Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2006:AY1206

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
03-07-2006
Datum publicatie
06-07-2006
Zaaknummer
179953 HA VERZ 06-76
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij de bepaling van de vergoeding is niet meegenomen de voorgaande dienstbetrekkingen bij (de vennootschappen van) de schoonfamilie van de werknemer. Ook het "habe wenig"verweer wordt verworpen, gelet op de morele verplichting van de (schoon) familie om via, aan de feitelijk werkgever, gelieerde ondernemingen de vergoeding te voldoen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Sector kanton

Locatie Oud-Beijerland

kenmerk: 179953 HA VERZ 06-76

beschikking van de kantonrechter te Oud-Beijerland van 3 juli 2006

inzake het verzoek van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid C.V.-Hal B.V.,,

statutair gevestigd te Numansdorp, gemeente Cromstrijen, hierna te noemen: "C.V.-Hal",

verzoekster, gemachtigde mr.B.G.van Twist,

tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst met

[verweerder], wonende te [woonplaats], hierna te noemen: "[verweerder]",

verweerder, gemachtigde mr.J.D. de Rooij.

Verloop van de procedure

De kantonrechter beslist op de volgende processtukken:

1. het verzoekschrift dat ter griffie is binnengekomen op 11 mei 2006;

2. het verweerschrift;

3. de overgelegde producties.

De behandeling van het verzoekschrift is bepaald op 27 juni 2006.

Partijen zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtig-den.

De gemachtigden van partijen hebben gepersisteerd bij het in het verzoekschrift en

verweerschrift gestelde en hebben hun standpunten nog mondeling nader toege-licht.

Omschrijving van het geschil

1. Tussen partijen staat het volgende vast.

[verweerder] is werkzaam bij C.V.-Hal, het bedrijf waar zijn echtgenote [naam] tezamen met haar broer [naam] eigenaar is. [verweerder] verdient € 4920,- bruto per maand exclusief emolumenten. Voorheen, sinds 1982, was [verweerder] werkzaam bij aan C.V.-Hal gelieerde bedrijven c.q. rechtsvoorgangers daarvan.

[Echtgenote] en [verweerder] zijn medio 2005 in een echtscheidingsprocedure verwikkeld geraakt.

Op 17 november 2005 heeft [verweerder], als gevolg van de spanningen die de huwelijksperikelen met zich meebrengen, zich arbeidsongeschikt gemeld. De Arbo-arts achtte [verweerder] met ingang van 1 december 2005 weer arbeidsgeschikt. De Arbo-arts meende dat er wel sprake was van belemmerende factoren die uit de weg geruimd dienden te worden en adviseerde mediation.

[verweerder] is op 1 december 2005 niet aan het werk gegaan. Op 5 december 2005 heeft er een gesprek plaats gevonden tussen [verweerder] en [broer echtgenote]. Dat gesprek heeft er niet toe geleid dat [verweerder] weer ging werken. Vervolgens heeft C.V.-Hal aangekondigd dat zij vanaf 1 december 2005 de loonbetaling zal opschorten, omdat [verweerder] niet werkt ondanks dat hij door de Arbo-arts arbeidsgeschikt is bevonden.

[verweerder] heeft een second opinion gevraagd bij het UWV. De deskundige achtte [verweerder] op 1 december 2005 arbeidsgeschikt voor het verrichten van het eigen werk. Bij brief van 20 januari 2006 wordt zulks aan partijen medegedeeld. Desondanks gaat [verweerder] niet werken.

Op 2 februari 2006 is [verweerder] weer gaan werken.

Op 7 februari 2006, na een telefoongesprek dat op initiatief van [echtgenote] plaatsvond en die privé-zaken aan de orde stelde (onder werktijd), is [verweerder] erg kwaad geworden en tekeer gegaan. Vervolgens heeft hij zich weer arbeidsongeschikt gemeld.

Op 8 februari 2006 heeft de mondelinge behandeling van de voorlopige voorziening plaats gevonden. Omdat partijen, C.V.-Hal in de persoon van [broer van echtgenote], besloten mediation aan te gaan, is de mondelinge behandeling aangehouden. Op 14 februari 2006 hebben partijen een vaststellingsovereenkomst getekend. Kort gezegd komt het erop neer, dat partijen tot de conclusie komen dat zij beter uit elkaar kunnen gaan.

De raadsman van [verweerder] meent dat [verweerder] die overeenkomst onder druk heeft getekend en heeft zulks ook aan de mediator medegedeeld.

Een tweede mondelinge behandeling van de kort geding procedure heeft plaatsgevonden op 6 maart 2006. Partijen besloten opnieuw mediation aan te gaan, ditmaal om tot een oplossing te komen aangaande de condities waarop men uit elkaar zou gaan.

Deze mediation is niet geslaagd..

2. C.V.-Hal verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van gewichtige redenen, bestaande uit een verandering in de omstandigheden, welke van dien aard zijn dat de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve dadelijk of na korte tijd behoort te eindigen.

Ter adstructie van haar verzoek voert C.V.-Hal het volgende aan.

De onderlinge spanningen, het wantrouwen en de daardoor ontstane onwerkbare situatie, zijn in de afgelopen maanden dusdanig toegenomen, dat het in het belang van beide partijen is, meer in het bijzonder van C.V.-Hal dat de arbeidsovereenkomst op zeer korte termijn tot een einde komt.

Terzake het aantal dienstjaren gaat C.V.-Hal uit van 7 jaren. Zij meent dat als aanvangsdatum van het dienstverband de indiensttreding bij C.V.-Hal moet worden beschouwd. C.V.-Hal stelt primair dat [verweerder] geen recht heeft op een vergoeding, omdat de oorzaak van de ontbinding geheel dan wel in overwegende mate aan [verweerder] zijn te wijten. Volgens C.V.-Hal heeft [verweerder] zich niet als een goed werknemer gedragen. Zij verwijst daartoe naar de vaststaande feiten. Indien de kantonrechter toch aanleiding ziet voor toekenning van een vergoeding, meent C.V.-Hal dat er voor een neutrale vergoeding geen plaats is en dat de correctiefactor aanzienlijk minder dan 1 dient te zijn. In dat verband wijst zij op het door haar gestelde m.b.t. de oorzaak van de ontbinding. Zij meent dat die oorzaak in de risicosfeer van [verweerder] is gelegen. C.V.-Hal wijst voorts op haar slechte liquiditeitspositie. Bij toekenning van een vergoeding sluit zij een faillissement niet uit. Zij wijst in dat verband op de door overgelegde – tussentijdse cijfers – over het eerste kwartaal 2006 met als vergelijkende cijfers die over het hele boekjaar 2005.

3. [verweerder] refereert zich aan de verzochte ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Hij meent dat er geen sprake is van een normale werkgevers – werknemerrelatie, nu hij getrouwd is met de dochter van de eigenaar van de houdstervennootschap. Volgens [verweerder] spelen de familieverhoudingen een doorslaggevende rol in deze kwestie. Naar [verweerder] stelt is de vlam in de pan geslagen toen hij weigerde het concept-echtscheidingsconvenant te tekenen. In de visie van [verweerder] kan er geen werksituatie worden geschapen waarin hij en zijn echtgenote niet meer met elkaar te maken zouden hebben. Dat is, omdat het om een relatief klein familiebedrijf gaat, onmogelijk. Volgens [verweerder] is zijn werkhervatting binnen de kortste keren uitgelopen op een enorme ruzie, die haar oorsprong vindt in het uiteengaan van hem en zijn echtgenote.

[verweerder] betwist de juistheid van de door C.V.-Hal aangeleverde cijfers, nu deze zijn opgesteld door de boekhouder van de [naam]-vennootschappen. Volgens [verweerder] geven deze cijfers geen juist beeld en zijn zij niet door een accountant opgesteld.

[verweerder] meent dat hem als vergoedingsfactor C = 1 dient te worden toegekend, gelet op het feit dat C.V.-Hal zich in februari 2006 niet als een goed werkgever heeft opgesteld bij zijn werkhervatting. [verweerder] gaat voorts uit van een dienstverband vanaf 1982 en vraagt hem een vergoeding toe te kennen van € 132.840,--.

Met betrekking tot de duur van het dienstverband rekent [verweerder] alle voorgaande dienstbetrekkingen met ondernemingen waar de familie [naam] bij betrokken is/was mee.

Beoordeling van het geschil

4. De kantonrechter heeft zich ervan vergewist of het verzoek verband houdt met het bestaan van een opzegverbod. Daarvan is niet gebleken.

5. De kantonrechter is, gelet op hetgeen partijen over en weer hebben gesteld, van oordeel dat er sprake is van zodanige veranderingen in de omstandigheden dat de arbeidsovereenkomst wegens gewichtige redenen op korte termijn moet worden ontbonden. Immers tussen partijen is voldoende komen vast te staan dat de onderlinge verhoudingen dusdanig zijn verstoord dat van een verdere vruchtbare samenwerking geen sprake meer kan zijn. Daarbij komt nog dat [verweerder] zich ten aanzien van de verzochte ontbinding refereert.

6. Terzake de duur van het dienstverband overweegt de kantonrechter dat zij als datum indiensttreding aan zal merken 1 januari 1998. Hoewel [verweerder] formeel op 1 januari 1999 bij C.V.-Hal in dienst is getreden, staat onweersproken vast, dat hij reeds in 1998 bij C.V.-Hal aan het werk was. Aldus komt de kantonrechter tot 9 gewogen dienstjaren.

Gelet op alle gebleken, hiervoor omschreven, omstandigheden van het geval, komt het de kantonrechter billijk voor om aan [verweerder] ten laste van Hal een vergoeding toe te kennen van € 47.822,40 bruto, welke vergoeding dient om het inkomstenverlies van [verweerder] op te vangen indien deze elders met een lager betaalde betrekking genoe-gen dient te nemen, dan wel moet terugvallen op een uitke-ring krachtens enige sociale wetgeving. Bij de bepaling van de vergoeding heeft de kantonrechter mede in acht genomen de leeftijd van [verweerder], het bruto maand-salaris inclu-sief vakantie-toeslag en de vaste en overeengekomen loonbe-standdelen.

Bij de bepaling van de hoogte van het toe te kennen bedrag gaat de kantonrechter uit van

C = 1.

Vakinhoudelijk zijn er aan [verweerder] geen verwijten gemaakt. [verweerder] heeft bijna 25 jaar in dienst van (vennootschappen van) zijn schoonfamilie gewerkt. De huwelijksproblemen hebben ook de arbeidsrelatie op scherp gezet. Dat valt niet één van partijen in overwegende mate te verwijten.

Het “habe wenig” verweer wordt verworpen, aangezien het de kantonrechter voorkomt dat de familie [naam] het aan [verweerder] moreel verplicht is, desnoods via de gelieerde ondernemingen de gelden voor de vergoeding te fourneren, gelet op de feitelijke duur van de arbeidsrechtelijke samenwerking. Doordat slechts met de duur van het dienstverband met C.V.-Hal wordt gerekend, wordt overigens met de financiële positie van C.V.-Hal al voldoende rekening gehouden.

7. Het netto-equivalent van voormelde vergoeding dient ineens en geheel ter vrije beschikking van [verweerder] te komen.

8. Aan Hal wordt de mogelijkheid geboden het verzoek in te trekken nu aan de ontbinding een vergoeding wordt verbonden.

Beslissing

De kantonrechter:

stelt partijen in kennis van het voornemen de arbeidsovereenkomst van partijen te ontbinden waarbij aan [verweerder] een vergoeding ten laste van Hal wordt toegekend;

stelt Hal in de gelegenheid tot en met 7 juli 2006 het verzoek in te trekken.

In het geval Hal van deze bevoegdheid gebruik maakt:

veroordeelt Hal in de proceskosten, in deze procedure aan de zijde van [verweerder] gevallen, welke kosten tot op deze beslissing zijn bepaald op € 1.000,-- voor salaris van de gemachtigde van [verweerder].

In het geval Hal van deze bevoegdheid geen gebruik maakt:

ontbindt de overeenkomst van partijen met ingang van 10 juli 2006;

kent aan [verweerder] ten laste van Hal een vergoeding toe van € 47.822,94 bruto;

verstaat dat het netto-equivalent van voormeld brutobedrag uiterlijk binnen twee weken na opgemelde ontbindingsdatum moet zijn voldaan;

compenseert de kosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beslissing is gegeven door Mr.C.H.Kemp-Randewijk, kanton-rechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 juli 2006, in aanwezigheid van de griffier