Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2006:AU9307

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
04-01-2006
Datum publicatie
10-01-2006
Zaaknummer
54217 HA ZA 04/2346
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Onteigening; pachter, liquidatie of voortzetting bedrijf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Grondzaken 2006/49
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Zaak/rolnummer: 54217 HA ZA 04-2346

Vonnisdatum : 4 januari 2006

Rechtbank Dordrecht

Sector Civiel Recht

Vonnis van de enkelvoudige kamer voor onteigeningszaken

in de zaak van

de rechtspersoon naar publiek recht

het Hoogheemraadschap van de Alblasserwaard en de Vijfheerenlanden,

thans Waterschap Rivierenland,

zetelend te Tiel,

eiser,

hierna te noemen: het waterschap,

procureur mr. J.A. Visser,

tegen

[intervenient],

wonende te [woonplaats],

interveniënt,

hierna te noemen: [interveniënt],

procureur mr. J.H. Silfhout.

Het verdere procesverloop

1. Bij tussenvonnis van 30 juni 2004, welk vonnis op 7 oktober 2004 is ingeschreven in de openbare registers, heeft de rechtbank voor zover thans van belang [interveniënt] toegelaten in de onderhavige procedure tussen te komen en voorts de vervroegde onteigening uitgesproken van de in de dagvaarding omschreven onroerende zaken, te weten een gedeelte ter grootte van 00.70.60 ha van het perceel, kadastraal bekend [kadasternummer] (totaal groot 5.04.80 ha; weiland), een gedeelte ter grootte van 0.04.15 ha van het perceel, [kadasternummer] (totaal groot 10.80.30 ha; boomgaard, schuur), een gedeelte ter grootte van 0.07.99 ha van het perceel, kadastraal bekend [kadasternummer] (totaal groot 0.24.80 ha; boomgaard, huis), een gedeelte ter grootte van 0.49.85 ha van het perceel, kadastraal bekend [kadasternummer] (totaal groot 0.61.90 ha; weiland), welke perceelsgedeelten ter onteigening zijn aangewezen bij Koninklijk Besluit van 6 mei 2002, nr. 02.002171, gepubliceerd in de Nederlandse Staatscourant van 3 juni 2002, nummer 102, p. 10-23.

2. Het ingevolge artikel 54i, tweede lid van de Onteigeningswet (Ow) ten behoeve van [interveniënt] uit te betalen voorschot op de schadeloosstelling is bepaald op 100% van de aangeboden schadeloosstelling oftewel € 4.651,-- (vierduizendzeshonderd eenenvijftig euro).

3. Met benoeming van een rechter-commissaris en drie deskundigen (hierna te noemen: de deskundigen) is voorts een onderzoek bevolen ter begroting van de schade welke het gevolg van de onteigening zal zijn voor [interveniënt].

4. De bij voormeld tussenvonnis bevolen opneming door de deskundigen heeft op 26 augustus 2004 in aanwezigheid van de rechter-commissaris plaatsgevonden. Bij die gelegenheid hebben partijen bijgestaan door hun raadslieden, hun standpunten en alle feiten en omstandigheden naar voren gebracht, zoals blijkt uit het proces-verbaal van plaatsopneming dat zich bij de stukken bevindt.

5. De deskundigen hebben hun voorlopig rapport aan partijen gezonden met afschrift daarvan aan de rechtbank. Op dit voorlopig rapport hebben partijen schriftelijk gereageerd aan het adres van de deskundigen.

6. Het definitieve deskundigenrapport is op 6 april 2005 ter griffie van de rechtbank gedeponeerd, alwaar het ter inzage heeft gelegen. De reacties van partijen op het voorlopig rapport zijn in het definitieve deskundigenrapport verwerkt.

7. Alle bij de wet voorgeschreven aankondigingen zijn geschied in het daartoe aangewezen nieuwsblad.

8. Ter terechtzitting van 18 augustus 2005 hebben partijen de zaak doen bepleiten door hun raadslieden. De advocaat van het waterschap mr. J.E.F.M. den Drijver-van Rijckevorsel heeft daarbij gebruik gemaakt van daartoe overgelegde pleitnotities. [interveniënt] heeft de zaak doen bepleiten door zijn advocaat mr. R.F. Thunnissen aan de hand van een daartoe overgelegde pleitnota. De deskundigen hebben aan de hand van een daartoe overgelegde schriftelijke notitie hun definitieve rapport toegelicht.

9. Partijen hebben vervolgens vonnis gevraagd.

Het geschil

Het (definitieve) deskundigenrapport

10. De deskundigen begroten op basis van vervangende aankoop de totale schadeloosstelling voor [interveniënt] als gevolg van de onderhavige onteigening uiteindelijk op totaal € 12.975,--. Afzonderlijk hebben zij de schadeloosstelling als volgt begroot:

- afgeronde aankoopsom vervangende grond € 36.300,--

- kosten van geschikt maken € 3.300,--

totale investering € 39.600,--

jaarlijkse financieringslasten € 1.980,--

af: besparing pachtsom € 490,--

voordeel positieverbetering pachter/eigenaar € 250,--

€ 740,--

€ 1.240,--

bij: vaste eigenaarslasten € 135,--

€ 1.375,--

berekend met factor 9 komt de financieringsschade

aldus uit op (9 x € 1.375,--) € 12.375,--

transport € 12.375,--

bij: aankoopkosten vervanging € 600,--

totaal € 12.975,--

alles met bepaling dat de door het waterschap gedane bijkomende aanbiedingen, als nader in het rapport omschreven, gestand dienen te worden gedaan, en met vergoeding van de rente over het verschil tussen het betaalde voorschot en de schadeloosstelling.

De standpunten van partijen en de reactie van de deskundigen

Bezwaren waterschap

11. Het waterschap heeft bij gelegenheid van het pleidooi de in het deskundigenrapport genoemde toekomstige bedrijfsopvolging niet langer betwist. Het waterschap blijft bij haar bezwaar tegen de door de deskundigen gevolgde methode, gebaseerd op vervangende aankoop, voor de berekening van de aan de pachter [interveniënt] toekomende schadeloosstelling voor het verlies van pachtgrond tengevolge van de onteigening. Het waterschap meent dat hetgeen de deskundigen in het rapport over toeslagrechten/subsidies vermelden onvoldoende is voor de conclusie dat grond moet worden bijgekocht. Volgens het waterschap hebben de deskundigen ten onrechte rekening gehouden met de mogelijkheid van verkrijging van toeslagrechten. Het waterschap verwijst daartoe naar de mededeling bij brief d.d. 31 maart 2005 van de deskundige van [interveniënt] waaruit blijkt dat toeslagrechten persoonsgebonden zijn en geen schade opleveren en dat daarmee geen rekening behoeft te worden gehouden. Het verkrijgen van toeslagrechten is dan ook niet als een op de peildatum zekere en voorzienbare toekomstige gebeurtenis aan te merken, aldus het waterschap. Het waterschap is van mening dat de deskundigen door desondanks rekening te houden met toeslagrechten een onjuist criterium hebben aangelegd voor de onderhavige aankoop van grond aangezien op de peildatum het verkrijgen van toeslagrechten en/of subsidies als een op de peildatum onzekere en niet voorzienbare gebeurtenis is te beschouwen, zodat daar geen rekening mee hoeft te worden gehouden bij het vaststellen van de schadevergoeding. Voor dit standpunt beroept het waterschap zich mede op het arrest van de Hoge Raad van 13 augustus 2004, NJ 2005/150, Kalsbeek/Staat. Met betrekking tot de door de deskundigen genoemde verwachte toeslagrechten voor melk blijft het waterschap van oordeel dat, zo dat al het geval is, het daaruit door het waterschap berekende voortvloeiende subsidiebedrag ad € 373,80 te gering is tegenover de investering (volgens het waterschap van ongeveer € 45.000,--) om te besluiten tot aankoop van vervangende grond.

12. Het waterschap acht het voorts voor de beantwoording van de vraag: 'bijkopen of liquideren?' van belang nogmaals te wijzen op het arrest van de Hoge Raad van 14 november 2003, NJ 2004/129, Staat/Heere. In het licht van genoemd arrest kan het waterschap de deskundigen niet volgen in hun opvatting dat voor de vaststelling van de schadeloosstelling van vervanging moet worden uitgegaan omdat daarbij de bedrijfswinst in stand wordt gehouden en bij gedeeltelijke liquidatie geen meerwinst is te verwachten. Voorts hebben de deskundigen bij hun schadeberekening op basis van liquidatie niet, zoals de Hoge Raad bedoelt, de investering in het bedrijf in aanmerking genomen doch deze berekening ten onrechte gebaseerd op de aankoop van vervangend voer, waarbij de schade met voor- en nadelen is berekend op € 10.173,--.

13. Volgens het waterschap brengt de investering ( ongeveer (€ 45.000,--), wanneer deze op de bank blijft staan ongeveer 4% rente op, ofwel € 1.800,-- per jaar. Meer winst door investering in het bedrijf is niet te verwachten of het zou moeten zijn de melksubsidie ad € 373,80, maar dat is aanzienlijk minder dan de renteopbrengst. Bijkopen van grond is daarom geen rationele bedrijfsbeslissing, aldus het waterschap. Het waterschap blijft van oordeel dat bijkopen van vervangende grond niet aan de orde is maar dat moet worden uitgegaan van het bijkopen van vervangend voer.

14. Tenslotte heeft het waterschap bezwaar gemaakt tegen de door de deskundigen gehanteerde financieringsrente ad 5% ten behoeve van de aankoop. Volgens het waterschap is dit percentage te hoog aangezien het op de peildatum mogelijk was een hypothecaire lening te sluiten tegen ongeveer 4% per jaar, ook voor een langere tijd aldus het waterschap.

Bezwaren [interveniënt]

15. [interveniënt] kan instemmen met de benaderingswijze van de deskundigen om de schadeloosstelling te baseren op vervangende aankoop doch hij acht de kosten verbonden aan het geschikt maken van de vervangende grond door de deskundigen te laag geschat. Hij is van mening dat het door hem dienaangaande opgegeven bedrag ad € 4.537,80 een reële raming is en voldoende onderbouwd bij brief van 8 maart 2005 aan de deskundigen (produktie 8 bij het rapport). Voorts hebben de deskundigen ten onrechte geen rekening gehouden met kosten van herstel van de tuin tengevolge van de werkzaamheden rond de verzwaring van de dijk.

Reactie deskundigen

16. De reacties van partijen op het conceptrapport hebben de deskundigen aanleiding gegeven tot herziening van de post kosten van geschikt maken van de vervangende grond waarvoor een bedrag van € 600,-- is toegevoegd en tot het laten vervallen van de aftrek wegens voordeel melkquotum ten bedrage van € 4.725,--. Voor het overige hebben de reacties van partijen geen aanleiding gegeven tot aanpassing of aanvulling van het conceptrapport.

17. Bij gelegenheid van de pleidooien zijn de deskundigen aan de hand van een schriftelijke notitie ingegaan op de opmerkingen respectievelijk gehandhaafde bezwaren van partijen. De deskundigen hebben daarin geen aanleiding gevonden tot aanpassing dan wel herziening van de begrote schadeloosstelling. Zij blijven bij de inhoud van het rapport met de daarin begrote schadeloosstelling ten behoeve van [interveniënt]. Ten aanzien van de bijkomende schade blijven de deskundigen van mening dat [interveniënt] niet in aanmerking komt voor vergoeding van bijkomende schade anders dan door hen begroot.

De beoordeling van het geschil

18. Het gaat in dit geding om het vaststellen van de schade die [interveniënt] mogelijk heeft geleden als gevolg van de onteigening van de in r.o. 1 omschreven pachtpercelen.

Beschrijving

19. De rechtbank neemt - nu partijen daartegen geen bezwaar hebben gemaakt - als vaststaand over de beschrijving van het bedrijf van [interveniënt] en van het onteigende (ontnomen pachtareaal) in het definitieve deskundigenrapport op blz. 5 tot en met blz. 9. en neemt als peildatum schadeloosstelling 7 oktober 2004, de datum van inschrijving van het onteigeningsvonnis.

20. Door [interveniënt] wordt in maatschapsverband met zijn echtgenote een melkveebedrijf geëxploiteerd met voorafgaande aan de onteigening een oppervlakte van in totaal 31 ha, waarvan ca. 14 ha eigendom en ca. 17.75 ha pacht. Sedert augustus 2004 is de maatschap uitgebreid met een zoon. Partijen zijn het er over eens dat deze toetreding in de normale lijn der verwachtingen lag als aanloop naar toekomstige bedrijfsopvolging en - hoewel geëffectueerd na de datum van ter visielegging - geen consequenties heeft op grond van het bepaalde in artikel 39 Ow.

Liquidatie of voortzetting

21. In totaal gaat tengevolge van de onteigening 1.24.60 ha pachtgrond verloren, zijnde 4 % van het totale bedrijfsareaal en 7 % van de totale pachtgrond. [interveniënt] heeft vooruitlopend op de onteigening bij akte van 22 oktober 2002 een perceel, [perceelnaam], groot 1.08.60 ha, deel uitmakend van de binnendijks gelegen huiskavel in eigendom verworven. Dit perceel, dat direct aansluit op de reeds bij [interveniënt] in gebruik zijnde gronden van de huiskavel, is door [interveniënt] aangekocht voor de prijs van € 36.302,42 (kosten koper) ter vervanging van de door de onderhavige onteigening verloren gegane pachtgrond.

22. Blijkens hun rapport hebben de deskundigen alvorens tot hun advies te komen zich allereerst afgevraagd of de schadeloosstelling al dan niet gebaseerd dient te worden op vervangende aankoop, en zo ja, of daarbij kan worden uitgegaan van de feitelijk in 2002 gerealiseerde aankoop van perceel [perceelnaam]. In het onderhavige geval dient volgens deskundigen hierbij te worden bezien of het in de rede ligt dat een pachter als [interveniënt], die zijn bedrijf uitoefent op ca. 31 ha grond, als zakelijk handelend ondernemer ter vervanging van het door de onteigening verloren gegane pachtareaal van 1.24.60 ha vervangende grond zou aankopen. Daarbij moet in aanmerking worden genomen wat die pachter op grond van zakelijke overwegingen zal besluiten.

23. Naast andere omstandigheden zal hierbij volgens de deskundigen ook moeten worden betrokken de verhouding tussen het bedrag van de voor de aankoop van de vervangende grond te verrichten investering en de (meer)winst die van de exploitatie van die vervangende grond valt verwachten (aldus ook: HR 14 november 2003, NJ 2004, 129, Staat/Heere). De deskundigen hebben voorts berekend waarop de schadevergoeding bij liquidatie van de bedrijfsvoering op het onteigende, gebaseerd op de aankoop van vervangend voer, zou uitkomen. Op basis van deze berekening zou de schadevergoeding uitkomen op € 10.173,15.

24. De deskundigen hebben uiteindelijk geadviseerd de aan [interveniënt] toekomende schadeloosstelling te baseren op vervangende aankoop. De deskundigen hebben hierbij in aanmerking genomen dat het onteigende niet een verwaarloosbaar gedeelte van het totale areaal uitmaakt, dat het gaat om een levensvatbaar agrarisch bedrijf waar de opvolging van de 61-jarige pachter is gewaarborgd, en dat de wens om het totale bedrijfsareaal tenminste op het bestaande peil te handhaven (mede in verband met de bestaande en toekomstige mestregelgeving en de aanspraak op de eerder door deskundigen gesignaleerde toeslagrechten, ook al komt de naleving van de regelgeving door de onderhavige onteigening niet onmiddellijk in gevaar) niet alleen voor [interveniënt], maar ook in zijn algemeenheid voor een redelijk handelende agrarische ondernemer als een redelijk uitgangspunt mag gelden. Hoewel van de exploitatie van de vervangende grond geen meerwinst te verwachten valt maar hooguit instandhouding van de winst, voortvloeiende uit de exploitatie van het oorspronkelijke perceel dient volgens de deskundigen, gelet op het voorgaande, de verwerving van een vervangend perceel als de meest redelijke oplossing te worden beschouwd, en doet niet meer ter zake de vraag of de kosten van verwerving van het vervangende perceel hoger uitkomen dan de inkomensschade in geval van gedeeltelijke liquidatie.

25. Bij gelegenheid van de pleidooien hebben deskundigen aan hun voormelde standpunt nog toegevoegd dat bij de beantwoording van de vraag of een redelijk handelend ondernemer in de positie van [interveniënt] zou overgaan tot aankoop van vervangende grond niet alleen het opvolgingsaspect doorslaggevend is. Volgens de deskundigen heeft een agrarisch bedrijf als dat van [interveniënt] met een boer die per peildatum 61 jaar en gezond is los van dit opvolgingsaspect normale toekomstmogelijkheden die een vervangende aankoop rechtvaardigen. Deskundigen hebben voorts gewezen op hetgeen zij hebben vermeld in hun definitieve rapport (blz. 20) ten aanzien van de verdikking van het melkquotum. Uit hetgeen is aangevoerd omtrent het in gezamenlijk overleg indikken en dus in stand laten van het melkquotum blijkt ook volgens de deskundigen, dat beide partijen het oog hebben op een reguliere voortzetting van het bedrijf zonder gedeeltelijke liquidatie bij onteigening.

26. De deskundigen hebben er voorts op gewezen dat zij, anders dan het waterschap naar voren heeft gebracht, slechts beperkte betekenis hebben toegekend aan het mogelijke verlies van toeslagrechten en subsidies aangezien per peildatum 7 oktober 2004 de gegevens daaromtrent nog niet uitgekristalliseerd waren, niet bij [interveniënt] en ook niet bij de overheid. Andere factoren achten zij belangrijker hetgeen ook blijkt uit hun rapport, aldus deskundigen.

27. De rechtbank sluit zich aan bij voormeld advies van de deskundigen. De daartegen gerichte bezwaren van het waterschap vinden hun weerlegging in het definitieve rapport, de daarin gegeven nadere toelichting alsmede in de nadere schriftelijke toelichting 'opmerkingen van deskundigen' bij gelegenheid van de pleidooien. De rechtbank maakt deze weerlegging en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen tot de hare en voegt daaraan nog het volgende toe.

28. Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad valt als algemene regel van schadeloosstelling af te leiden dat die oplossing gekozen moet worden welke in de gegeven omstandigheden het meest in de rede ligt en, indien meerdere oplossingen redelijk kunnen worden geacht, de oplossing die tot de minste schade leidt. Als de duurste oplossing het meest redelijk is, moet die worden gekozen. De persoonlijke voorkeur van de onteigende speelt daarbij geen rol. Verder is bij de taxatie van de schadeloosstelling uitgangspunt dat de onteigende op redelijke wijze zal handelen om de schade te beperken. Zo dient bij de beslissing of voor taxatie van de schadeloosstelling als uitgangspunt moet worden genomen bedrijfsvoortzetting of -liquidatie als criterium te gelden wat een redelijk handelend ondernemer zou doen, die onder dezelfde omstandigheden op zakelijke overwegingen tot zijn beslissing komt.

29. Naar het oordeel van de rechtbank hebben de deskundigen blijkens hun overwegingen in het rapport en de daarop gegeven toelichting voor het door hen gekozen uitgangspunt van bedrijfsvoortzetting bovengenoemde criteria in acht genomen voor de berekening van de aan [interveniënt] toe te komen schadeloosstelling. De rechtbank onderschrijft daarbij de overweging van deskundigen dat het van algemene bekendheid is, dat schaalvergroting, ook bij agrarische bedrijven, noodzakelijk is om de kostprijs van producten te drukken en andersom - in het bijzonder in de onderhavige situatie - gedwongen schaalverkleining tot een daarmee niet evenredige winstderving door het feit dat de vaste productiekosten voor een verkleind areaal niet althans niet evenredig verminderen. Daar waar [interveniënt] zich in de voorbije jaren voortdurend heeft ingespannen om zijn bedrijf te vergroten teneinde de levensvatbaarheid en de winst op peil te houden, is het niet redelijk van hem te vergen en ligt het ook niet voor de hand bij een redelijk handelend ondernemer, dat hij besluit mee te werken aan een verkleining en daartoe overgaat tot gedeeltelijk liquidatie van de bedrijfsvoering. Dit geldt temeer indien bij gebreke van beschikbare pachtgronden de mogelijkheid bestaat om aansluitend aan een huiskavel een vervangend perceel aan te kopen zoals in het onderhavige geval is geschied. Bovendien is niet gebleken dat er sprake is van een wanverhouding tussen het bedrag samenhangende met de vervangende aankoop en de te verwachten winst. Met het (relatief kleine) investeringsbedrag wordt naar verwachting instandhouding van de winst voortvloeiende uit de exploitatie van het oorspronkelijke areaal bereikt. Van meerwinst tengevolge van deze investering kan naar verwachting derhalve niet worden gesproken, doch uit het door het waterschap aangehaalde arrest van de Hoge Raad d.d. 14 november 2003 kan niet worden afgeleid dat alleen als er sprake is van meerwinst vervangende grondaankoop uitgangspunt kan zijn.

Financieringsrente

30. Bij gelegenheid van het pleidooi heeft het waterschap bezwaar gemaakt tegen het door de deskundigen bepaalde rentepercentage ad 5 % waartegen de aankoop gefinancierd moet worden. Volgens het waterschap was het per peildatum mogelijk een hypothecaire lening af te sluiten tegen ± 4 %, ook voor een langere periode. De rechtbank ziet geen aanleiding de door de deskundigen bepaalde financieringsrente te wijzigen. Het door het waterschap aangevoerde - niet nader gemotiveerde - bezwaar vindt naar het oordeel van de rechtbank zijn weerlegging, welke door de rechtbank wordt gevolgd, in hetgeen door de deskundigen is vermeld in hun bij pleidooi overgelegde schriftelijke notitie.

Bijkomende schade

31. [interveniënt] is van mening dat de kosten voor het geschikt maken van de vervangende grond te laag door de deskundigen zijn begroot. Volgens [interveniënt] dienen deze kosten te worden geraamd op € 4.537,80. [interveniënt] verwijst daartoe naar de brief aan de deskundigen van 8 maart 2005, welke als bijlage 8 is gevoegd bij het rapport van de deskundigen.

Voorts hebben de deskundigen ten onrechte geen rekening gehouden met de kosten voor herstel van de tuin. Volgens [interveniënt] komen deze kosten voor vergoeding in aanmerking aangezien hij ten gevolge van de met de onteigening gepaard gaande werkzaamheden rond de verzwaring van het dijklichaam als eigenaar van die tuin schade lijdt.

32. De rechtbank ziet geen reden te twijfelen aan de juistheid van de door de deskundigen - na heroverweging - begrote kosten met de daarbij gevolgde uitgangspunten voor het geschikt maken van de vervangende grond nu [interveniënt] verzuimd heeft deze kosten nader te specificeren, bijvoorbeeld met facturen, en slechts volstaan heeft met een raming daarvan. Evenmin valt in te zien dat de kosten van herstel van de tuin, zo daar al sprake van zou zijn, voor vergoeding in aanmerking komen aangezien de deskundigen naar het oordeel van de rechtbank daartoe terecht hebben overwogen dat de tuin niet tot het gepachte behoort en een gebruik van de tuin van een ander, kennelijk zonder recht of titel, geen aanspraak geeft op onteigeningsvergoeding.

Totale schadevergoeding

33. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, bepaalt de rechtbank de aan [interveniënt] toekomende schadeloosstelling op een totaalbedrag van € 12.975,--. Over dit bedrag, verminderd met het reeds betaalde voorschot, is het waterschap de wettelijke rente verschuldigd te rekenen vanaf de datum waarop het in artikel 54 i Ow bedoelde vonnis - in casu het vonnis van 30 juni 2004 - is ingeschreven in de openbare registers, te weten: 7 oktober 2004. Daarbij wordt verstaan dat het waterschap zijn bijkomende aanbiedingen als gedaan in de aan de dagvaarding gehechte en daarvan deel uitmakende bijlage 1 'lijst bijkomende aanbiedingen [interveniënt]' gestand zal doen.

Proceskosten

34. Op grond van artikel 50 Ow dienen de proceskosten die naar het oordeel van de rechtbank redelijkerwijze door [interveniënt] zijn gemaakt door het waterschap te worden vergoed. Door [interveniënt] is gevorderd een bedrag aan proceskosten van in totaal € 8.757,03 waarvan € 3.405,78 aan kosten voor rechtskundige bijstand en € 5.351,25 aan kosten van andere deskundige bijstand.

35. Het waterschap kan instemmen met de gevorderde kosten van rechtsbijstand. De kosten van andere rechtskundige bijstand komen het waterschap te hoog voor. Te dien aanzien refereert het waterschap zich aan het oordeel van de rechtbank.

36. [interveniënt] heeft het door hem gevorderde bedrag aan kosten voor rechtskundige bijstand gespecificeerd aan de hand van een notitie met opgave en urenverantwoording. De rechtbank is van oordeel dat deze kosten in redelijkheid voor vergoeding in aanmerking komen. Het gevorderde bedrag aan andere deskundige bijstand (de kosten van N. Doelman van Van den Berg Makelaars o.g.) is eveneens door [interveniënt] gespecificeerd aan de hand van een declaratie met urenverantwoording. Gelet op de aard en het belang van de zaak, is de rechtbank van oordeel dat het redelijk was genoemde kosten te maken en dat deze binnen een redelijke omvang zijn gebleven. Derhalve zal de rechtbank de proceskosten vaststellen als gevorderd.

37. Het waterschap dient voorts - zoals gebruikelijk - de kosten van de door de rechtbank benoemde deskundigen te vergoeden.

De beslissing

De rechtbank:

bepaalt het bedrag van de verschuldigde schadeloosstelling door het waterschap aan [interveniënt] te betalen op € 12.975,--, welke bedrag verrekend dient te worden met het reeds betaalde voorschot ad € 4.651,--;

veroordeelt het waterschap om tegen kwijting aan [interveniënt] te betalen € 8.324,-- (achtduizenddriehonderdvierentwintig Euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 oktober 2004 tot aan de datum van de uitspraak van deze beslissing, welk totaalbedrag dient te worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf heden tot aan de dag der voldoening;

bepaalt dat het waterschap de bijkomende aanbiedingen zoals vermeld in rechtsoverweging 33 van dit vonnis desverlangd gestand zal doen;

veroordeelt het waterschap tot betaling van de kosten van deze procedure, tot op heden aan de zijde van [interveniënt] begroot op € 3.405,78 aan salaris van de procureur, € 5.351,25 aan andere deskundige bijstand, en € 241,-- aan verschotten, alsmede tot betaling van de kosten van de door de rechtbank benoemde deskundigen;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het AD, editie Rivierenland, aan als het nieuwsblad waarin de griffier dit vonnis bij uittreksel zal doen plaatsen.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.T.J.F. Verhappen en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 januari 2006.