Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2006:AX2867

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
18-05-2006
Datum publicatie
19-05-2006
Zaaknummer
157913 CV EXPL 05-2034
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Overtreding non-concurrentiebeding; nietig boetebeding.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 94
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 653
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAR 2006/144 met annotatie van mr. E. Knipschild
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Sector kanton

Locatie Dordrecht

Kenmerk: 157913 CV EXPL 05-2034

vonnis van de kantonrechter te Dordrecht van 18 mei 2006

in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Pellikaan’s Verpakkingen B.V.,

gevestigd te Sliedrecht,

eiseres in conventie,

gedaagde in reconventie,

gemachtigde: mr. E.F.H.M. Voets,

rolgemachtigde: Th. J. Wouters,

tegen :

[X],

wonende te […],

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

gemachtigde: mr. M.W. van de Loo.

Het verdere verloop van de procedure

In conventie en reconventie.

Bij vonnis d.d. 29 september 2005 is een comparitie van partijen gelast, die op 4 november 2005 heeft plaats gevonden.

Ter gelegenheid van die comparitie is aan eiseres de volgende bewijsopdracht gegeven: "stelt Pellikaan's Verpakkingen in de gelegenheid te bewijzen dat [X], na het einde van het dienstverband, in strijd heeft gehandeld met het concurrentiebeding.".

Op 17 januari 2006 zijn door eiseres vijf getuigen voorgebracht en op 30 maart heeft gedaagde twee getuigen doen horen.

Beide partijen hebben vervolgens nog een akte genomen.

Beoordeling van het geschil

in conventie en in reconventie

Het tussen partijen geldende non-concurrentiebeding luidt als volgt:

(…)

ad 1.

Het is mij bekend, dat het mij niet toegestaan is gedurende de loop van de dienstbetrekking voor een ander (werkgever of opdrachtgever) werkzaam te zijn, noch direct, noch indirect en dat ik mij dien te onthouden van het doen van zaken voor eigen rekening. (…)

Ad 3.

Het is mij verboden binnen een tijdvak van 2 jaar na beëindiging van mijn dienstbetrekking bij U, zelf binnen een kring (of straal) van 50 km met Sliedrecht als middelpunt, in enigerlei vorm een zaak, gelijk, gelijksoortig, of aanverwant aan die van Uw bedrijf te vestigen, te drijven, mede te drijven, of te doen drijven, hetzij direct, hetzij indirect, als ook financieel in welke vorm dan ook bij een dergelijke zaak belang te hebben, direct of indirect, of daarin of daarvoor op enigerlei wijze werkzaam te zijn, hetzij tegen vergoeding, hetzij om niet of daarin aandeel van welke dan ook te hebben. Bij overtreding van dit verbod zal een dadelijk opeisbare boete verbeurd worden ad f. 1.000,-- voor elke dag der overtreding, welke boete niet voor matiging in aanmerking komt.

Ad.5.

Het is mij verboden, hetzij gedurende de dienstbetrekking, hetzij na beëindiging daarvan, op enigerlei wijze aan derden direct of indirect, in welke vorm dan ook en in welke voege, enige mededeling te doen van of aangaande enige bijzonderheden betreffende uwe onderneming, of daarmede verbandhoudende met de (gedane) werkzaamheden, zulks op straffe van een verbeurte boete, een schadevergoeding, respectievelijk andere wettelijke maatregelen."

Aangezien gedaagde niet heeft ontkend dat hij een soortgelijk bedrijf heeft opgericht, maar steeds heeft betoogd dat hij vanuit [V.] (buiten de straal van 50 km van Sliedrecht) heeft geopereerd, spitst de zaak zich daar voornamelijk op toe.

De verklaringen van de voorgebrachte getuigen afzonderlijk en in onderlinge samenhang bezien, leiden tot de conclusie dat gedaagde wel degelijk (mede) vanuit [V.] (binnen de verboden straal) heeft gehandeld, zodat eiseres in het haar opgedragen bewijs is geslaagd.

De volgende getuigen hebben verklaard dat gedaagde in [V.] een onderneming is gestart:

"(…) In augustus 2004, op de verjaardag van zijn dochter, liet [X] mij weten dat hij voor zichzelf ging beginnen met een compagnon in [V.].", aldus de getuige […].

"(…) Ik heb hem voor een mooi prijsje verlichtingsarmaturen verkocht en geleverd en deze waren bestemd voor de showroom in [V.]. (…) Ik ben bij de opening aanwezig geweest en heb de verlichtingsarmaturen ook zien hangen. Bij die gelegenheid waren [X] en zijn compagnon aanwezig. [X] trad als gastheer op.", aldus de getuige […].

"(…) Wij doen nu zaken met [X] die zowel in [V.] als in [V.] is gevestigd.", aldus de door gedaagde voorgebrachte getuige […].

"(…) Ik ben toen naar de Verpakkingsgigant in [V.] overgestapt, dat was [X].",

aldus de door gedaagde voorgebrachte getuige […].

Daarbij komt ook nog dat gedaagde, zelfs indien de getuigen geen verklaringen m.b.t. [V.] zouden hebben afgelegd, reeds op grond van eigen handelingen als schender op het non-concurrentiebeding kan worden aangemerkt, doordat hij op het briefpapier van zijn onderneming en in reclameboodschappen tot uitdrukking heeft gebracht dat in [V.] de showroom en /of het magazijn is gevestigd. Aangezien een showroom en/of magazijn een wezenlijk onderdeel van een onderneming als die van gedaagde vormt, staat daarmee al vast dat de onderneming van gedaagde tevens in [V.] was gevestigd, hetgeen niet was toegestaan.

Op grond van het hiervoor overwogene, dient thans te worden bezien in welke mate de vorderingen van eiseres kunnen worden toegewezen.

Eiseres vordert, kort samengevat (zie voor uitgebreid het vonnis van 29 september 2005), om gedaagde in conventie bij vonnis te veroordelen:

1. tot strikte naleving van de bepalingen van de concurrentieovereenkomst onder verbeurte van een dwangsom van € 450,-- per dag of een deel van een dag;

2. de betaling van de boete die gedaagde op grond van overtreding van het non- concurrentiebeding tot de dag der dagvaarding verschuldigd is, zijnde een bedrag groot € 38.571,32 en een pm-bedrag voor de periode na de dag der dagvaarding.;

3. de betaling van een bedrag groot € 21.327,67 te rekenen tot de dag der dagvaarding, op grond van overtreding van het onderdeel van de concurrentieovereenkomst, houdende een verbod om mededelingen aan derden te doen, alsmede de betaling van een pm-bedrag voor de overtreding in de periode na de dag der dagvaarding;

4. de betaling van een schadevergoeding wegens winstderving, begroot op een bedrag van € 53.035,24 over de jaren 2005 en 2006;

5. de betaling van een schadevergoeding wegens reputatieverlies, begroot op een bedrag van € 25.000,--;

6. de veroordeling van gedaagde in de kosten van de procedure.

De vordering onder 1 zal worden toegewezen, omdat de non-concurrentieovereenkomst nog tot en met oktober 2006 van kracht blijft en eiseres bij die toewijzing, zoals deze thans is geformuleerd, dus nog belang heeft.

Dat gedaagde zoals hij bij akte van 27 april 2006 heeft medegedeeld in april 2006 de vestiging te [V.] zal verlaten doet daar niet aan af.

De vordering onder 2 wordt afgewezen op grond van art. 6:94 lid 3 BW, omdat het in de overeenkomst geformuleerde boetebeding, waarbij de matiging is uitgesloten, nietig is.

Voor het onder 3 gevorderde is geen aanleiding. Onvoldoende is gesteld en gebleken dat gedaagde artikel 5 van de non-concurrentieovereenkomst heeft overtreden, nog daargelaten dat de door eiseres dienaangaande gevorderde bedragen zijn geënt op een (in Eurocourant omgerekende) boete uit artikel 3 van die overeenkomst, welke boete vanwege de nietigheid van het beding, zoals hiervoor al is overwogen, niet bestaat.

Uit de stellingen van eiseres en de gedragingen van gedaagde staat wel vrijwel vast, dat eiseres door de handelwijze van gedaagde schade heeft geleden, welke schade dan ook voor vergoeding in aanmerking dient te komen.

De hoogte van die schade en met name ook de daarbij behorende stelling dat eiseres reputatieverlies heeft geleden zijn echter tot nu toe in deze procedure bepaald onvoldoende belicht gebleven en mitsdien is de hoogte van de schade onduidelijk, zodat die schade vooralsnog niet voor toewijzing vatbaar is.

Eiseres zal alsnog in de gelegenheid worden gesteld om haar geleden schade nader te onderbouwen, waarbij het uitsluitend nog kan gaan om de schade die zij wegens de schending van artikel 3 van de non-concurrentieovereenkomst, tevens omvattende een eventueel daaruit voortgevloeid, op schade te waarderen reputatieverlies, heeft geleden.

De zaak zal daartoe naar de rol van 9 juni 2006 worden verwezen. Gedaagde zal daarna in de gelegenheid worden gesteld om uitsluitend op de schadeopstelling van eiseres te reageren.

De reconventionele vorderingen stuiten alle af op de toewijzing in conventie en zullen worden afgewezen. Eiser in reconventie zal in de kosten van de reconventie worden veroordeeld.

Beslissing

De kantonrechter:

in conventie

1. veroordeelt gedaagde tot strikte naleving van de bepalingen van de concurrentieovereenkomst voor de in die bepalingen genoemde perioden, onder verbeurte van een dwangsom van € 450,-- per dag of deel van een dag dat gedaagde in strijd handelt met één of meerdere van de bepalingen van de concurrentieovereenkomst;

2. stelt eiseres in de gelegenheid om de schade die zij wegens de schending van artikel 3 van de non-concurrentieovereenkomst, tevens omvattende een eventueel daaruit voortgevloeid, op schade te waarderen, reputatieverlies, heeft geleden nader te onderbouwen;

houdt iedere verdere beslissing aan .

in reconventie

wijst de vorderingen af met veroordeling van eiser in reconventie in de kosten van het geding in reconventie, tot op heden aan de zijde van gedaagde in reconventie bepaald op € 1.200,-- aan salaris gemachtigde;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.D. Rentema, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 mei 2006, in aanwezigheid van de griffier.