Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2006:AV5270

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
09-03-2006
Datum publicatie
16-03-2006
Zaaknummer
11/006423-03
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank ontneemt een 33-jarige man ruim €102.000,= aan wederrechtelijk verkregen voordeel wegens de illegale handel in vuurwerk. Veroordeelde kocht gedurende een langere periode geregeld consumentenvuurwerk in België en verkocht dat in Nederland.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

MEERVOUDIGE STRAFKAMER

Parketnummer : 11/006423-03

Uitspraak : 9 maart 2006

VERKORT ONTNEMINGSVONNIS

1. Onderzoek van de zaak.

In de zaak tegen

[veroordeelde],

geboren te [geboorteplaats veroordeelde] in het jaar 1972,

wonende te [verblijfplaats veroordeelde],

heeft de meervoudige kamer van de rechtbank te Dordrecht de navolgende beslissing genomen.

De rechtbank heeft de processtukken gezien en de zaak onderzocht ter terechtzitting van

26 januari 2006.

Zij heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van het standpunt van de verdediging, naar voren gebracht door de veroordeelde.

2. Het strafvonnis.

Bij vonnis van de economische politierechter van deze rechtbank d.d. 16 maart 2005 is betrokkene veroordeeld tot een werkstraf van 200 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden ter zake van onder meer:

MEDEPLEGEN VAN OVERTREDING VAN EEN VOORSCHRIFT GESTELD KRACHTENS ARTIKEL 24 VAN DE WET MILIEUGEVAARLIJKE STOFFEN, OPZETTELIJK BEGAAN, MEERMALEN GEPLEEGD.

Deze veroordeling is gegrond op het oordeel van de economische politierechter dat wettig en overtuigend bewezen is dat de veroordeelde zich in de periode van van 30 oktober 2003 tot en met 30 december 2003 schuldig heeft gemaakt aan bovengenoemd delict.

3. De vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Ter terechtzitting van 26 januari 2006 heeft de officier van justitie gevorderd betrokkene te veroordelen tot het betalen van een bedrag van EUR 314.961,- aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

4. De verdediging.

De veroordeelde heeft ter terechtzitting de hoogte van dit bedrag bestreden. Voorts heeft veroordeelde de toerekening door de officier van justitie van het genoten voordeel betwist en tot slot heeft de veroordeelde een draagkrachtverweer gevoerd.

5. De beraadslaging.

De overtuiging van de rechtbank, dat veroordeelde voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van de bewezen verklaarde strafbare feiten en soortgelijke strafbare feiten is gegrond op de feiten en de omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen.

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van de beslissing met de bewijsmiddelen vereist in een aan deze beslissing gehechte bijlage worden opgenomen.

6. Beoordeling van de vordering.

Aan de hand van de stukken in het dossier, en gehoord de officier van justitie en de veroordeelde stelt de rechtbank het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op EUR 102.997,15.

Bij de bepaling van dit bedrag heeft de rechtbank in aanmerking genomen:

- dat betrokkene zich schuldig heeft gemaakt aan - kortweg - illegale handel in vuurwerk in de periode 30 oktober 2003 tot en met 30 december 2003.

Bij de schatting van het door de veroordeelde wederrechtelijk verworven voordeel betrekt de rechtbank verder als soortgelijke feiten: de illegale handel in vuurwerk in de periode van 1 januari 2001 tot 30 oktober 2003.

Uit het nadere rapport van [verbalisant] d.d. 9 januari 2006 blijkt dat uit de administratie van [bedrijf X] wel de daadwerkelijke, door veroordeelde betaalde, bedragen van het verkochte vuurwerk aan veroordeelde zijn te herleiden doch dat door het wisselen van productcodes niet met duidelijkheid valt te zeggen wat voor soorten vuurwerk aan veroordeelde zijn verkocht.

De berekening van het door de veroordeelde genoten voordeel:

Inkoop:

Uit de administratie van [bedrijf X] blijkt dat veroordeelde in de periode 2001 t/m 2003 consumentenvuurwerk heeft ingekocht voor een totaal bedrag van EUR 107.485,15. De door de verdediging aangevoerde stelling dat de in de boekhouding van [bedrijf X] opgenomen bedragen afwijken van de door veroordeelde daadwerkelijk betaalde bedragen wordt door de rechtbank niet overgenomen. Uit de stukken blijkt onvoldoende van een dergelijke afwijking en de rechtbank ziet onvoldoende grond voor het oordeel dat er bij [bedrijf X] sprake zou zijn van een bedrijfsvoering waarbij gebruikt is gemaakt van een onbetrouwbare schaduwboekhouding.

Bij de aanhouding van veroordeelde en de doorzoeking van zijn woning is in totaal voor een bedrag van EUR 3.500,- vuurwerk in beslag genomen. Op grond hiervan gaat de rechtbank in haar berekening dan ook uit van een door de veroordeelde ingekochte hoeveelheid vuurwerk ter waarde van EUR 103.985,15.

Opbrengsten:

Uit de verklaringen van veroordeelde, medeverdachten en andere betrokkenen en geschriften met vermelding van de door veroordeelde gehanteerde verkoopprijzen van vuurwerk, zoals een en ander in het strafdossier is aangetroffen, schat de rechtbank dat veroordeelde met de in- en verkoop van vuurwerk minstens een gemiddelde winst ter hoogte van 100% van de inkoopwaarde wist te behalen.

De brutowinst bedraagt dan 100% van de inkoopwaarde (minus in beslag genomen vuurwerk) =

EUR 103.985,15.

Kosten

Nu het vuurwerk telkens in België is ingekocht zal de rechtbank rekening houden met de gemaakte benzinekosten. De rechtbank schat deze kosten op een totaal van EUR 988,- en zal deze kosten aftrekken van het genoten voordeel.

Hieruit volgt dat het uit de handel in vuurwerk genoten voordeel moet worden geschat op een bedrag van EUR 102.997, 15.

Voor wat betreft de toerekening van het genoten voordeel, baseert de rechtbank zich op de verklaringen van medeverdachten, en hieruit leidt zij af dat aan veroordeelde het totale behaalde voordeel moet worden toegerekend.

Namens de veroordeelde is aangevoerd dat de betalingsverplichting ter ontneming van voordeel zou moeten worden gematigd vanwege gebrekkige draagkracht van de veroordeelde en het vooruitzicht dat hij in de toekomst geen inkomen van reële betekenis zal kunnen verwerven. De rechtbank verwerpt dit verweer. Vooralsnog is onbekend of een op te leggen betalingsverplichting kan worden geëxecuteerd op vermogensbestanddelen die aan de veroordeelde toebehoren. Bij gebreke van inzicht in het al dan niet bestaan van deze vermogensbestanddelen ziet de rechtbank thans geen aanleiding om de op te leggen betalingsverplichting te matigen. Indien in de toekomst blijkt dat de veroordeelde geen vermogen bezit, noch in staat is om zich inkomsten te verwerven waarop de opgelegde ontnemingsmaatregel ten uitvoer kan worden gelegd, kan hij bij de rechtbank op grond van art. 577b Sv een verzoek indienen tot vermindering van de opgelegde betalingsverplichting.

7. De toegepaste wetsartikelen.

De opgelegde maatregel berust op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

8. De beslissing.

De rechtbank

stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op

EUR 102.997,15.

legt aan veroordeelde de verplichting op tot betaling van EUR 102.997,15 (honderdtweeduizend en negenhonderdzevenennegentig euro en vijftien eurocent) aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Deze beslissing is genomen door

mr. J.B.H.M. Simmelink, voorzitter,

mr. H. Bedee en mr.dr. C.J. van der Wilt, rechters,

in tegenwoordigheid van H. Bootsma, griffier,

en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 9 maart 2006