Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2006:AU9888

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
19-01-2006
Datum publicatie
19-01-2006
Zaaknummer
62598 / KG ZA 05-201
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Manege heeft belastingschuld. De belastingdienst laat executoriaal beslag leggen op (onder meer) twee paarden van de manege. De (schoon-)vader van de manegehouders vordert in kort geding opheffing van het beslag, stellende dat hij de eigenaar is van de paarden. Vordering afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

rolnummer : 62598 / KG ZA 05-201

datum : 19 januari 2006

RECHTBANK DORDRECHT

Sector Civiel Recht

Vonnis in kort geding

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. T.A.M. Drubbel te Almere,

procureur mr. V.J. Groot,

tegen

de Ontvanger der Belastingen,

gevestigd te Gorinchem,

gedaagde,

advocaat mr. E.E. Schipper te Amsterdam,

procureur mr. J.A. Visser.

Partijen worden hieronder aangeduid als "[eiser]" en "de Ontvanger".

Het procesverloop

1. De voorzieningenrechter heeft ter terechtzitting van 4 januari 2006 kennis genomen van de volgende processtukken:

* dagvaarding van 14 december 2005,

* proces-verbaal van de zitting van 16 december 2005,

* dagvaarding van 22 december 2005,

* pleitnotities van mr. E.E. Schipper, voornoemd,

* de door beide partijen overgelegde producties.

De feiten

2. Op grond van de - in zoverre niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken - stellingen van partijen en in het geding gebrachte producties wordt in dit geding van het volgende uitgegaan:

3. De dochter van [eiser], [naam dochter] (hierna: "[betrokkene 1]"), en haar echtgenoot [naam echtgenoot] (hierna: "[betrokkene 2]") exploiteren of exploiteerden gezamenlijk een manege in Dodewaard.

4. De FIOD heeft een onderzoek ingesteld naar [betrokkene 1] en [betrokkene 2]. Vervolgens zijn [betrokkene 2] en [betrokkene 1] strafrechtelijk veroordeeld, [betrokkene 2] terzake van oplichting in de jaren 2002 en 2003 en [betrokkene 1] terzake van belastingfraude in de periode januari 2002 tot en met oktober 2004. [betrokkene 2] heeft hoger beroep aangetekend tegen diens vonnis en [betrokkene 1] heeft berust in haar vonnis.

5. Op verzoek van de Ontvanger zijn onder meer op 4 maart 2005 op de op bedoelde manege aanwezige paarden in executoriaal beslag genomen, waaronder twee paarden genaamd Vamos en Robin. De Ontvanger heeft in eerste instantie aangekondigd dat openbare verkoping van onder meer Vamos en Robin zou plaats vinden op zaterdag 17 december 2005. Verkoop van Vamos en Robin heeft nog niet plaats gevonden. De Ontvanger heeft toegezegd de uitkomst van de onderhavige procedure af te wachten.

6. De huidige belastingschuld van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] bedraagt circa € 450.000,-.

De vorderingen

7. [eiser] vordert na eisvermeerdering bij dagvaarding van 22 december 2006 en eisvermindering (de vordering tot verbeurte van een dwangsom is) ter zitting (ingetrokken)

- kort samengevat - bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de Ontvanger te verbieden om Vamos en Robin openbaar te verkopen totdat in rechte onherroepelijk over de eigendom van de twee paarden is beslist. Voorts vordert [eiser] om Vamos en Robin in het bezit van [eiser] te stellen, een en ander met veroordeling van de Ontvanger in de kosten van het geding. [eiser] stelt daartoe onder meer het volgende.

8. Robin en Vamos behoren in eigendom toe aan [eiser]. [eiser] heeft de beide paarden gekocht van [betrokkene 2] voordat beslag is gelegd. [eiser] heeft Robin gekocht op 25 juli 1999 voor fl. 2.000,- en Vamos op 27 juni 2004 voor € 2.000,-. Ieder van de paarden heeft inmiddels een waarde van omstreeks € 30.000,-. [eiser] heeft spoedeisend belang bij het terugverkrijgen van de paarden omdat Robin niet op wedstrijden kan worden uitgebracht en Vamos niet beschikbaar is voor dekkingen.

Het verweer

9. De conclusie van de Ontvanger strekt tot afwijzing van de vordering met veroordeling van [eiser] in de kosten van het geding. De ontvanger stelt dat Robin en Vamos zich steeds bij [betrokkene 2] en [betrokkene 1] hebben bevonden en dat niet is aangetoond dat Robin en Vamos in eigendom toebehoren aan [eiser]. Indien [eiser] wel eigenaar zou zijn, dan worden de twee paarden nog steeds getroffen door het gelegde bodembeslag. Voorts zijn de twee koopovereenkomsten betreffende de beide paarden vernietigbaar omdat sprake is van paulianeus handelen, nu de paarden voor een prijs zijn verkocht die ver onder de marktwaarde ligt.

De beoordeling

7. Naar voorlopig oordeel is niet aannemelijk geworden dat in een bodemprocedure zal komen vast te staan dat [eiser] eigenaar is van de paarden Vamos en Robin.

Volgens de stellingen van [eiser] is Robin op 25 juli 1999 door [betrokkene 2] aan hem verkocht en geleverd. Uit het als productie 10 overgelegde 'paardenpaspoort' betreffende Robin blijkt dat [betrokkene 2] het paard op 5 september 2000 bij de NRPS op naam van zijn manege heeft laten registreren en het op 8 april 2003 op zijn eigen naam heeft laten registreren. Gegeven de belastingproblemen bij [betrokkene 2] en [betrokkene 1] in de periode 2002 - 2004, de familieverhouding en de gestelde waarde van Robin ligt het niet voor de hand aan te nemen dat [betrokkene 2] in die periode Robin in strijd met de waarheid op zijn eigen naam heeft laten registreren.

Volgens de stellingen van [eiser] is Vamos op 27 juni 2004 door [betrokkene 2] aan hem verkocht en geleverd. Uit het als productie 11 overgelegde 'paardenpaspoort' betreffende Vamos blijkt dat [betrokkene 2] het paard op 15 november 2004 bij de KWPN en op 12 februari 2005 bij het Europees Stamboek op zijn eigen naam heeft laten registreren. Gegeven de belastingproblemen bij [betrokkene 2] en [betrokkene 1] in de periode 2002 - 2004, de familieverhouding en de gestelde waarde van Vamos ligt het niet voor de hand aan te nemen dat [betrokkene 2] Vamos in strijd met de waarheid op zijn eigen naam heeft laten registreren.

8. Voorts weegt het belang van de Ontvanger om tot verkoop van de twee paarden over te gaan zwaarder dan het belang van [eiser]. Een bijzonder belang bij behoud van de beide paarden, anders dan een potentieel gemis aan geldelijk gewin ermee, heeft [eiser] niet gesteld. Indien en voor zover [eiser] in een bodemprocedure in het gelijk mocht worden gesteld, zal het financieel verlies in de vorm van een aan [eiser] toe te kennen schadevergoeding kunnen worden goedgemaakt.

9. Op het vorenstaande stuiten de vorderingen af.

10. De vorderingen van [eiser] worden mitsdien afgewezen.

11. Als de in het ongelijk gestelde partij zal [eiser] worden veroordeeld in de proceskosten.

De beslissing in kort geding

De voorzieningenrechter:

wijst de vorderingen af;

veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van de Ontvanger bepaald op € 816,-- aan salaris van de procureur en € 244,-- aan verschotten, (griffierecht).

Dit vonnis is gewezen door mr. W. P. Sprenger en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 januari 2006.