Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2006:AY0962

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
29-06-2006
Datum publicatie
06-07-2006
Zaaknummer
11/500162-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft verdachte wegens stalking van zijn ex-vriendin veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk. Bovendien is hem een contactverbod opgelegd. De rechtbank overwoog ten aanzien van de strafmaat in het bijzonder dat verdachte, nadat hij onder meer onder de voorwaarde geen contact met zijn ex-vriendin op te nemen uit de voorlopige hechtenis was geschorst, onmiddellijk naar zijn ex-vriendin toeging en haar opnieuw belaagde. Mede op grond daarvan acht de rechtbank de kans op recidive groot.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 285b
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 351
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NBSTRAF 2006/311
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

MEERVOUDIGE STRAFKAMER

Tegenspraak

Parketnummer: 11/500162-06

Zittingsdatum : 15 juni 2006

Uitspraak : 29 juni 2006

VERKORT STRAFVONNIS

De rechtbank Dordrecht heeft op grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting vonnis gewezen in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren in 1978,

wonende te [woonplaats]

thans gedetineerd in de P.I. Rijnmond, locatie De IJssel, te Krimpen aan den IJssel.

De rechtbank heeft de processtukken gezien en kennis genomen van de

vordering van de officier van justitie en van hetgeen de verdediging naar voren

heeft gebracht.

1. De tenlastelegging

De verdachte wordt verweten dat

hij in of omstreeks de periode van 21 oktober 2005 tot en met 14 maart 2006 te

Zwijndrecht en/of Rotterdam, in elk geval in Nederland, wederrechtelijk

stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer

van [slachtoffer], in elk geval van een ander, met het oogmerk [slachtoffer], in elk geval die ander te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen, immers heeft/is hij, verdachte, - zakelijk weergegeven - meermalen, althans eenmaal,

- meermalen naar de woning (adres) van voornoemde [slachtoffer] gegaan en/of zich (vervolgens) bij voornoemde woning (telkens) opgehouden en/of

- de woning (adres) van voornoemde [slachtoffer] binnengedrongen en/of

- die [slachtoffer] veelvuldig opgebeld en/of sms-berichten gestuurd en/of

- die [slachtoffer] (hinderlijk) gevolgd en/of

- die [slachtoffer] (telkens) bij haar werk en/of elders opgewacht en/of

- die [slachtoffer] geslagen en/of mishandeld en/of

- die [slachtoffer] de woorden heeft toegevoegd "ik maak je vandaag dood",

althans woorden van gelijke aard en/of strekking.

2. De voorvragen

2.1 De geldigheid van de dagvaarding

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

2.2 De bevoegdheid van de rechtbank

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen.

2.3 De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Het tenlastegelegde betreft volgens artikel 285b lid 2 van het Wetboek van Strafrecht een klachtdelict. Nu de door [slachtoffer] ingediende klacht ziet op de periode van 26 februari 2006 tot en met 14 maart 2006, verklaart de rechtbank de officier van justitie niet ontvankelijk in zijn vervolging ten aanzien van de periode van 21 oktober 2005 tot en met 25 februari 2006.

Ten aanzien van de overige feiten zijn tijdens het onderzoek ter terechtzitting geen feiten en/of omstandigheden gebleken, die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan.

2.4 De schorsing van de vervolging

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing van de vervolging gebleken.

3. Het onderzoek ter terechtzitting

3.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft -het ten laste gelegde bewezen achtend- gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest, met een proeftijd van 2 jaren. Als bijzondere voorwaarden heeft de officier van justitie gevorderd dat verdachte zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen van de Reclassering en dat verdachte gedurende de proeftijd op geen enkele wijze contact zal opnemen met [slachtoffer] en dat hij zich niet zal begeven binnen een straal van 100 meter van de woning van [slachtoffer], thans gelegen aan [adres].

3.2 De verdediging

De verdediging heeft een bewijsverweer en een strafmaatverweer gevoerd.

4. De bewijsbeslissingen

4.1 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte

in de periode van 26 februari 2006 tot en met 14 maart 2006 te Zwijndrecht en Rotterdam wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer], met het oogmerk die [slachtoffer] te dwingen iets te doen, te

dulden en vrees aan te jagen, immers heeft/is hij, verdachte, - zakelijk weergegeven -,

- meermalen naar de woning (adres) van voornoemde [slachtoffer] gegaan en zich vervolgens bij voornoemde woning telkens opgehouden en

- de woning (adres) van voornoemde [slachtoffer] binnengedrongen en

- die [slachtoffer] veelvuldig opgebeld en sms-berichten gestuurd en

- die [slachtoffer] hinderlijk gevolgd en

- die [slachtoffer] telkens bij haar werk en elders opgewacht en

- die [slachtoffer] geslagen en mishandeld.

Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Voor zover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4.2 De bewijsmiddelen

De rechtbank grondt haar overtuiging dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis met de bewijsmiddelen vereist, dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, in een aan dit vonnis gehechte bijlage worden opgenomen.

5. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

Het bewezenverklaarde levert op:

BELAGING.

6. De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7. De redenen, die de straf hebben bepaald of tot de maatregel hebben geleid

7.1 Strafmotivering

De rechtbank heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft na beëindiging van de relatie met aangeefster [slachtoffer] gedurende een periode - door de klacht begrensd van 26 februari 2006 tot en met 14 maart 2006 - zijn ex-vriendin stelselmatig lastig gevallen. Hij heeft zich op verschillende manieren aan haar opgedrongen ondanks het feit dat zij hem duidelijk maakte hier niet van gediend te zijn. Verdachte had daar geen boodschap aan, zocht zijn ex-vriendin regelmatig op, intimideerde haar en drong haar huis binnen. Ook mishandelde hij haar. Zijn ex-vriendin heeft dit als zeer bedreigend en beangstigend ervaren. In verband daarmee heeft zijn ex-vriendin bij de politie aangifte gedaan. Verdachte is hierop aangehouden en op 27 februari 2006 in verzekering gesteld. Op 2 maart 2006 is de voorlopige hechtenis geschorst onder oplegging van onder andere de bijzondere voorwaarde dat verdachte op geen enkele wijze contact zou opnemen met zijn ex-vriendin. Verdachte heeft zich daar niets van aangetrokken en heeft onmiddellijk contact met zijn ex-vriendin gezocht en heeft de belaging van haar voortgezet. Op 16 maart is de schorsing van de voorlopige hechtenis opgeheven en is verdachte opnieuw in bewaring gesteld.

Verdachte heeft door zijn handelwijze een forse inbreuk gemaakt op de privacy en integriteit van zijn ex-vriendin. Deze handelwijze dient scherp te worden afgekeurd. Stelselmatige inbreuk op de privacy en integriteit van iemand raakt immers direct aan de persoonlijkheid en het welbevinden van de belaagde en kan tot ernstige psychische problemen lijden. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van enige duur is dan ook op zijn plaats.

Een gedeelte van de op te leggen gevangenisstraf zal de rechtbank voorwaardelijk opleggen. De rechtbank overweegt in dat verband dat verdachte - die noch inkomen noch onderdak heeft en derhalve op kosten van zijn ex-vriendin leefde - onmiddellijk na de schorsing van de voorlopige hechtenis haar weer opzocht en verder ging haar te belagen. Vervolgens heeft zijn ex-vriendin een klacht wegens belaging ingediend, betrekking hebbende op voornoemde periode. Gelet hierop is de kans zeer groot dat verdachte - die absoluut niet kan verdragen dat zijn ex-vriendin de relatie met hem verbrak - na ommekomst van zijn detentie opnieuw contact met haar zoekt. De rechtbank acht dit ongewenst en zal in het kader van een voorwaardelijke veroordeling als bijzondere voorwaarde opleggen dat verdachte op geen enkele wijze contact met haar mag opnemen. Bovendien zal verdachte de bijzondere voorwaarde worden opgelegd dat hij begeleiding van de reclassering krijgt en dat hem de noodzakelijke hulp en steun wordt gegeven bij het herinrichten van zijn leven. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard daaraan te willen meewerken.

Op grond van het voren overwogene is de rechtbank van oordeel dat een deels vrijheidsbenemende straf van na te melden duur dient te worden opgelegd.

8. De toepasselijke wettelijke voorschriften

De opgelegde straf is gegrond op de volgende wettelijke voorschriften:

artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 285b van het Wetboek van Strafrecht.

9. De beslissing

De rechtbank

Verklaart de officier van justitie niet ontvankelijk in vervolging ten aanzien van de periode van 21 oktober 2005 tot en met 25 februari 2006;

verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals vermeld onder 4.1 van dit vonnis;

verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart dat het bewezenverklaarde het onder 5. vermelde strafbare feit oplevert;

verklaart de verdachte hiervoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte wegens dit feit tot:

een GEVANGENISSTRAF voor de duur van 12 (TWAALF) MAANDEN;

bepaalt dat een gedeelte van deze straf, te weten 6 (ZES) MAANDEN, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd die wordt bepaald op TWEE JAREN, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of niet heeft nageleefd de hierna te melden bijzondere voorwaarden;

stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen hem te geven door of namens de Stichting Reclassering Nederland, zolang deze instelling dit noodzakelijk acht, ook als deze aanwijzingen inhouden dat hij gesprekken voert met een psycholoog;

stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde gedurende de proeftijd op geen enkele wijze contact opneemt met [slachtoffer] en dat hij zich niet zal begeven binnen een straal van 100 meter van de woning van [slachtoffer], thans gelegen aan [adres];

verstrekt aan de genoemde reclasseringsinstelling opdracht om aan veroordeelde hulp en steun te verlenen bij de naleving van de bijzondere voorwaarde;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. drs. T.F. van der Lugt, voorzitter,

mrs. J.P.C. Obbink en W.J.M. Diekman, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. L.C. Visser, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 29 juni 2006.