Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2006:AV3148

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
02-03-2006
Datum publicatie
02-03-2006
Zaaknummer
11/006459-04
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft een 31-jarige man veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier jaren wegens handelen in strijd met de Opiumwet. De verdachte heeft gedurende een periode van drie jaren gehandeld in verdovende middelen waaronder cocaïne. Eerdere veroordelingen tot lange vrijheidsbenemende straffen hebben verdachte er niet van weerhouden opnieuw onverminderd te gaan dealen in verdovende middelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

MEERVOUDIGE STRAFKAMER

Tegenspraak

Parketnummer: 11/006459-04

Zittingsdatum : 16 februari 2006

Uitspraak : 2 maart 2006

VERKORT STRAFVONNIS

De rechtbank Dordrecht heeft op grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting vonnis gewezen in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren in 1974,

zonder bekende vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

thans gedetineerd in de P.I. Zuid-West , locatie De IJssel, te Krimpen aan den IJssel.

De rechtbank heeft de processtukken gezien en kennis genomen van de

vordering van de officier van justitie en van hetgeen de verdediging naar voren

heeft gebracht.

1. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

hij op één of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 november 2002 tot en met 16 november 2005 te Dordrecht (telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval, geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

2. De voorvragen

2.1 De geldigheid van de dagvaarding

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

2.2 De bevoegdheid van de rechtbank

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen.

2.3 De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen feiten en/of omstandigheden gebleken, die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan.

2.4 De schorsing van de vervolging

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing van de vervolging gebleken.

3. Het onderzoek ter terechtzitting

3.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft -het ten laste gelegde bewezen achtend- gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren met aftrek van de tijd die de verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de onder verdachte inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven goederen onttrokken zullen worden aan het verkeer en dat de tijdens het opsporingsonderzoek inbeslaggenomen instapkaart zal worden teruggegeven aan degene onder wie deze kaart inbeslaggenomen is, niet zijnde verdachte.

3.2 De verdediging

De verdediging heeft een bewijsverweer en een strafmaatverweer gevoerd.

4. De bewijsbeslissingen

4.1 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte

op tijdstippen in de periode van 1 november 2002 tot en met 16 november 2005 te Dordrecht telkens opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en verstrekt een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Voor zover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4.2 De bewijsmiddelen

De rechtbank grondt haar overtuiging dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

De rechtbank bezigt ieder bewijsmiddel, ook in onderdelen, telkens slechts voor het bewijs van het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

De rechtbank bezigt de inhoud van de geschriften als bedoeld in artikel 344, lid 1 sub 5° van het Wetboek van Strafvordering alleen in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis met de bewijsmiddelen vereist, dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, in een aan dit vonnis gehechte bijlage worden opgenomen.

5. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

Het bewezenverklaarde levert op:

voor de periode van 1 november 2002 tot en met 16 maart 2003:

HANDELEN IN STRIJD MET EEN IN ARTIKEL 2 EERSTE LID ONDER B VAN DE OPIUMWET GEGEVEN VERBOD, MEERMALEN GEPLEEGD;

en

voor de periode van 17 maart 2003 tot en met 16 november 2005:

HANDELEN IN STRIJD MET EEN IN ARTIKEL 2 ONDER B VAN DE OPIUMWET GEGEVEN VERBOD, MEERMALEN GEPLEEGD

6. De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7. De redenen, die de straf hebben bepaald of tot de maatregel hebben geleid

7.1 Strafmotivering

De rechtbank heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder die zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.:

Verdachte is in de periode van 1 november 2002 tot en met 16 november 2005 in Dordrecht actief geweest in de handel in verdovende middelen. Bij het bepalen van de strafmaat houdt de rechtbank rekening met het feit dat verdachte in de periode van 12 maart 2003 tot 8 oktober 2003 gedetineerd is geweest. De rechtbank gaat ervan uit dat verdachte gedurende de bedoelde detentieperiode niet heeft gedeald.

Veelvuldig is verdachte opgetreden als dealer tot wie gebruikers zich veelal telefonisch meldden en aan wie verdachte vervolgens op een nader aangeduide plaats en tegen betaling drugs, waaronder cocaïne, verkocht.

Cocaïne is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. De handel in deze stof gaat -naar algemeen bekend- gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, waaronder ook de door gebruikers te plegen strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof. Het handelen van verdachte is mede in dat licht verwerpelijk.

Verdachte heeft zich aan dit alles weinig gelegen laten liggen en heeft zich slechts laten leiden door financieel gewin.

Uit het justitieel documentatieregister volgt dat verdachte veelvuldig in aanraking is geweest met Justitie onder meer in verband met drugsgerelateerde delicten. Eerdere veroordelingen tot lange vrijheidsbenemende straffen hebben verdachte er niet van weerhouden opnieuw onverminderd te gaan dealen in verdovende middelen.

Gezien verdachtes veelvuldige veroordelingen voor soortgelijke feiten als nu bewezenverklaard, is er geen ruimte voor een deels voorwaardelijke straf. De kans op recidive wordt door de rechtbank groot geacht. Dit wordt bevestigd door het rapport van DeltaBouman waarin de kans op recidive hoog wordt ingeschat.

Al met al is in casu de enige passende reactie een vrijheidsbenemende straf van aanzienlijke duur.

Alles afwegend acht de rechtbank het opleggen van een gevangenisstraf van in het dictum te melden duur passend en geboden.

7.2 De inbeslaggenomen voorwerpen

Aan dit vonnis is als bijlage 3 een lijst gehecht van de inbeslaggenomen voorwerpen, waarvan de inhoud als hier ingelast dient te worden beschouwd.

7.2.1 De verbeurdverklaring

De rechtbank zal het op voormelde lijst onder 12 vermelde voorwerp verbeurdverklaren. Dit goed is een voorwerp dat aan de veroordeelde toebehoort en met behulp van welk de bewezen verklaarde feiten zijn begaan.

7.2.2 De onttrekking aan het verkeer

De rechtbank zal de op voormelde lijst onder nummer 13, 14, 15, 18, 22 en 26 vermelde voorwerpen, overeenkomstig het bepaalde in artikel 13a van de Opiumwet, onttrekken aan het verkeer.

7.2.3 Teruggave van inbeslaggenomen goederen

Met betrekking tot het op voormelde lijst onder nummer 7 vermelde voorwerp, te weten een instapkaart KLM, zal de rechtbank teruggave gelasten aan [naam].

8. De toepasselijke wettelijke voorschriften

De opgelegde straf is gegrond op de volgende wettelijke voorschriften:

de artikelen 33, 33a, 36b, 36c, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

9. De beslissing

De rechtbank

verklaart bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals vermeld onder 4.1 van dit vonnis;

verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart dat het bewezenverklaarde de onder 5. vermelde strafbare feiten opleveren;

verklaart de verdachte hiervoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte wegens deze feiten tot:

een GEVANGENISSTRAF voor de duur van 4 (VIER) JAREN;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

verklaart verbeurd het hierboven onder 7.2.1. vermelde inbeslaggenomen voorwerp;

verklaart onttrokken aan het verkeer de hierboven onder 7.2.2 vermelde inbeslaggenomen voorwerpen;

gelast de teruggave aan [naam] van het onder 7.2.3 genoemde voorwerp.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. dr. M.J.A. Plaisier, voorzitter,

mr. J.P.C. Obbink en mr. S.R.B. Walther, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M.E. Boekholtz, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 2 maart 2006.