Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2006:AW1768

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
10-04-2006
Datum publicatie
13-04-2006
Zaaknummer
176107 HA VERZ 06-155
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek tot (partiële) ontbinding arbeidsovereenkomst afgewezen ten aanzien van nachtmedewerkster die niet heeft ingestemd met het laten vervallen van 10 minuten overdrachtstijd tussen nacht- en dagdienst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Sector kanton

Locatie Dordrecht

kenmerk: 176107 HA VERZ 06-155

beschikking van de kantonrechter te Dordrecht van 10 april 2006

inzake het verzoek van:

De Stichting Protestants Christelijk Woon- en Zorgcentrum De Lichtkring,

gevestigd te Zwijndrecht,

verzoekende partij,

gemachtigde mr. P.J.E.M. Nuijten,

tot (partiële) ontbinding van de arbeidsovereenkomst met

[…],

wonende te […] aan de […],

verwerende partij,

gemachtigde mr. J. Witvoet.

Verloop van de procedure

De kantonrechter beslist op de volgende processtukken:

1. het verzoekschrift dat ter griffie is binnengekomen op 27 februari 2006;

2. het verweerschrift;

3. de overgelegde producties,

4. de pleitnotities van mr. P.J.E.M. Nuijten

De behandeling van het verzoekschrift is bepaald op 4 april 2006.

Partijen zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtig-den.

De gemachtigden hebben gepersisteerd bij het in het verzoekschrift en

verweerschrift gestelde en hebben hun standpunten nog mondeling nader toegelicht.

De feiten en de standpunten van partijen

Verweerster, thans 48 jaren oud, is op 22 maart 1999 bij verzoekster in dienst getreden en oefent daar laatstelijk op basis van 19,1 uren per week de functie van verzorgende nachtdienst uit. Zij verdient € 1085,03 per maand bruto, exclusief 8% vakantietoeslag en exclusief variabele looncomponenten, zoals vergoeding voor extra gewerkte uren en onregelmatigheidstoeslag.

Verzoekster vraagt primair, op grond van een gewichtige reden, de partiële ontbinding van de tussen haar en verweerder bestaande arbeidsovereenkomst voor een gedeelte van 0,3 uur per week, onder instandhouding van de overeenkomst voor de overige 18,8 uren op weekbasis, zonder toekenning van een vergoeding. De gewichtige reden betreft veranderingen in de omstandigheden die van dien aard zijn dat de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve dadelijk of na korte tijd behoort te eindigen.

Subsidiair vraagt verzoekster om de ontbinding van de gehele arbeidsovereenkomst, met dien verstande en onder de garantie dat na de ontbindingsdatum aansluitend aan verweerster een nieuwe arbeidsovereenkomst, onder gelijke condities, voor 18,8 uren tegen het daarvoor geldende salaris, wordt aangeboden.

Verweerster heeft zich tegen de gevraagde ontbinding verzet.

Verzoekster heeft ter onderbouwing van haar verzoek het volgende aangevoerd:

- Verzoekster is een woon- en zorgcentrum met 55 verzorgingsplaatsen waar "zorg op maat" wordt aangeboden.

- Verweerster is vanaf 1 september 2001 bij verzoekster tot volle tevredenheid in dienst als bejaardenverzorgende en sedert 1 juni 2002 als nachtdienstverzorgende.

- Vanaf 24 april 2002 werkte verweerster voor 18,8 uur per week, welk urenaantal per 1 juni 2002, neergelegd in een wijzigingsovereenkomst van 21 juni 2002, is verhoogd naar 19,1 uren, zulks ten behoeve van 10 minuten extra overdrachtstijd tussen de nacht- en de dagdienst.

- In augustus 2004 heeft verzoekster besloten om haar personele kosten, vanwege bedrijfseconomische en bedrijfsorganisatorische omstandigheden, terug te dringen en de 10 minuten overdrachtstijd tussen dag- en nachtdienst, die om organisatorische redenen ook niet meer nodig waren, weer te laten vervallen.

- Bij brief van 23 november 2004 heeft verzoekster aan de zes de nachtmedewerksters, waaronder verweerster voorgesteld om deze 10 minuten weer met ingang van 1 januari 2005 te laten vervallen onder toepassing van een overgangsregeling van drie maanden.

- De overige vijf nachtmedewerksters zijn met dat voorstel accoord gegaan; verweerster niet.

- Vanaf 1 januari 2005 vindt de overdracht van de nacht- naar de dagdienst tussen 6.50 uur en 7.00 uur plaats. Verweerster blijft echter niettemin tot 7.10 uur op het werk, zonder redelijk doel te dienen, omdat de dagdienst haar werkzaamheden vanaf 7.00 uur overneemt.

- Verzoekster heeft thans recht en belang bij een harmonisatie van de arbeidsvoorwaarden van de nachtmedewerkers, omdat verweerster nog als enige uit de pas loopt.

- Voor toekenning van een ontbindingsvergoeding is geen reden, omdat verweerster vanaf 1 januari 2005 salaris en vakantietoeslag heeft ontvangen op basis van 19,1 uren.

Verweerster heeft het volgende als verweer aangevoerd:

- De noodzaak om het einde van de nachtdiensttijd van 7.10 uur naar 7.00 uur te wijzigen, is door verzoekster niet aangetoond en komt bovendien geheel voor haar risico.

- De bedrijfseconomische noodzaak voor de maatregel wordt betwist, terwijl ook niet kan worden aangenomen dat deze jegens verweerster voorgenomen maatregel een substantiële verbetering van de bedrijfseconomische positie van verzoekster oplevert.

- Eventuele alternatieven voor een meer substantiële bezuiniging zijn niet inzichtelijk gemaakt.

- Aanvankelijk heeft verzoekster de wijziging in haar beleid om de overdrachtstijd van nacht naar dag met 10 minuten te vervroegen eenzijdig jegens verweerster willen doorvoeren door het salaris van verweerster voor 0,3 uur in te houden en het inmiddels betaalde salaris over die uren in rechte terug te vorderen.

- Bij vonnis d.d. 24 november 2005 heeft de rechtbank Dordrecht, sector kanton, locatie Dordrecht, die vordering van verzoekster afgewezen.

- Verweerster zit niet stil tussen 7.00 en 7.10 uur, omdat zij nog werkzaamheden moet verrichten die de dagdienstmedewerkers niet overnemen. Bovendien wordt verweerster geacht aangevangen handelingen af te maken in plaats van die abrupt om klokke zeven uit haar handen te laten vallen, welke handelingen dan nu ineens niet meer voor vergoeding in aanmerking zouden komen.

- Bij ontbinding zou een vergoeding wel in de rede liggen, omdat aan verweerster geen verwijt valt te maken.

Beoordeling

De kantonrechter heeft zich ervan vergewist dat het verzoek geen verband houdt met het bestaan van een opzegverbod.

In de rechtspraak wordt over een partiële ontbinding van de arbeidsovereenkomst en/of een volledige ontbinding daarvan onder zekerheid van aanbieding van een deels nieuwe arbeidsovereenkomst nogal uiteenlopend geoordeeld. In een aantal gevallen wordt aangenomen dat art. 7:685 BW zich niet voor een partiële ontbinding leent, omdat de arbeidsovereenkomst immers dan toch voor een deel doorloopt. Ook een verzoek tot volledige ontbinding onder zekerheid van aanbieding van een nieuwe arbeidsovereenkomst van kleinere omvang, wordt veelal afgewezen onder de motivering dat een ontbinding nu juist een beëindiging van een arbeidsovereenkomst beoogt te bewerkstelligen en niet de totstandkoming van een nieuwe arbeidsovereenkomst.

Anderen zijn weer van oordeel dat partiële ontbinding wel mogelijk is, omdat art. 7:685 BW dat niet verbiedt.

De kantonrechter sluit zich bij die laatste visie aan.

Het ontbinden van de volledige arbeidsovereenkomst om een doel te bereiken dat met partiële ontbinding ook kan worden bereikt, is een weinig verfijnde maatregel, die alleen al daarom geen steun verdient. Bovendien kan een nadeel zijn dat bij een volledige ontbinding geen toezicht door de rechter kan worden uitgeoefend op de waarborgen voor de werknemer bij de totstandkoming van die nieuwe arbeidsovereenkomst.

Partiële ontbinding van andere overeenkomsten dan tot arbeid betrekkelijk is in art. 6:265 BW expliciet geregeld. Er is geen reden aan te nemen, waarom dat dan bij arbeidsovereenkomsten niet zou kunnen, waarbij het voordeel is dat de rechter in zijn billijkheidsoordeel ex art 7:685 BW zelfs nog vrijer is dan bij de beoordeling ex art. 6:265 BW, (wat wel weer wordt getemperd door het ontbreken van een hoger beroep voorziening). Bovendien kan de rechter meer maatwerk verrichten m.b.t. de inhoud van de deels doorlopende niet door de partiële ontbinding getroffen arbeidsovereenkomst.

Uitgangspunt zal echter ook dan moeten blijven dat er sprake is van een gewichtige reden die van dien aard is dat een partiële beëindiging van de arbeidsovereenkomst dadelijk of na korte tijd geëigend is.

In het onderhavige geval acht de kantonrechter dit onvoldoende aannemelijk.

Daartoe moge het volgende dienen:

Onvoldoende duidelijk is geworden dat de aanvankelijk door verzoekster in 2002 doorgevoerde verhoging van het aantal uren per week van 18,8 naar 19,1 per 1 januari 2005 weer moest worden teruggedraaid.

Verzoekster onderbouwt dat nu door thans te stellen dat het een kwestie van harmonisatie is. Dat is een onjuist uitgangspunt. De maatregel is onmiskenbaar in eerste instantie ingegeven door economische motieven, die slechts door de aanvaarding daarvan door vijf van de zes nachtmedewerkers door verzoekster nu nog slechts als een harmonisatieprobleem wordt aangemerkt.

Dat kan op zich geen reden vormen om een gewichtige reden aan te nemen, tenzij zou vaststaan dat het standpunt van verweerster om de wijziging niet te aanvaarden volstrekt onredelijk is.

Daarvan is hier echter niet gebleken.

Ter zitting is door verzoekster desgevraagd toegegeven dat met eventuele niet honorering van haar verzoek een bedrag van circa € 300,-- aan besparing op jaarbasis is gemoeid.

Op zichzelf is zo`n bedrag toch zeker niet als een verandering in de omstandigheden op economische – en/of harmonisatiegronden in de klemmende zin van art. 7:685 BW aan te merken. Daar is bepaald meer voor nodig. De kantonrechter is van oordeel dat deze vorm van micromanagement, ook als het zes medewerkers betreft eerder onrust zal veroorzaken dan dat zij werkelijk besparingen voor organisatie en werknemers zal opleveren.

Onvoldoende is ook aangetoond wat er nu precies binnen de organisatie van verzoekster is gebeurd. Misschien ziet de kantonrechter het te simpel, maar een overdracht van de nachtdienst aan de dagdienst om 6.50 uur, zodat die om 7.00 uur een feit is, moet dan toch als uitgangspunt hebben dat de leden van de dagdienst al om 6.50 uur in plaats van om 7.00 uur aanwezig zijn. Dat zou dan toch inhouden dat aan die dagdienstmedewerkers weer 10 minuten meer moet worden betaald. Was het dan wel nodig om de maatregel die in 2002 genomen was weer terug te draaien. Krijgen nu anderen (de dagdienstmedewerkers) die 10 minuten betaald? Hoe het ook zij, duidelijk is het niet.

Ten slotte is bepaald een punt dat verweerster, hetgeen door verzoekster onvoldoende is weersproken, heeft betoogd dat zij vaak wel degelijk toch nog tot 7.10 uur werkzaamheden moet verrichten, bijvoorbeeld vanwege ziekte bij leden van de dagdienst, die wel ingeroosterd zijn, maar niet op de werkvloer verschijnen. Maar ook vanwege het feit dat verweerster geacht wordt werkzaamheden van kort vóór het tijdstip van overdracht hoe dan ook af te maken.

Verzoekster heeft dat laatste zelfs geheel erkend, maar aangegeven dat daar in die gevallen dan geen honorering tegenover staat, tenzij de CAO anders bepaalt.

Alles afwegende luidt het oordeel dat er onvoldoende sprake is van veranderingen in de omstandigheden die een ontbinding rechtvaardigen zodat het verzoek op alle onderdelen zal moeten worden afgewezen.

Verzoekster zal in de kosten worden veroordeeld.

Beslissing

De kantonrechter:

wijst het verzoek af;

veroordeelt verzoekster in de kosten van deze procedure, tot op heden aan de zijde van verwerende partij bepaald op € 500,-- aan salaris voor de gemachtigde van verweerster.

Deze beslissing is gegeven door mr. E.D. Rentema, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 april 2006, in aanwezigheid van de griffier.