Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2006:AY0898

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
29-06-2006
Datum publicatie
06-07-2006
Zaaknummer
11/500205-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft verdachte wegens een poging overval op een cafetaria veroordeeld tot een gevangenisstraf van 10 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk. Daarbij is de bijzondere voorwaarde opgelegd zich te houden aan de aanwijzingen van de reclassering, ook als dat inhoudt opname van betrokkene in een op het gebied van drugsverslaving gespecialiseerd ziekenhuis. De rechtbank overwoog ten aanzien van de strafmaat en -vorm dat verdachte in verminderde mate toerekeningsvatbaar moet worden geacht en dat pogingen hem uit het verslaafdencircuit te krijgen zwaarwegend zijn. De rechtbank overwoog echter tevens dat verdachte weliswaar aangaf met zijn handelen een kreet om hulp te hebben willen geven en dat hij bij het plegen van de overval schrok van wat hij aan het doen was en snel het cafetaria uitliep, maar dat een dergelijk handelen nooit een rechtvaardiging kan zijn een ander tot slachtoffer te maken om zelf hulp te krijgen.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 45
Wetboek van Strafrecht 317
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 351
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NBSTRAF 2006/310
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

MEERVOUDIGE STRAFKAMER

Tegenspraak

Parketnummer: 11/500205-06

Zittingsdatum : 15 juni 2006

Uitspraak : 29 juni 2006

VERKORT STRAFVONNIS

De rechtbank Dordrecht heeft op grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting vonnis gewezen in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren in 1982,

wonende te [woonplaats],

thans gedetineerd in de P.I. Zuid-West, locatie Dordtse Poorten, te Dordrecht.

De rechtbank heeft de processtukken gezien en kennis genomen van de

vordering van de officier van justitie en van hetgeen de verdediging naar voren

heeft gebracht.

1. De tenlastelegging

De verdachte wordt verweten dat

Primair

hij op of omstreeks 16 maart 2006 te Leerdam ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf

A. om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen geld

en/of goederen, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer]

in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke poging tot

diefstal werd vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met

geweld tegen [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal

gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf

hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te

verzekeren, welk geweld en/of bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat

hij, verdachte, een (brood)mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp,

in de richting van [slachtoffer] heeft gehouden, althans aan [slachtoffer]

heeft getoond en/of (daarbij dreigend) heeft geroepen: "Geld, geld, geld",

althans soortgelijke woorden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen

misdrijf niet is voltooid;

en/of

B. om met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen

door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] te dwingen tot de

afgifte van geld en/of goederen, in elk geval van enig goed, geheel of ten

dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of

anderen dan aan verdachte, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld

hierin bestond(en) dat hij, verdachte, een (brood)mes, althans een scherp

en/of puntig voorwerp, in de richting van [slachtoffer] heeft gehouden,

althans aan [slachtoffer] heeft getoond en/of (daarbij dreigend) heeft

geroepen: "Geld, geld, geld", althans soortgelijke woorden, terwijl de

uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair

hij op of omstreeks 16 maart 2006 te Leerdam [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend een mes gericht en/of gericht gehouden op en/of in de richting van [slachtoffer] en/of getoond aan [slachtoffer] en/of (daarbij) deze dreigend de woorden toegevoegd: "geld, geld, geld", althans woorden van gelijke aard of strekking.

2. De voorvragen

2.1 De geldigheid van de dagvaarding

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

2.2 De bevoegdheid van de rechtbank

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen.

2.3 De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen feiten en/of omstandigheden gebleken, die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan.

2.4 De schorsing van de vervolging

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing van de vervolging gebleken.

3. Het onderzoek ter terechtzitting

3.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft -het primair ten laste gelegde bewezen achtend- gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 10 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest, met een proeftijd van 2 jaren. Als bijzondere voorwaarde heeft de officier van justitie gevorderd dat verdachte zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen van de Reclassering, ook als dit opname in een gespecialiseerde kliniek inhoudt

3.2 De verdediging

De verdediging heeft een strafmaatverweer gevoerd.

4. De bewijsbeslissingen

4.1 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

(primair)

op 16 maart 2006 te Leerdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf

om met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer] te dwingen tot de afgifte van geld toebehorende aan [slachtoffer], welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij, verdachte, een broodmes in de richting van die [slachtoffer] heeft gehouden en daarbij dreigend heeft geroepen: "Geld, geld, geld", terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Voor zover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4.2 De bewijsmiddelen

De rechtbank grondt haar overtuiging dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis met de bewijsmiddelen vereist, dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, in een aan dit vonnis gehechte bijlage worden opgenomen.

5. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

Het bewezenverklaarde levert op:

(primair)

POGING TOT AFPERSING.

6. De strafbaarheid van de verdachte

Op 2 juni 2006 heeft de psycholoog een rapport uitgebracht omtrent verdachte. In dat rapport wordt onder meer - zakelijk weergegeven - gerelateerd:

dat ten tijde van het begaan van het ten laste gelegde feit bij betrokkene sprake was van een afhankelijkheid van middelen en een persoonlijkheidsstoornis, onder andere bestaande uit een gebrek aan empathie en een in beperkte mate ontwikkeld geweten. Betrokkene kan op grond hiervan worden beschouwd als enigszins verminderd toerekeningsvatbaar. Het ten laste gelegde feit kan betrokkene enigszins verminderd worden toegerekend.

De rechtbank verenigt zich met de conclusie van de voormelde rapportage op grond van de onderbouwing ervan. Zij is van oordeel dat op grond van het strafdossier, het verhandelde ter terechtzitting en de rapportage van voornoemde deskundige, voldoende is komen vast te staan dat het ten laste gelegde en bewezen verklaarde feit in verminderde mate aan verdachte kan worden toegerekend.

Ook overigens is er geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar

7. De redenen, die de straf hebben bepaald of tot de maatregel hebben geleid

7.1 Strafmotivering

De rechtbank heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft, gewapend met een broodmes, een cafetaria overvallen. Verdachte zat diep in de schulden en was verslaafd aan verdovende middelen. Hij was niet meer in staat in zijn behoefte te voorzien en besloot een overval te plegen. Nadat hij eerst had rondgelopen en het betreffende cafetaria was gepasseerd, keerde hij terug naar de cafetaria, keek of er klanten binnen waren en toen dat niet het geval bleek, stapte hij naar binnen. Hij liep op de cafetariamedewerkster die achter de balie stond af, haalde een broodmes uit zijn zak, hield dat in haar richting en eiste geld. Hij gooide een plastic zak naar de cafetariamedewerkster om daar het geld in te doen. De cafetariamedewerkster schrok enorm, riep dat verdachte geen geld kreeg en weg moest gaan, rende naar de keuken, drukte de alarmknop in, pakte een mes en liep daarmee terug. Inmiddels was verdachte verdwenen. Later heeft hij verklaard dat hij zelf geschrokken was van wat hij aan het doen was, dat hij met zichzelf in de knoop zat en dat hij inzag dat het plegen van een overval geen goede manier was om uit de problemen te komen. Vervolgens heeft verdachte zich bij de politie gemeld.

De rechtbank heeft mede uit de rapportage van de hiervoor genoemde deskundige de overtuiging bekomen dat verdachte inderdaad in de problemen zat en hulp zocht. De rechtbank overweegt echter dat een dergelijke situatie nooit een rechtvaardiging kan zijn een ander tot slachtoffer te maken om zelf hulp te krijgen. Verdachte heeft er niet alleen voor gezorgd dat de betreffende cafetariamedewerkster enorm is geschrokken, maar heeft ook een groot risico gelopen dat hij ten tijde van de overval zichzelf niet in de hand zou kunnen houden en daadwerkelijk met het broodmes zou steken. Dat het kordate optreden van de cafetariamedewerkster erger heeft voorkomen is dan ook niet de verdienste van verdachte geweest. Het had veel erger kunnen aflopen.

Een misdrijf als afpersing brengt bij slachtoffers angst en gevoelens van onveiligheid teweeg. Bovendien kan het leiden tot langdurige psychische schade. Een dergelijke daad roept in de maatschappij eveneens gevoelens van onrust en onveiligheid op.

Wat de persoon van verdachte betreft, heeft de rechtbank in het bijzonder acht geslagen op de door psycholoog omtrent verdachte uitgebrachte Pro Justitia rapportage d.d. 2 juni 2006, alsmede de justitiële documentatie d.d. 20 maart 2006. De psycholoog adviseert aan verdachte een verplicht reclasseringscontact op te leggen in het kader van een bijzondere voorwaarde bij strafoplegging. Hierbij wordt geadviseerd om verdachte, gezien de hardnekkige afhankelijkheid van drugs, te laten behandelen door middel van een opname in een daartoe gespecialiseerd ziekenhuis. De reclasseringsdienst van Bouman GGZ ziet hiertoe concrete mogelijkheden. De rechtbank kan zich in dit advies vinden en zal dit, in de vorm van een bijzondere voorwaarde, opnemen in de uitspraak. Uit de justitiële documentatie blijkt dat verdachte nog geen vermogensdelicten op zijn naam heeft staan.

De rechtbank houdt bij het bepalen van de duur van de op te leggen vrijheidsstraf rekening met de omstandigheid dat het bewezen verklaarde feit slechts in verminderde mate aan verdachte kan worden toegerekend.

Op grond van het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat een deels vrijheidsbenemende straf van na te melden duur dient te worden opgelegd.

8. De toepasselijke wettelijke voorschriften

De opgelegde straf is gegrond op de volgende wettelijke voorschriften:

Artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 45, 317 van het Wetboek van Strafrecht.

9. De beslissing

De rechtbank

verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals vermeld onder 4.1 van dit vonnis;

verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart dat het bewezenverklaarde het onder 5. vermelde strafbare feit oplevert;

verklaart de verdachte hiervoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte wegens dit feit tot:

een GEVANGENISSTRAF voor de duur van 10 MAANDEN;

bepaalt dat een gedeelte van deze straf, te weten 4 MAANDEN, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd die wordt bepaald op TWEE JAREN, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of niet heeft nageleefd de hierna te melden bijzondere voorwaarde;

stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen hem te geven door of namens de Stichting Reclassering Nederland, zolang deze instelling dit noodzakelijk acht, ook als dit opname in een op het gebied van drugsverslaving gespecialiseerd ziekenhuis inhoudt;

verstrekt aan de genoemde reclasseringsinstelling opdracht om aan veroordeelde hulp en steun te verlenen bij de naleving van de bijzondere voorwaarde;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. drs. T.F. van der Lugt, voorzitter,

mr. P.L. van Dijke en mr. W.J.M. Diekman, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. L.C. Visser, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 29 juni 2006.