Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2006:AV3933

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
06-01-2006
Datum publicatie
08-03-2006
Zaaknummer
Awb 05/557
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 3.17 Wsf 2000.

Vaststelling meerinkomen 2001 bij een nulbeurs leidt tot een vordering op de studerende.

De rechtbank volgt de uitleg van verweerster met betrekking tot de term "ontvangen beurs".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector Bestuursrecht

Reg.nr: AWB 05/557

Uitspraak in de zaak van

[xxx], eiser,

tegen

de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep te Groningen, verweerster,

gemachtigde: [xxx], juridisch medewerkster van de afdeling Bezwaar, Beroep en Juridische zaken van de Informatie Beheer Groep.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Verweerster heeft bij besluit van 18 januari 2005 vastgesteld dat eiser in het jaar 2001 meerinkomen heeft gehad in verband waarmee hij een bedrag van € 535,04 aan de Informatie Beheer Groep verschuldigd is wegens meerinkomen.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 31 januari 2005 bezwaar gemaakt bij verweerster.

Bij besluit van 12 april 2005 heeft verweerster het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 21 mei 2005 beroep ingesteld bij de rechtbank.

De zaak is op 14 december 2005 behandeld ter zitting van een enkelvoudige kamer.

Eiser is in persoon ter zitting verschenen.

Verweerster is verschenen bij gemachtigde.

II. OVERWEGINGEN

Ingevolge artikel 3.17, eerste lid, eerste twee volzinnen, van de Wet studiefinanciering 2000 (verder te noemen Wsf 2000), voor zover hier van belang, leidt indien een studerende in een kalenderjaar meerinkomen heeft, dit tot een vordering van de IB-Groep op de studerende. Meerinkomen is het toetsingsinkomen, verminderd met een vrije voet van per 1 januari 2001

ƒ 20.077,20 (€ 9.110,64).

Ingevolge het zevende lid van dit artikel is, indien een studerende in een kalenderjaar meerinkomen heeft, die studerende aan de IB-Groep verschuldigd:

a. een bedrag ter grootte van het meerinkomen, met dien verstande dat dit bedrag niet groter kan zijn dan het bedrag van de met betrekking tot dat kalenderjaar door die studerende ontvangen beurs.

Bij besluit van 18 januari 2005 heeft verweerster eiser een vordering wegens meerinkomen opgelegd, opgebouwd uit een meerinkomen ten bedrage van € 535,04 meerinkomen. Bij het bestreden besluit heeft verweerster zich op het standpunt gesteld dat deze vordering op goede gronden is opgelegd en dat er geen aanleiding bestaat om met toepassing van de hardheidsclausule van oplegging van de vordering om af te zien, nu niet is gebleken van een zeer bijzondere situatie waarin het eiser onmogelijk was om de bijverdiensten te staken of het studiefinancieringtijdvak in te korten.

Eiser kan zich hiermee niet verenigen. Daartoe heeft hij onder meer aangevoerd dat hij in de periode in geding slechts een zogenaamde nulbeurs had en dus feitelijk geen studiefinanciering heeft ontvangen. Uit het bepaalde in artikel 3.17, zevende lid, van de Wsf 2000 volgt dus dat wegens het ontbreken van ontvangsten ook niets behoeft te worden terugbetaald.

De rechtbank overweegt het volgende.

Niet in geschil is dat, indien met bedoelde inkomsten rekening wordt gehouden, eisers verdiensten de vrije voet van

ƒ 20.077,20 overschrijden. Evenmin is de hoogte van die overschrijding in discussie. Wel bestaat verschil van inzicht over de uitleg van de term "ontvangen beurs" in artikel 3.17, zevende lid, sub a, van de Wsf 2000. De rechtbank volgt de uitleg van verweerster dat van "ontvangen" al sprake is indien recht op een beurs is toegekend, doch de uitbetaling door de studerende zelf is uitgesteld. Immers, indien eisers uitleg wordt gevolgd bestaat de mogelijkheid dat men tijdens de studie tot boven de vrije voet bijverdient en na het behalen van het diploma alsnog de beurs geheel laat uitbetalen.

Het voorgaande leidt tot ongegrondverklaring van eisers beroep.

Uit hetgeen verweerster ter zitting nog naar voren heeft gebracht begrijpt de rechtbank overigens dat een incasso van de vordering pas aan de orde is als na het verstrijken van de termijn waarbinnen het diploma moet worden behaald nog sprake blijkt te zijn van recht op uitbetaling van (een deel van) de beurs.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De rechtbank Rotterdam,

-verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. A.P. Hameete, rechter, en door deze en C. Groenewegen, griffier, ondertekend.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op:

Afschrift verzonden op:

Tegen deze uitspraak kan een belanghebbende beroep instellen. Het instellen van het beroep geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht, binnen zes weken na dagtekening van verzending van deze uitspraak.