Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2006:AY1073

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
03-07-2006
Datum publicatie
06-07-2006
Zaaknummer
174122 VV 06-4
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Werknemer, in dienst bij familiebedrijf van zijn vrouw, vordert bij voorlopige voorziening doorbetaling van loon tijdens ziekte over de periode 1 december 2005 tot 1 februari 2006 . Partijen gaan vervolgens tot 2 maal toe mediation aan. Er volgt geen regeling. Nadien wordt ook nog gevorderd loon van 1 maart 2006 tot medio juni 2006 (einde dienstbetrekking).Het eerste deel wordt afgewezen,omdat arbo arts en "second opinion" werknemer arbeidsgeschikt achtten per 1 december 2005. Het tweede deel van de vordering wordt toegewezen, omdat na de nieuwe ziekmelding geen controle heeft plaats gevonden en de second opinion dateert van ver voor de datum nieuwe ziekmelding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2006, 141
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Sector kanton

Locatie Dordrecht

kenmerk: 174122 VV 06-4

vonnis in kort geding van de kantonrechter te Oud-Beijerland van 3 juli 2006

in de zaak van:

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser, gemachtigde mr. J.D. de Rooij, advocaat te Rotterdam,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid C.V.-Hal B.V., statutair gevestigd te Numansdorp, gedaagde, gemachtigde mr. B.G. van Twist, advocaat te ’s-Gravendeel.

Partijen worden aangeduid als [eiser] en C.V.-Hal.

Verloop van de procedure

De kantonrechter wijst vonnis op de volgende processtukken:

1. de dagvaarding van zevenentwintig januari 2006;

2. de conclusie van antwoord;

3. de overgelegde bescheiden.

Omschrijving van het geschil

1. Tussen partijen staat het volgende vast.

[eiser] is werkzaam bij C.V.-Hal, het bedrijf waar zijn echtgenote [naam] tezamen met haar broer [naam] eigenaar is. [eiser] verdient € 4920,- bruto per maand exclusief emolumenten.

[echtgenote] en [eiser] zijn medio 2005 in een echtscheidingsprocedure verwikkeld geraakt.

Op 17 november 2005 heeft [eiser], als gevolg van de spanningen die de huwelijksperikelen met zich meebrengen, zich arbeidsongeschikt gemeld. De Arbo-arts achtte [eiser] met ingang van 1 december 2005 weer arbeidsgeschikt. De Arbo-arts meende dat er wel sprake was van belemmerende factoren die uit de weg geruimd dienden te worden en adviseerde mediation.

[eiser] is op 1 december 2005 niet aan het werk gegaan. Op 5 december 2005 heeft er een gesprek plaats gevonden tussen [eiser] en [broer van echtgenote]. Dat gesprek heeft er niet toe geleid dat [eiser] weer ging werken. Vervolgens heeft C.V.-Hal aangekondigd dat zij vanaf 1 december 2005 de loonbetaling zal opschorten, omdat [eiser] niet werkt ondanks dat hij door de Arbo-arts arbeidsgeschikt is bevonden.

[eiser] heeft een second opinion gevraagd bij het UWV. De deskundige achtte [eiser] op 1 december 2005 arbeidsgeschikt voor het verrichten van het eigen werk. Bij brief van 20 januari 2006 wordt zulks aan partijen medegedeeld. Desondanks gaat [eiser] niet werken.

Op 2 februari 2006 is [eiser] weer gaan werken.

Op 7 februari 2006, na een telefoongesprek dat op initiatief van mevrouw [echtgenote] plaatsvond en die privé-zaken aan de orde stelde (onder werktijd), is [eiser] erg kwaad geworden en tekeer gegaan. Vervolgens heeft hij zich weer arbeidsongeschikt gemeld.

Op 8 februari 2006 heeft de mondelinge behandeling van de onderhavige voorlopige voorziening plaats gevonden. Omdat partijen, C.V.-Hal in de persoon van [broer van echtgenote], besloten mediation aan te gaan, is de mondelinge behandeling aangehouden. Op 14 februari 2006 hebben partijen een vaststellingsovereenkomst getekend. Kort gezegd komt het erop neer, dat partijen tot de conclusie komen dat zij beter uit elkaar kunnen gaan.

De raadsman van [eiser] meent dat [eiser] die overeenkomst onder druk heeft getekend en heeft zulks ook aan de mediator medegedeeld.

Een tweede mondelinge behandeling van de onderhavige vordering heeft plaatsgevonden op 6 maart 2006. Partijen besloten opnieuw mediation aan te gaan, ditmaal om tot een oplossing te komen aangaande de condities waarop men uit elkaar zou gaan.

Deze mediation is niet geslaagd..

Inmiddels is een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst behandeld en hebben partijen gevraagd in de onderhavige zaak vonnis te wijzen.

Over december 2005 en januari 2006 heeft [eiser] geen loon ontvangen. Over de maand februari 2006 is het loon voldaan. Sedert 1 januari 2006 heeft C.V.-Hal aan [eiser] geen loon betaald.

2. [eiser] vordert - kort gezegd - loon over december 2005 en januari 2006 en vanaf 1 maart 2006 tot einde dienstbetrekking, alsmede de wettelijke verhoging en de wettelijke rente, een en ander op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag.

[eiser] voert aan dat hij als gevolg van een arbeidsconflict ziek is geworden. Zijn medische beperkingen zijn spanningsgerelateerde klachten. Subsidiair meent [eiser] dat hij aanspraak heeft op loon, omdat de oorzaak van het niet verrichten van arbeid door [eiser] in redelijkheid voor rekening van C.V.-Hal komt

Volgens [eiser] heeft C.V.-Hal op geen enkele wijze geprobeerd het conflict op te lossen

C.V.-Hal heeft de vorderingen gemotiveerd betwist.

3. C.V.-Hal heeft de verschuldigdheid van de vorderingen betwist. Met betrekking tot de loonvordering over de maanden december 2005 en januari 2006 verwijst C.V.-Hal naar de second opinion van het UWV waarin [eiser] arbeidsgeschikt wordt verklaard.

CV Hal heeft betoogd dat zij er alles aan heeft gedaan om spanningen te vermijden. De dagelijkse leiding van C.V.-Hal is in handen gekomen van [broer van echtgenote]. [Echtgenote] werkt feitelijk nog slechts voor Holland Warmte B.V., een aan C.V.-Hal gelieerd bedrijf, dat in een ander pand is gevestigd. C.V.-Hal heeft aangegeven dat ook wat haar betreft een voorzichtige hervatting van het werk in december 2005 het uitgangspunt is geweest. Volgens C.V.-Hal was [eiser] ook vanaf 7 februari 2006 niet arbeidsongeschikt, in feite verwijzend naar dezelfde second opinion, omdat er volgens C.V.-Hal sprake is van dezelfde situatie

Beoordeling van het geschil

4. Nu volgens de second opinion [eiser] arbeidsgeschikt werd geacht per 1 december 2005, komt het de kantonrechter voorshands voor, dat in een bodemprocedure geoordeeld zal worden dat [eiser] geen recht heeft op loon over de maanden december 2005 en januari 2006, omdat hij geen arbeid heeft verricht, terwijl hij niet arbeidsongeschikt moet worden geacht. De loonvordering over die periode zal dan ook worden afgewezen, nog daargelaten dat inmiddels dat onderdeel van de vordering het spoedeisende karakter heeft verloren.

5. [eiser] heeft zich op 7 februari 2006 opnieuw arbeidsongeschikt gemeld. De directe aanleiding was een emotioneel telefoongesprek over het echtscheidingsconvenant met [echtgenote], die hem daarover tijdens werktijd belde. De stelling van C.V.-Hal dat zij werk en privé van [eiser] gescheiden wenst te houden, wordt tenminste door deze actie van [echtgenote] ondergraven.

Wat daar verder ook van zij. Niet is gesteld of gebleken dat [eiser] na februari 2006 opnieuw door de Arbo-arts is opgeroepen, laat staan gezien. Juist vanwege de oplopende spanningen waarbij werk en privé door elkaar lopen voor beide partijen, diende de nieuwe arbeidsongeschiktheid opnieuw (in eerste instantie) door de Arbo-arts beoordeeld te worden. Dat de werkgeefster, C.V.-Hal, nagelaten heeft de Arbo-dienst in te schakelen, komt naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter voor haar rekening en risico. Dat betekent dat er voorshands vanuit wordt gegaan dat [eiser] vanaf 7 februari 2006 weer arbeidsongeschikt is en C.V.-Hal verplicht is het loon door te betalen. Nu deze periode extra lang heeft geduurd vanwege de mediation en C.V.-Hal, terecht, de afloop daarvan wenste af te wachten alvorens een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst in te dienen, geeft dit de kantonrechter aanleiding de gevorderde wettelijke verhoging te matigen tot nihil.

6. De gevorderde dwangsommen zullen worden afgewezen. [eiser] kan immers dit vonnis gewoon executeren.

De kantonrechter vindt aanleiding te kosten te compenseren.

Beslissing

De kantonrechter:

treft navolgende voorziening:

veroordeelt gedaagde aan eiser te betalen vanaf 1 maart 2006 tot het moment waarop de arbeidsovereenkomst zal zijn geëindigd, maandelijks een bedrag van € 4920,-, bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente steeds vanaf de dag waarop het salaris verschuldigd is geworden tot aan de voldoening;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de proceskosten;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.H.Kemp-Randewijk, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 juli 2006, in aanwezigheid van de griffier.