Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2006:AV0687

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
31-01-2006
Datum publicatie
31-01-2006
Zaaknummer
11/500718-05
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Rechtbank veroordeelt veelpleger voor een winkeldiefstal. Oplegging van ISD-maatregel van 2 jaren ondanks dat rechtbank zich bewust is dat psychische problematiek van verdachte een contra-indicatie vormt voor de oplegging van de maatregel. Daarom tussentijdse beoordeling na 3 maanden.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 38m
Wetboek van Strafrecht 310
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NBSTRAF 2006/99
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

MEERVOUDIGE STRAFKAMER

Tegenspraak

Parketnummer: 11/500718-05

Zittingsdatum : 17 januari 2006

Uitspraak : 31 januari 2006

VERKORT STRAFVONNIS

De rechtbank Dordrecht heeft op grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting vonnis gewezen in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op Curaçao (Ned. Antillen) in 1964,

zonder bekende feitelijke woon- of verblijfplaats in Nederland,

thans gedetineerd in de P.I. Zuid-West, locatie Dordtse Poorten, te Dordrecht.

De rechtbank heeft de processtukken gezien en kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen de verdediging naar voren heeft gebracht.

1. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 04 november 2005 te Dordrecht met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een of meer bussen deodorant, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Bas van der Heijden, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte.

2. De voorvragen

2.1 De geldigheid van de dagvaarding

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

2.2 De bevoegdheid van de rechtbank

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen.

2.3 De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen feiten en/of omstandigheden gebleken, die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan.

2.4 De schorsing van de vervolging

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing van de vervolging gebleken.

3. Het onderzoek ter terechtzitting

3.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft -het ten laste gelegde bewezen achtend- gevorderd aan verdachte de ISD-maatregel op te leggen voor de duur van 2 jaren, zonder aftrek van voorarrest.

3.2 De verdediging

De verdediging heeft een strafmaatverweer gevoerd.

4. De bewijsbeslissingen

4.1 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte

op 04 november 2005 te Dordrecht met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen bussen deodorant, toebehorende aan Bas van der Heijden.

Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Voor zover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4.2 De bewijsmiddelen

De rechtbank grondt haar overtuiging dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis met de bewijsmiddelen vereist, dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, in een aan dit vonnis gehechte bijlage worden opgenomen.

5. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

Het bewezenverklaarde levert op:

DIEFSTAL.

6. De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7. De redenen, die de straf hebben bepaald of tot de maatregel hebben geleid

7.1 Motivering die tot de maatregel heeft geleid

De rechtbank heeft de op te leggen maatregel bepaald op grond van de ernst van en de omstandigheden waaronder begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich wederom schuldig gemaakt aan een winkeldiefstal. Dit feit past in een lange reeks van diefstallen die verdachte in de afgelopen vijf jaren, alsmede in een lange periode daarvoor, heeft gepleegd. Dergelijke diefstallen veroorzaken veel overlast als ook verontwaardiging bij de slachtoffers en worden door de samenleving dan ook scherp afgekeurd.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op de brief van Bouman GGZ d.d. 29 november 2005 van D.P.H. Flohr en Th. Jongkind, de brief van De Grote Rivieren d.d. 15 december 2005 van L. Hoek en P. Böksen, alsmede het uittreksel uit de Justitiële Documentatie van verdachte d.d. 7 november 2005. Blijkens dat uittreksel is verdachte in het verleden veelvuldig veroordeeld ter zake van diefstallen. Verdachtes documentatie beslaat op dit moment 56 pagina's. Uit het zogenaamde "veelplegersmapje" ten name van verdachte volgt dat verdachte volgens het politiële HKS-systeem (periode 1 januari 1985 tot en met 10 augustus 2005) betrokken is geweest bij 282 feiten.

Bouman GGZ heeft in haar brief naar voren gebracht dat het niet mogelijk is gebleken verdachte te doen meewerken aan een voorlichtingsrapport en het zogenaamd RISc-onderzoek (Recidive Inschattings Schalen), omdat verdachte medewerking weigerde.

In haar brief van 15 december 2005 is door De Grote Rivieren onder meer aangegeven dat verdachte al jaren bekend is binnen die instelling vanwege zijn chronisch psychotisch toestandsbeeld, in het kader van schizofrenie, gedesorganiseerde type. Zijn psychiatrisch toestandsbeeld kan stabiel worden genoemd. De afgelopen jaren is de behandeling erg bemoeilijkt door verdachtes verslaving aan middelen en de daaruit voortvloeiende strafbare feiten. Hierdoor is een vicieuze cirkel ontstaan die hij zonder hulp en externe structuur van anderen niet kan doorbreken. Zonder ingrijpen zal de vicieuze cirkel blijven bestaan en daarmee is de kans op recidive prominent aanwezig. De Grote Rivieren concludeert dat haar behandelsetting de beschreven vicieuze cirkel niet kan doorbreken. Het wordt wenselijk geacht om de mogelijkheden van de ISD-maatregel te benutten ten einde de beoogde doelstelling, het doorbreken van de vicieuze cirkel, te behalen.

De rechtbank heeft ambtshalve het persoonsdossier van verdachte aan het dossier laten toevoegen. De oude rapportages betreffende verdachte bevestigen het hiervoor geschetste beeld van de persoon van verdachte.

De rechtbank is van oordeel dat de veiligheid van goederen het opleggen van de ISD-maatregel eist. Genoemde maatregel strekt tot beveiliging van de maatschappij en beëindiging van de recidive van verdachte. Verdachte heeft zich over een lange periode schuldig gemaakt aan vele diefstallen en eerdere interventies van de zijde van justitie hebben hierin geen verandering gebracht. Bovendien is verdachte verslaafd en moet ernstig rekening worden gehouden met het feit dat hij wederom strafbare feiten zal plegen, die samenhangen met zijn verslaving. De ISD-maatregel strekt er mede toe een bijdrage te leveren aan de oplossing van de verslavingsproblematiek van verdachte. De rechtbank is zich ervan bewust dat de psychische problematiek van verdachte een contra-indicatie vormt voor oplegging van de ISD-maatregel. De rechtbank is echter -mede gezien de brief d.d. 15 december 2005 van de Grote Rivieren- van oordeel dat de ISD-maatregel in deze zaak de enige nog passende vorm van bestraffing vormt voor verdachte.

Aan de vereisten van artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht is voldaan. Hoewel verdachte heeft geweigerd medewerking te verlenen aan het onderzoek dat ten behoeve van het ISD-advies moet worden verricht, acht de rechtbank zich op grond van genoemde rapportages en het onderzoek ter terechtzitting voldoende voorgelicht over de wenselijkheid en noodzakelijkheid van de maatregel.

Dat nog geen concreet behandelplan voorligt, zoals door de verdediging is aangevoerd, doet daaraan niet af en behoeft aan een oplegging van de maatregel niet in de weg te staan.

De rechtbank zal de duur van de ISD-maatregel bepalen op twee jaren.

De rechtbank zal bepalen dat er geen aftrek van inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis zal plaatsvinden, omdat zij vooralsnog van mening is dat verdachte de volle termijn van twee jaren nodig zal hebben om het programma met succes te kunnen afronden.

De rechtbank zal bepalen dat er door haar een tussentijdse beoordeling van de noodzaak van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de maatregel zal plaatsvinden uiterlijk drie maanden na het onherroepelijk worden van dit vonnis. Gezien verdachtes psychische toestandsbeeld zal de rechtbank de tussentijdse beoordeling van de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel stellen op een kortere termijn dan de gebruikelijke negen maanden.

8. De toepasselijke wettelijke voorschriften

De opgelegde gegrond op de volgende wettelijke voorschriften:

artikelen 38m, 38n, 38s en 310 van het Wetboek van Strafrecht.

9. De beslissing

De rechtbank

verklaart bewezen dat de verdachte heeft begaan, zoals vermeld onder van dit vonnis;

verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart dat het bewezenverklaarde oplevert;

verklaart de verdachte hiervoor strafbaar;

legt de verdachte wegens op:

PLAATSING IN EEN INRICHTING VOOR STELSELMATIGE DADERS voor de duur van TWEE JAREN;

beslist dat na DRIE MAANDEN na aanvang van de tenuitvoerlegging van de maatregel EEN TUSSENTIJDSE BEOORDELING zal plaatsvinden van de noodzaak van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de maatregel;

bepaalt dat het openbaar ministerie de rechtbank UITERLIJK ÉÉN MAAND vóór de tussentijdse beoordeling daarover zal berichten.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. dr. M.J.A. Plaisier, voorzitter,

mr. drs. F.J.P. Lock en mr. dr. C.J. van der Wilt, rechters,

in tegenwoordigheid van D.J. Boogert, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 31 januari 2006.