Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2006:AV5275

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
14-03-2006
Datum publicatie
16-03-2006
Zaaknummer
11/500742-05
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft een 35-jarige man veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 4 jaren wegens het veroorzaken van een verkeersongeval waarbij een ander lichamelijk letsel heeft bekomen terwijl de schuldige verkeerde onder invloed van alcohol. De rechtbank acht in casu roekeloosheid en niet voorwaardelijk opzet bewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2006, 115
VR 2006, 136
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

MEERVOUDIGE STRAFKAMER

Tegenspraak

Parketnummer: 11/500742-05

Zittingsdatum: 28 februari 2006

Uitspraak: 14 maart 2006

VERKORT STRAFVONNIS

De rechtbank Dordrecht heeft op grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting vonnis gewezen in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] in 1970,

wonende te [adres en woonplaats].

De rechtbank heeft de processtukken gezien en kennis genomen van de

vordering van de officier van justitie en van hetgeen de verdediging naar voren

heeft gebracht.

1. De tenlastelegging

Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt tenlastegelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 20 november 2005 te Sliedrecht ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te

beroven, met dat opzet,

- zakelijk weergegeven -

- terwijl hij, verdachte, (zwaar) onder invloed van alcoholhoudende drank

verkeerde (1035 ug/l), in een motorvoertuig, met een hoge snelheid, in ieder

geval met een hogere snelheid dan de voor dat motorvoertuig maximaal

toegestane snelheid van 30 kilometer per uur, op een weg (te weten:

de Molendijk) heeft gereden en/of

- met dat motorvoertuig, zonder de snelheid te minderen/te remmen, tegen de

aan de (rechter)zijde van genoemde weg zich bevindende [slachtoffer] en/of stilstaande

fiets (waarop die [slachtoffer] op dat moment zat), is gereden en/of

- als gevolg waarvan die [slachtoffer] aan haar hoofd zwaar lichamelijk letsel heeft

opgelopen (te weten: een schedelbasisfractuur)

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

SUBSIDIAIR: voorzover het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht

of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 20 november 2005 te Sliedrecht als verkeersdeelnemer,

namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg,

de Molendijk zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten

verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer,

althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend te rijden, immers

is/heeft hij, verdachte,

- zakelijk weergegeven -

- terwijl hij, verdachte, (zwaar) onder invloed van alcoholhoudende drank

verkeerde (1035 ug/l), in een motorvoertuig, met een hoge snelheid, in ieder

geval met een hogere snelheid dan de voor dat motorvoertuig maximaal

toegestane snelheid van 30 kilometer per uur, op genoemde weg gereden en/of

- met dat motorvoertuig, zonder de snelheid te minderen/te remmen, tegen de

aan de (rechter)zijde van genoemde weg zich bevindende [slachtoffer] en/of

stilstaande fiets (waarop die [slachtoffer] op dat moment zat), gereden,

waardoor een ander (genaamd [slachtoffer]) zwaar lichamelijk letsel, te weten

een schedelbasisfractuur, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat

daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale

bezigheden is ontstaan, terwijl hij, verdachte, verkeerde in de toestand als

bedoeld in artkel 8, eerste of tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994;

MEER SUBSIDIAIR: voorzover het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling

mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 20 november 2005 te Sliedrecht als bestuurder van een

motorrijtuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de Molendijk,

- terwijl hij, verdachte, (zwaar) onder invloed van alcoholhoudende drank

verkeerde (1035 ug/l), in een motorvoertuig, met een hoge snelheid, in ieder

geval met een hogere snelheid dan de voor dat motorvoertuig maximaal

toegestane snelheid van 30 kilometer per uur, op genoemde weg gereden en/of

- met dat motorvoertuig, zonder de snelheid te minderen/te remmen, tegen de

aan de (rechter)zijde van genoemde weg zich bevindende [slachtoffer] en/of

stilstaande fiets (waarop die [slachtoffer] op dat moment zat), gereden,

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt,

althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd,

althans kon worden gehinderd;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

2.

hij op of omstreeks 20 november 2005 te Sliedrecht als bestuurder van een

voertuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van

alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek,

als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de

Wegenverkeerswet 1994, 1035 microgram, in elk geval hoger dan 220 microgram,alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn;

2. De voorvragen

2.1 De geldigheid van de dagvaarding

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

2.2 De bevoegdheid van de rechtbank

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen.

2.3 De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen feiten en/of omstandigheden gebleken, die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan.

2.4 De schorsing van de vervolging

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing van de vervolging gebleken.

3. Het onderzoek ter terechtzitting

3.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft -het onder 1. primair en 2. ten laste gelegde bewezen achtend- een gevangenisstraf voor de duur van dertig maanden, waarvan negen maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht, en een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorvoertuigen voor de duur van vier jaren gevorderd.

3.2 De verdediging

De verdediging heeft een bewijs- en strafmaatverweer gevoerd.

4. De bewijsbeslissingen

4.1 De vrijspraak

Verdachte heeft in de nacht van 20 november 2005 na gebruik van een grote hoeveelheid alcohol een auto bestuurd en vervolgens een jonge vrouw aangereden. De officier van justitie heeft gesteld dat verdachte heeft gehandeld met (voorwaardelijk) opzet en dat diens handelen kan worden bewezen en gekwalificeerd als poging tot doodslag op de betreffende vrouw.

De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende:

- Vaststaat dat verdachte gereden heeft met een zeer grote hoeveelheid alcohol; verdachte kon volgens het proces-verbaal van bevindingen letterlijk niet meer op zijn benen staan. Het is volstrekt duidelijk dat verdachte door in zijn staat van dronkenschap te gaan rijden met zijn auto, een zeer groot risico op ongevallen heeft genomen.

- Het ongeval waarbij [slachtoffer] zwaar gewond is geraakt vond plaats om ongeveer 03.15 uur.

- De plaats van het ongeval betreft een dijkweg, waar een maximumsnelheid van 30 km per uur geldt.

- Verdachte reed in een BMW, type 7-serie; het is een feit van algemene bekendheid dat dit een groot en zwaar model personenauto betreft.

- De snelheid van verdachte wordt door één getuige geschat op 60 à 70 km per uur. Verdachte heeft ter zitting verklaard 40 à 50 km per uur te hebben gereden. De gereden snelheid is door het ontbreken van remsporen niet door middel van technisch onderzoek vastgesteld kunnen worden.

Voorwaardelijk opzet is aanwezig indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat het slachtoffer tengevolge van zijn handelen de dood zou kunnen vinden. Verdachte moet niet alleen wetenschap hebben gehad van die aanmerkelijke kans, maar deze ten tijde van de verweten gedraging ook bewust hebben aanvaard.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte zich roekeloos gedragen. Anders dan de officier van justitie acht de rechtbank niet bewezen dat sprake is van (voorwaardelijk) opzet. Uit de bewijsmiddelen en daaruit voortvloeiende omstandigheden zoals hiervoor weergegeven kan onvoldoende worden afgeleid dat sprake is geweest van een willens en wetens aanvaarden van een aanmerkelijke kans op een dodelijk ongeval. De rechtbank wijst daartoe met name op het tijdstip (03.15 uur) en de locatie; een dijkweg. Het excessief alcoholgebruik en een te hoge snelheid leidt nog niet tot het oordeel dat sprake is van opzet op de dood van medeweggebruikers.

Verdachte zal daarom van de onder 1. primair ten laste gelegde poging tot doodslag worden vrijgesproken.

4.2. De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte

1. (subsidiair)

op 20 november 2005 te Sliedrecht als verkeersdeelnemer,

namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg,

de Molendijk zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten

verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos te rijden, immers

is/heeft hij, verdachte,

- zakelijk weergegeven -

- terwijl hij, verdachte, (zwaar) onder invloed van alcoholhoudende drank

verkeerde (1035 ug/l), in een motorvoertuig

met een hogere snelheid dan de voor dat motorvoertuig maximaal

toegestane snelheid van 30 kilometer per uur, op genoemde weg gereden en/of

- met dat motorvoertuig, zonder de snelheid te minderen/te remmen, tegen de

aan de (rechter)zijde van genoemde weg zich bevindende [slachtoffer] en

stilstaande fiets (waarop die [slachtoffer] op dat moment zat), gereden,

waardoor een ander (genaamd [slachtoffer]) zwaar lichamelijk letsel, te weten

een schedelbasisfractuur werd toegebracht, terwijl hij, verdachte, verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994;

2.

op 20 november 2005 te Sliedrecht als bestuurder van een

voertuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van

alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek,

als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de

Wegenverkeerswet 1994, 1035 microgram.

Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Voor zover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4.3. De bewijsmiddelen

De rechtbank grondt haar overtuiging dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

De rechtbank bezigt ieder bewijsmiddel, ook in onderdelen, telkens slechts voor het bewijs van het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

De rechtbank bezigt de inhoud van de geschriften als bedoeld in artikel 344, lid 1 sub 5° van het Wetboek van Strafvordering alleen in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis met de bewijsmiddelen vereist, dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, in een aan dit vonnis gehechte bijlage worden opgenomen.

5. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

Het bewezenverklaarde levert op:

1. (subsidiair:)

OVERTREDING VAN ARTIKEL 6 VAN DE WEGENVERKEERSWET 1994 TERWIJL HET EEN ONGEVAL BETREFT WAARDOOR EEN ANDER LICHAMELIJK LETSEL WORDT TOEGEBRACHT TERWIJL DE SCHULDIGE VERKEERDE IN DE TOESTAND, BEDOELD IN ARTIKEL 8, TWEEDE LID, VAN DIE WET.

2.

OVERTREDING VAN ARTIKEL 8, TWEEDE LID AANHEF EN ONDER A VAN DE WEGENVERKEERSWET 1994.

6. De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7. De redenen, die de straf hebben bepaald of tot de maatregel hebben geleid

7.1 Strafmotivering

De rechtbank heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte is in de nacht van 20 november 2005, na een grote hoeveelheid alcoholhoudende drank te hebben genuttigd, in zijn auto gestapt en naar huis gereden. Hij heeft tijdens deze rit [slachtoffer], die met een aantal vrienden aan de kant van weg stond te praten, met zijn auto aangereden. In plaats van te stoppen is verdachte aanvankelijk doorgereden maar is kort daarop teruggereden naar de plaats van het ongeval. Hij heeft zich daar als veroorzaker van het ongeval niet kenbaar gemaakt, integendeel, op het moment dat een tweetal agenten hem benaderden is hij zelfs weggelopen. Na ondervraging werd spoedig duidelijk dat verdachte veel alcohol had genuttigd; hij sprak met dubbele tong, was onvast ter been en moest door de agenten zelfs ondersteund worden. Een bevestiging van het overmatige drankgebruik vormde de uitkomst van de blaastest die een alcoholgehalte van 1035 microgram per liter uitgeademde lucht aangaf.

[slachtoffer] is na de aanrijding opgenomen in het ziekenhuis met een schedelbasisfractuur, een aantal kneuzingen en schaafwonden.

Uit de medische informatie is af te leiden dat het herstel voorspoedig verloopt, maar dat niet duidelijk is of volledig herstel is te verwachten. Vaststaat dat [slachtoffer] op dit moment in haar dagelijks leven de nadelige gevolgen van het ongeval ondervindt bij met name haar werk en het beoefenen van haar hobby's.

Het besturen van een auto na het nuttigen van een grote hoeveelheid drank wordt door de wetgever met strenge straffen bedreigd, mede in verband met de risico's die daardoor ontstaan voor de verkeersveiligheid. Als gevolg van het overmatig drankgebruik heeft zich een dergelijk risico gemanifesteerd en heeft verdachte met zijn gedrag een ernstig ongeluk veroorzaakt. Verdachte dient daarvoor dan ook te worden gestraft.

De rechtbank neemt als strafverzwarende omstandigheid in aanmerking dat verdachte al eerder is veroordeeld wegens drankmisbruik in het verkeer. Daarnaast blijkt uit de justitiële documentatie eveneens dat verdachte een groot aantal boetes heeft moeten betalen in verband met overtredingen van de rijsnelheid in de bebouwde kom.

Het rapport van de reclassering onderstreept dat verdachte hardleers is en keer op keer in de fout gaat. Het in de rapportage van de reclassering voorgestelde elektronisch arrest in verband met de belangen die verdachte heeft bij de continuïteit van de door hem gedreven eenmanszaak is gelet op al het voorgaande naar het oordeel van de rechtbank niet opportuun. Bij het bepalen van de strafmodaliteit en de duur daarvan houdt de rechtbank tevens rekening met het gegeven dat verdachte meerdere kansen heeft gehad om zijn gedrag te wijzigen en zich professioneel te laten begeleiden bij zijn alcoholprobleem. Verdachte heeft echter eerdere behandelingen in verband met zijn alcoholprobleem telkens voortijdig afgebroken.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf en -ter beveiliging van het verkeer en de medeweggebruikers van verdachte -een forse onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid passend en geboden is.

De rechtbank zal een gedeelte van de vrijheidsstraf voorwaardelijk opleggen, met daaraan verbonden na te melden bijzondere voorwaarde, om verdachte er in de toekomst van te weerhouden opnieuw soortgelijke feiten te plegen. Een en ander zoals nader in het dictum te melden.

7.2 Bevel voorlopige hechtenis

De rechtbank zal het bevel voorlopige hechtenis niet opheffen nu de voorlopige hechtenis is gegrond op hetzelfde feitencomplex als nu bij vonnis bewezen is verklaard.

De rechtbank ziet evenwel geen aanleiding de schorsing van de voorlopige hechtenis op te heffen.

8. De toepasselijke wettelijke voorschriften

De opgelegde straf is gegrond op de volgende wettelijke voorschriften:

de artikelen 14a,14b, 14c,14d en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 8 (oud), 175 (oud), 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

9. De beslissing

De rechtbank

verklaart niet bewezen wat aan de verdachte onder 1. primair ten laste is gelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1 subsidiair en onder 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals vermeld onder 4.2. van dit vonnis;

verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart dat het bewezenverklaarde de onder 5. vermelde strafbare feiten oplevert;

verklaart de verdachte hiervoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte wegens deze feiten tot:

een GEVANGENISSTRAF voor de duur van VIERENTWINTIG MAANDEN;

bepaalt dat een gedeelte van deze straf, te weten ZES MAANDEN, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd die wordt bepaald op TWEE JAREN, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of niet heeft nageleefd de hierna te melden bijzondere voorwaarde;

stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen hem gegeven door of namens de Stichting Reclassering Nederland te Dordrecht, voor zover en zolang de reclassering zulks (binnen de grenzen van de proeftijd) noodzakelijk acht;

verstrekt aan genoemde instelling opdracht om aan veroordeelde hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarde;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

ten aanzien van feit 1. subsidiair:

een ONTZEGGING VAN DE BEVOEGDHEID TOT HET BESTUREN VAN MOTORRIJTUIGEN voor de duur van VIER JAREN;

bepaalt dat de tijd gedurende welke het rijbewijs van de veroordeelde voor het tijdstip waarop deze uitspraak voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van genoemde straf geheel in mindering zal worden gebracht.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. dr. M.J.A. Plaisier, voorzitter,

mr. P.L. van Dijke en mr. J.P.C. Obbink, rechters,

in tegenwoordigheid van R. van Andel, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 14 maart 2006.

Wegens afwezigheid is mr. J.P.C. Obbink buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.