Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2006:AV5300

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
16-03-2006
Datum publicatie
17-03-2006
Zaaknummer
162035 CV EXPL
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Niet ontvankelijkheid i.v.m. verjaring rechtsvordering tot vergoeding van schade ingevolge art. 3:310 lid 1 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Sector kanton

Locatie Dordrecht

kenmerk: 162035 CV EXPL 05-3859

vonnis van de kantonrechter te Dordrecht van 16 maart 2006

in de zaak van:

[…],

wonende te […]

eiser,

gemachtigde: mr. F.A.P. Laporte

tegen

de stichting Stichting Regionaal Opleidingscentrum Zuid Holland Zuid,

gevestigd en kantoorhoudende te 3311 DB Dordrecht, Groenedijk 49,

gedaagde,

gemachtigde: mr. M. Eijkelenboom

Verloop van de procedure

De kantonrechter wijst vonnis op de volgende processtukken:

1. de dagvaarding van 30 mei 2005;

2. de conclusie van antwoord;

3. de conclusie van repliek;

4. de conclusie van dupliek;

De feiten en de standpunten van partijen

Eiser vordert op grond van artikel 7:658 BW van gedaagde de betaling van een voorschot onder algemene titel van € 10.000,--, de door hem geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, de wettelijke rente over het voorschotbedrag vanaf 1 september 1998 tot de dag der algehele voldoening en de veroordeling van gedaagde in de proceskosten.

Eiser heeft daartoe het navolgende aangevoerd:

? Eiser, thans 54 jaren oud, is op 3 februari 1985 bij gedaagde in dienst getreden.

? Aanvankelijk is hij als assistent informatica en sedert 1 augustus 1995 als docent Informatica werkzaam geweest.

? Als gevolg van de slechte arbeidsomstandigheden bij gedaagde is eiser op 1 september 1997 ziek geworden en is hij sedert 1 september 1998 voor 35-45% arbeidsongeschikt in de zin der WAO verklaard.

? Eiser is per 1 oktober 2001 vanwege voortdurende arbeidsongeschiktheid door gedaagde ontslagen.

? Inmiddels is komen vast te staan dat eiser aan burnout lijdt.

? Eiser heeft gedaagde op 25 juli 2003 ex art. 7:658 BW aansprakelijk gesteld.

? Gedaagde heeft onvoldoende maatregelen getroffen om de belasting van eiser te voorkomen en/of weg te nemen, als gevolg waarvan psychische schade bij eiser is veroorzaakt.

? Zo heeft eiser vakanties opgeofferd om zijn werk te kunnen afmaken.

? Een verzoek om op kosten van eiseres een pc voor thuis te mogen aanschaffen, om zodoende zijn kennis te vergroten, is door gedaagde afgewezen.

? Eiser nam de computer van school mee om tijdens vakanties zelfstudie te kunnen doen.

? Het ontbreken van een systeembeheerder gedurende de eerste jaren was er de oorzaak van dat eiser zelf defecten moest verhelpen, hetgeen extra werkdruk opleverde.

? Naast zijn dagelijkse werkzaamheden heeft eiser op verzoek van gedaagde in 1988 een opleiding tot informaticadocent MEAO gevolgd en het diploma behaald.

? In 1995 is door gedaagde aan eiser verzocht om een avondopleiding te geven, die veel zwaarder bleek te zijn dan van te voren werd voorgespiegeld, zonder dat een urencompensatie werd gegeven, althans een veel te lage urencompensatie, waarbij ook nog geen rekening met roosterwensen van eiser werd gehouden.

? Eiser heeft op verzoek van gedaagde ook lessen aan allochtonen gegeven, hetgeen vanwege onregelmatige instroming erg tijdrovend was.

? Eiser had weinig taakuren en gaf vrijwel uitsluitend les aan 14 tot 16 klassen, maakte in overuren repetities om fraude onder de leerlingen te voorkomen, schreef lesstof en overschreed aldus de uurnormen der CAO ruimschoots, aldus de door eiser benaderde vakbond OAB.

? De taakbelasting van de leraren was niet openbaar, zodat de verdeling van die last onduidelijk was. In ieder geval was de verdeling niet redelijk en in het nadeel van eiser.

? Eiser offerde regelmatig middagpauzes op en vond bij zijn directie geen enkel gehoor voor zijn als probleem ervaren hoge werkdruk, ondanks vele pogingen zijnerzijds om daarin verandering te brengen.

? Gedurende het 16 jarig dienstverband heeft er slechts één functioneringsgesprek met eiser plaats gevonden.

? Er werden door gedaagde onduidelijke taakopdrachten aan eiser gegeven, waardoor bij hem zware mentale belasting ontstond.

? Het niet melden van de beroepsziekte van eiser door gedaagde bij de Arbeidsinspectie levert aansprakelijkheid van gedaagde op.

? Er heeft geen risico inventarisatie en/of evaluatie plaats gevonden.

? De bedrijfscultuur bij gedaagde was slecht en er was gebrek aan sociale steun.

? Aan reïntegratiepogingen zijdens gedaagde m.b.t. eiser heeft het ontbroken.

? Periodiek arbeidsgezondheidskundig onderzoek is door gedaagde nooit aangeboden.

Eiser heeft zijn stellingen m.b.t. de burnout onderbouwd aan de hand van een vijftal producties, een "bijlage I" (productie 17 bij dagvaarding) gedateerd 29 januari 1998, een tweetal rapportages van de verzekeringsgeneeskundige van USZO te Rotterdam, gedateerd 19 april 1998 en 6 april 2001 (prod. 2 en 3 bij dagvaarding) , alsmede een tweetal brieven van de psychiaters […] beiden uit Breda van respectievelijk 16 juni 1999 en 16 april 2004 aan respectievelijk de verzekeringsarts van USZO en een juridisch gemachtigde van eiser (prod. 18 en 19 bij dagvaarding).

Eiser heeft in zijn vordering de nadruk gelegd op de immateriële schade (nader op te maken bij staat) en met het overleggen van facturen de materiële schade voorshands voor een groot deel ingevuld door een bedrag van € 7866,45 aan buitengerechtelijke kosten te vorderen. Dat bedrag maakt onderdeel van het gevorderde voorschot van € 10.000,-- uit.

Gedaagde heeft de stellingen van eiser gemotiveerd weersproken en aangevoerd dat de vordering van eiser ex art. 3: 310 BW is verjaard.

Voorts heeft gedaagde nog het navolgende aangevoerd:

? Van een schade in de uitoefening van het werk is geen sprake. Een zestal door gedaagde overgelegde schriftelijke verklaringen van oud-collega's van eiser geven een heel ander beeld van de feiten dan door eiser is geschetst.

? De toepassing van art. 7:658 BW bij psychische schade vereist schending van een norm door gedaagde, waarvan in het onderhavige geval niet is gebleken. Lang niet altijd kan worden aangenomen dat die normen (bij psychische schade) een 7:658 BW norm zijn.

? Op eiser rust de bewijslast dat hij een burnout heeft opgelopen in de uitoefening van zijn werkzaamheden; pas daarna zal gedaagde moeten aantonen dat zij aan de op haar rustende zorgplicht heeft voldaan.

? Art. 7:658 BW beoogt niet een absolute waarborg te scheppen tegen het gevaar dat een werknemer schade lijdt in de uitoefening van zijn werkzaamheden.

? Overbelasting is voor een werkgever een moeilijk te hanteren omstandigheid indien de werknemer die door hem gevoelde overbelasting niet meldt.

? Eiser dient aan te tonen dat hij burnout is en vervolgens, indien hij daarin slaagt moet worden aangetoond dat die burnout een gevolg van de werkomstandigheden bij gedaagde is.

? Een door gedaagde ingeschakeld expertisebureau, GAB Robins Takkenberg, heeft om overlegging van het gehele medische dossier van eiser verzocht, hetgeen door eiser is geweigerd.

? De door eiser zelf overgelegde medische rapportage is onvoldoende en lijkt deels te zijn geschreven voor andere situaties dan hier nu aan de orde is.

? Ook andere omstandigheden, zoals de relatie tussen eiser en zijn vriendin zullen mede oorzaak van een eventuele burnout en/of depressies zijn geweest.

? Gedaagde is niet tekortgeschoten in de nakoming van de op haar ingevolge art. 7:658 BW rustende verplichting; de mentale belasting van eiser is, mede gelet op hetgeen in de zes overgelegde verklaringen staat vermeld, niet te hoog geweest.

? Evenmin heeft gedaagde haar plichten verzaakt bij de begeleiding van eiser na diens uitval en bij de reïntegratie.

? Het niet melden van de beroepsziekte van eiser door gedaagde bij de Arbeidsinspectie, zo dat in dit geval al zou moeten, kan geen aansprakelijkheid van de werkgever opleveren.

? Dat er geen risico inventarisatie en/of evaluatie heeft plaats gevonden is jegens eiser geen tekortkoming, omdat eiser niet werd overbelast en bovendien het vertrek van collega's een onvermijdelijke macro-economische ontwikkeling is, die weliswaar tot enige werkdrukverhoging kan leiden, maar toch tijdig door gedaagde is ondervangen.

? Van een werknemer als eiser mag, gelet op zijn opleidingsniveau, ook wel enige zelfstandigheid en eigen verantwoordelijkheid gevraagd worden.

? Indien eiser behoefte aan een periodiek arbeidsgezondheidskundig onderzoek had gehad, zou hij dat hebben moeten vragen, hetgeen niet is geschied.

? Subsidiair is sprake van eigen schuld van eiser.

? De schadeposten zijn niet of nauwelijks onderbouwd en niet bekend is of eiser inmiddels (gedeeltelijk) andere werkzaamheden verricht, noch of de schade waarvan eiser stelt dat hij die nu nog lijdt in causaal verband staat met een eventuele tekortkoming van gedaagde uit 1997 en eerder.

? Ook geldt hier dat eiser door slechte leefgewoonten (vide de rapportage) klachten heeft gekregen, zoals alcoholproblematiek, die niets met het werk te maken hadden.

? Waar eiser voor een schadestaatprocedure kiest, is er geen aanleiding om een voorschot te vorderen, immers de schade staat niet vast.

? De hoogte van de buitengerechtelijke kosten wordt betwist, ook omdat een belangrijk deel van die kosten is gemaakt om medische gegevens te verkrijgen, terwijl die gegevens in de procedure niet althans slechts ten dele zijn ingebracht.

? De gevorderde wettelijk rente over het voorschot van € 10.000,-- te rekenen vanaf

1 september 1998 kan niet worden toegewezen, omdat dit voorschot niet is gebaseerd op

concrete schadeposten.

Beoordeling

Het meest verstrekkende verweer van gedaagde inhoudende dat de vordering van eiser is verjaard, dient als eerste te worden beoordeeld.

Tussen partijen staat vast dat de eerste aansprakelijkheidsstelling van gedaagde namens eiser is uitgegaan op 25 juli 2003. De inhoud van die aansprakelijkheidsstelling is overigens niet bekend, omdat geen der partijen haar heeft overgelegd.

Voor de toepassing van art. 3:310 lid 1 BW ("Een rechtsvordering tot vergoeding van schade(…) verjaart door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de benadeelde zowel met de schade (….) als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden, en in ieder geval door verloop van twintig jaren na de gebeurtenis waardoor de schade is veroorzaakt (….)."

is dus bepalend of eiser in een periode van meer dan vijf jaren voorafgaand aan 25 juli 2003 zowel met de schade als met de veroorzaker daarvan (gedaagde) bekend was.

Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat hiervan pas voor het eerst sprake is geweest in september 1998 toen hem een WAO-uitkering werd toegekend.

Dit standpunt lijkt niet op te gaan. Al op 29 januari 1998 (zie productie 17 bij dagvaarding) is door de bedrijfsarts in een zogenoemde "bijlage 1") opgenomen:

"(….) medische gegevens: burnout klachten. alles teveel, frustaties, irritaties (………….)

oorzaak klachten: de puinhoop op school ?".

Op dat tijdstip, dat eerder dan vijf jaren vóór 25 juli 2003 ligt, was eiser er dus mee bekend dat zijn klachten werden geduid als burnout en wist hij tevens, waaruit die klachten voortkwamen en door wie zij waren veroorzaakt.

In de dagvaarding heeft eiser om niet duidelijke redenen deze productie 17 benoemd met de datum 23 februari 1999 in plaats van de werkelijke datum 29 januari 1998.

Bovendien is deze productie een bijlage van een rapport dat zelf niet door eiser is overgelegd.

Evenmin is door eiser overgelegd een oordeel van de bedrijfsarts van 7 november 1997, waarin zou zijn geoordeeld dat er sprake van burnout was. Gedaagde heeft in de procedure herhaaldelijk op het ontbreken van rapportage gewezen. Eiser heeft kennelijk geen reden gezien om opening van zaken te geven. Noch heeft hij betwist dat de bedrijfsarts al in 1997 burnout constateerde.

Door het geschrift behorend bij bijlage 1 (prod 17 bij dagvaarding) en het rapport van

7 november 1997 niet over te leggen heeft eiser willens en wetens het risico genomen dat met eventuele nuances, die die stukken m.b.t. de al dan niet bekendheid van de schade wellicht zouden bevatten, geen rekening wordt gehouden.

Er zal dan ook op grond van het wel beschikbare materiaal van moeten worden uitgegaan dat eiser op 29 januari 1998 voldeed aan het criterium, zoals dat in art. 3:310 BW en de daaruit voortgevloeide rechtspraak is neergelegd.

Het door gedaagde gedane beroep op verjaring zal derhalve worden gehonoreerd. Eiser zal in zijn vordering niet ontvankelijk worden verklaard en in de kosten van deze procedure worden veroordeeld.

Beslissing

De kantonrechter:

verklaart eiser in zijn vordering niet ontvankelijk;

veroordeelt eiser in de kosten van de procedure aan de zijde van gedaagde gevallen en tot op deze uitspraak bepaald op € 600,-- aan salaris gemachtigde;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

Dit vonnis is gewezen door mr. E.D. Rentema, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 maart 2006, in aanwezigheid van de griffier.