Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2006:AY4292

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
18-07-2006
Datum publicatie
19-07-2006
Zaaknummer
11/800882-05
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank spreekt vrij van dood door schuld in het verkeer, nu zij van oordeel is dat verdachte niet zodanig ernstig verwijtbaar handelen kan worden verweten, dat daarmee is voldaan aan het schuldvereiste als bedoeld in artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994.

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994
Wegenverkeerswet 1994 6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VR 2008, 23
Module Verkeer 2006/244
JWR 2006/67 met annotatie van TvdP
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

MEERVOUDIGE STRAFKAMER

Tegenspraak

Parketnummer: 11/800882-05

Zittingsdatum : 4 juli 2006

Uitspraak : 18 juli 2006

VERKORT STRAFVONNIS

De rechtbank Dordrecht heeft op grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting vonnis gewezen in de zaak tegen:

Verdachte,

geboren te [geboorteplaats] in 1980,

wonende te [adres].

De rechtbank heeft de processtukken gezien en kennis genomen van de

vordering van de officier van justitie en van hetgeen de verdediging naar voren

heeft gebracht.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de benadeelde partij.

1. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 21 mei 2005 te Lexmond, gemeente Zederik,

als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (shovel),

daarmede op een aan [straatnaam] gelegen erf, zeer, althans aanmerkelijk

onoplettend, onvoorzichtig en/of onachtzaam heeft gereden,

terwijl hij, verdachte wist, althans redelijkerwijze kon weten dat

[slachtoffer] zich op dat erf in de nabijheid van het door hem,

verdachte bestuurde motorrijtuig (shovel) bevond en/of

het geluidssysteem dat op of aan dat motorrijtuig (shovel) gemonteerd was en

bij het achteruitrijden van dat motorrijtuig (shovel) automatisch in werking

werd gesteld, door hem, verdachte was uitgeschakeld, met dat motorrijtuig

achteruit is gereden op het moment dat voormeld persoon [slachtoffer] zich

achter dat motorrijtuig (shovel) bevond,

waarbij hij, verdachte niet of in onvoldoende mate in de op of aan dat

motorriijtuig (shovel) gemonteerde spiegels heeft gekeken en/of is blijven

kijken en/of tegen en/of over die persoon [slachtoffer] is gereden,

en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan verdachtes schuld te wijten

verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander [slachtoffer] werd

gedood;

2. De voorvragen

2.1 De geldigheid van de dagvaarding

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

2.2 De bevoegdheid van de rechtbank

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

2.3 De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen feiten en/of omstandigheden gebleken, die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan.

2.4 De schorsing van de vervolging

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing van de vervolging gebleken.

3. Het onderzoek ter terechtzitting

3.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft -het ten laste gelegde bewezen achtend- gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van zes maanden met een proeftijd van twee jaren.

3.2 De verdediging

De verdediging heeft primair vrijspraak bepleit en subsidiair een strafmaatverweer gevoerd.

3.3 De vordering van de benadeelde partij

Als benadeelde partij heeft zich schriftelijk in het geding gevoegd [benadeelde partij].

Zij vordert verdachte te veroordelen aan haar te betalen een bedrag, ter zake van niet nader gespecificeerde materiële schadevergoeding.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot de niet-ontvankelijkheid van de benadeelde partij.

Door of namens de verdachte is afwijzing van de vordering, dan wel niet-ontvankelijkheid van de benadeelde partij bepleit.

4. De bewijsbeslissingen

4.1 De vrijspraak

Naar het oordeel van de rechtbank is niet bewezen wat aan de verdachte ten laste is gelegd.

Verdachte is op 25 mei 2005 als chauffeur van een shovel werkzaam geweest op de boerderij van het slachtoffer. Hij heeft daar met die shovel in plastic folie gewikkelde balen hooi verplaatst. Deze balen werden door verdachte getransporteerd van een aanhanger naar een plaats waar deze hooibalen op aanwijzing van onder andere het slachtoffer werden opgestapeld. Bij het achteruitrijden van de shovel heeft verdachte het slachtoffer aangereden. Het slachtoffer is aan de gevolgen van die aanrijding later op de dag in het ziekenhuis overleden.

Bij beoordeling van de vraag of sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW komt het volgens de uitspraak van de Hoge Raad d.d.1 juni 2004 (NJ 2005/252) aan op het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. In die uitspraak overweegt de Hoge Raad tevens dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met een of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in de zin van dat artikel.

De rechtbank neemt in het onderhavige geval in het bijzonder in aanmerking dat:

- verdachte met de shovel, op het erf waar de werkzaamheden werden uitgevoerd, een min of meer vaste, voor alle op het erf aanwezige personen kenbare, route voor- en achteruit reed;

- alle bij de werkzaamheden op die dag aanwezige personen, waaronder het slachtoffer, goed bekend waren met de aard van deze werkzaamheden nu zij de dag ervoor eveneens aanwezig waren bij het op dezelfde wijze verplaatsen van de hooibalen;

- hij deze route op de dag van het ongeval al vele tientallen keren had afgelegd;

- het slachtoffer, diens zoon en de chauffeur van de tractor, zich gedurende de werkzaamheden steeds op min of meer dezelfde plaats bevonden, namelijk steeds vóór de shovel. Het lag daarom niet voor de hand dat het slachtoffer zich plotseling achter de shovel zou bevinden. Ook is niet gebleken dat zich andere personen bij de werkzaamheden hebben opgehouden, zodat verdachte ook daarom er geen rekening mee hoefde te houden dat er iemand achter de shovel was. Het slachtoffer en zijn zoon bevonden zich nabij de plaats waar de hooibalen door verdachte geplaatst moest worden, teneinde beschadigingen aan de folie te repareren en om verdachte aanwijzingen te geven omtrent de exacte positie waar de balen geplaatst moesten worden;

- niet is gebleken dat verdachte de shovel gedurende de uitvoering van zijn werkzaamheden anders dan met normale snelheid voor- en achteruit heeft laten rijden. Verdachte heeft verklaard dat hij op de momenten dat het latere slachtoffer zich in de rijroute bevond zijn snelheid heef aangepast.

Het slachtoffer - zo volgt uit de getuigenverklaringen - is op enig moment van de plaats waar de hooibalen werden geplaatst weggelopen en later teruggelopen tot achter de shovel. Verdachte, voor wie op dat moment niet kenbaar was waar het slachtoffer zich bevond, reed vervolgens bij de gebruikelijke manoeuvre achteruit, terwijl het slachtoffer zich in de rijroute bevond, hetgeen het slachtoffer uiteindelijk fataal is geworden.

Verdachte heeft, zo heeft de rechtbank op grond van het verhandelde ter terechtzitting vastgesteld, bij het achteruitrijden van de shovel afwisselend naar voren, in zijn spiegels, naar opzij en naar de plaats waar de balen worden opgestapeld, moeten kijken. Verdachte kan er dus geen verwijt van worden gemaakt dat hij niet voortdurend in zijn spiegels of achterom heeft gekeken. Onder die omstandigheden is het mogelijk geweest dat verdachte het slachtoffer niet heeft gezien, waarbij in aanmerking dient te worden genomen dat de shovel een dode hoek heeft. Verdachte had vanuit zijn positie als bestuurder van de shovel geen zicht op personen die zich op dat moment vlak achter de manshoge shovel bevonden. De rechtbank is van oordeel dat op grond van het verhandelde ter zitting en de stukken uit het dossier niet is komen vast te staan dat verdachte onvoldoende in zijn spiegels heeft gekeken en dat hij het ongeval door meer oplettendheid had kunnen voorkomen.

Gebleken is dat verdachte het waarschuwingssysteem voor achteruitrijden had uitgeschakeld. Ten aanzien daarvan is de rechtbank niet gebleken dat zo'n systeem verplicht is gesteld voor een voertuig als de onderhavige shovel noch dat alle shovels over zo'n systeem zouden beschikken. De rechtbank is van oordeel dat deze gedraging daarom op zichzelf, rekening houdende met de hiervoor genoemde omstandigheden, er niet toe leidt dat sprake is van aanmerkelijk onoplettend, onvoorzichtig en /of onachtzaam rijden.

Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte niet zodanig ernstig verwijtbaar handelen kan worden verweten, dat daarmee is voldaan aan het schuldvereiste als bedoeld in artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994.

De verdachte zal daarom worden vrijgesproken van dat feit.

5. Overige beslissingen

5.1 De vordering van de benadeelde partij

Nu verdachte wordt vrijgesproken van het ten laste gelegde feit en voor dit feit om die reden geen straf of maatregel wordt opgelegd, zal de rechtbank de benadeelde partij, niet ontvankelijk verklaren in haar vordering.

7. De beslissing

De rechtbank

verklaart niet bewezen wat aan de verdachte ten laste is gelegd en SPREEKT de verdachte daarvan VRIJ;

verklaart de benadeelde partij, niet ontvankelijk in haar vordering, met veroordeling van de benadeelde partij in de kosten door de verdachte gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken - daaronder begrepen de eventuele incassokosten - tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. H.W. Bezemer, voorzitter,

mr. J.P.C. Obbink en mr. W.J.M. Diekman, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. L.C. Visser, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 18 juli 2006.