen;

bepaalt dat voldoening aan de bovengenoemde, aan verdachte opgelegde, maatregel de (tot hetzelfde bedrag) toegewezen civiele vordering aan de benadeelde partij doet vervallen en (omgekeerd) de vergoeding van de geleden schade tot het toegewezen bedrag door de veroordeelde, en/of derden de opgelegde maatregel doet vervallen;

verklaart de benadeelde partij [ P ] niet-ontvankelijk voor het resterende gedeelte van de vordering en bepaalt dat dit gedeelte slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.

veroordeelt verdachte om tegen kwijting aan [ X ], [ adres ] een bedrag van EUR 250,= (tweehonderdvijftig euro), met veroordeling tevens van verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken en vermeerderd met de wettelijke rente, tot deze uitspraak begroot op nihil;

legt op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van EUR 250,= (tweehonderdvijftig euro), ten behoeve van [ X ], voornoemd;

bepaalt dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt -onder handhaving van voormelde verplichting- vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 5 dagen;

bepaalt dat voldoening aan de bovengenoemde, aan verdachte opgelegde, maatregel de (tot hetzelfde bedrag) toegewezen civiele vordering aan de benadeelde partij doet vervallen en (omgekeerd) de vergoeding van de geleden schade tot het toegewezen bedrag door de veroordeelde en/of derden de opgelegde maatregel doet vervallen;

veroordeelt verdachte om tegen kwijting aan [ Y ], [ adres ] een bedrag van EUR 500,= (vijfhonderd euro), met veroordeling tevens van verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken en vermeerderd met de wettelijke rente, tot deze uitspraak begroot op nihil;

legt op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van EUR 500,= (vijfhonderd euro), ten behoeve van [ Y ], voornoemd;

bepaalt dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt -onder handhaving van voormelde verplichting- vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 5 dagen;

bepaalt dat voldoening aan de bovengenoemde, aan verdachte opgelegde, maatregel de (tot hetzelfde bedrag) toegewezen civiele vordering aan de benadeelde partij doet vervallen en (omgekeerd) de vergoeding van de geleden schade tot het toegewezen bedrag door de veroordeelde en/of derden de opgelegde maatregel doet vervallen;

verklaart de benadeelde partij [ Y ] niet-ontvankelijk voor het resterende gedeelte van de vordering en bepaalt dat dit gedeelte slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. drs. T.F. van der Lugt, voorzitter,

mr. H. Bedee en mr. G.A.J.M. van Vugt, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M.E. Boekholtz, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 20 juli 2006.