Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2005:AV3448

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
16-12-2005
Datum publicatie
06-03-2006
Zaaknummer
AWB 05-286
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Het verzoek van eiser om zijn voorlopige inschrijving als tolk in het Kwaliteitsregister Tolken en Vertalers om te zetten in een definitieve inschrijving is door de Raad voor Rechtsbijstand te ’s-Hertogenbosch afgewezen. De rechtbank is van oordeel dat eiser geen belang heeft bij zijn beroep tegen dit besluit omdat de afwijzing voor hem (vooralsnog) geen negatieve gevolgen heeft.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Sector Bestuursrecht

Reg.nr : AWB 05/286

Uitspraak in de zaak van

[xxx], eiser,

tegen

de Minister van Justitie, verweerder,

gemachtigde: [xxx], werkzaam bij het ministerie van Justitie.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Bij besluit van 15 december 2004 heeft de Raad voor Rechtsbijstand te 's Hertogenbosch namens verweerder eiser medegedeeld dat hij het verzoek van eiser om diens voorlopige inschrijving als tolk voor de taal Duits in het Kwaliteitsregister Tolken en Vertalers om te zetten in een definitieve inschrijving heeft afgewezen.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 10 januari 2005 bezwaar gemaakt bij verweerder.

Bij besluit van 25 januari 2005 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 4 maart 2005 beroep ingesteld bij de rechtbank Dordrecht.

De zaak is op 30 augustus 2005 ter zitting van een meervoudige kamer behandeld.

Eiser is ter zitting verschenen.

Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

II. OVERWEGINGEN

De rechtbank ziet aanleiding om in te gaan op de vraag of eiser in zijn beroep kan worden ontvangen.

Het bij het bestreden besluit gehandhaafde besluit tot afwijzing van het verzoek van eiser om zijn voorlopige inschrijving als tolk voor de taal Duits in het Kwaliteitsregister Tolken en Vertalers om te zetten in een definitieve inschrijving is gebaseerd op het registratiebeleid voor tolken en vertalers.

Het registratiebeleid komt blijkens de door verweerder aan eiser gestuurde brief van 20 juni 2000 voort uit de behoefte om uniforme kwaliteitseisen te stellen aan tolken en vertalers die worden ingeschakeld door diensten of instanties die vallen onder het gezagsbereik van het ministerie van Justitie.

Uit de aan eiser verzonden brief van 6 december 2001 volgt dat verweerder daartoe het Kwaliteitsregister Tolken en Vertalers (verder: het register) in het leven heeft geroepen. Het beheer van dit register berust bij de Raad voor rechtsbijstand te 's-Hertogenbosch (Staatscourant 16 mei 2003, nr. 94, p. 8). In de brief van 6 december 2001 wordt voorts bekendgemaakt dat de tolken, zoals eiser, die een zogenaamde kwaliteitsovereenkomst hebben getekend met ingang van 1 januari 2002 een voorlopige inschrijving in het register krijgen. De bedoelde brief vermeldt tevens dat "afnemers van Justitie" in het register ingeschreven tolken met voorrang zullen inzetten.

De door verweerder aan eiser verstuurde brief van 16 september 2004 houdt in dat voor definitieve registratie in aanmerking komt de tolk die met goed gevolg een erkende tolkopleiding heeft gevolgd en die beschikt over aantoonbare voldoende tolkervaring of de tolk die géén erkende tolkopleiding heeft gevolgd, maar die wel beschikt over aantoonbaar voldoende tolkervaring en die daarnaast een kwaliteitstoets heeft afgelegd. De brief vermeldt verder dat afnemers van justitie "op basis van uw huidige registratie (...) gebruik kunnen blijven maken van uw diensten als tolk of vertaler".

Blijkens het verhandelde ter zitting beoogt verweerder met het registratiebeleid vooruit te lopen op een wetsvoorstel (29 936) dat bij de Tweede Kamer aanhangig is gemaakt. Artikel 28 van dit wetsvoorstel regelt een afnameplicht voor bepaalde justitiële diensten en instanties, zoals de politie. Artikel 37, derde lid, van het wetsvoorstel luidt dat tolken die op het moment van inwerkingtreding van de wet definitief zijn ingeschreven in het register na overlegging van een verklaring omtrent het gedrag en het afleggen van de eed of belofte van rechtswege worden aangemerkt als gerechtstolk in de zin van de wet. Een dergelijke aanspraak kent het wetsvoorstel niet toe aan de op het moment van inwerkingtreding als voorlopig geregistreerde tolk.

Uit het dossier blijkt dat eiser in het Kwaliteitsregister Tolken en Vertalers is ingeschreven als tolk voor de taal Duits met als status `voorlopig'.

Uit de aanvraag van eiser kan worden afgeleid, hetgeen ook ter zitting door eiser is bevestigd, dat hij zijn voorlopige inschrijving wil omzetten in een definitieve, omdat hij regelmatig tolkt voor de politie in de Duitse taal en het Coördinatiepunt politietolken en -vertalers Zuid-West Nederland hem heeft aangegeven dat een plicht gaat gelden tot afname van definitief in het register ingeschreven tolken.

Het is de rechtbank niet gebleken dat op grond van het huidige registratiebeleid bijzondere voor- of nadelen zijn verbonden aan de voorlopige of definitieve status. Ter zitting is ook door eiser en verweerder verklaard dat alleen aan het al dan niet inschrijven in het register een voor eiser negatieve consequentie is verbonden. Dat gevolg bestaat uit het feit dat zogenaamde afnemers van justitie, zoals de politie, geen of minder gebruik maken van niet in het register opgenomen tolken en dat wèl geregistreerde tolken bij voorrang worden ingezet. Dit wordt ook bevestigd door de aangehaalde brieven van verweerder aan eiser van 6 december 2001 en 16 september 2004.

Voorts heeft de rechtbank evenmin geconstateerd dat eiser op dit moment in de praktijk enig nadeel ondervindt van zijn voorlopige status. Uit hetgeen eiser ter zitting naar voren heeft gebracht, leidt de rechtbank af dat eiser verwacht pas daadwerkelijk nadeel te ondervinden, indien in de toekomst een afnameplicht voor gerechtstolken gaat gelden. Dit is een gevolg dat mogelijk is verbonden aan de inwerkingtreding van de Wet gerechtstolken en beëdigde vertalers, waarvan het wetsvoorstel nu nog bij de Tweede Kamer ligt.

Nu eiser bij een gegrondverklaring van het beroep niet in een gunstiger positie zou komen te verkeren - immers niet is gebleken dat hij daardoor meer zal worden ingeschakeld als tolk - en het ontstaan van een eventuele aanspraak op de kwalificatie gerechtstolk als bedoeld in de Wet gerechtstolken en beëdigde vertalers afhankelijk is van een onzekere toekomstige gebeurtenis - namelijk de inwerkingtreding van die wet waarvan niet zeker is dat het voorstel zoals dat nu bij de Tweede Kamer ligt ook tot wet zal worden verheven - is de rechtbank van oordeel dat eiser geen belang heeft bij zijn beroep.

Het beroep is daarom niet-ontvankelijk.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75, eerste lid, van de Awb.

III. BESLISSING

De rechtbank Dordrecht:

-verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Aldus gegeven door mr. P.K. Nihot, voorzitter en mrs. M.A.C. Prins en C.J. van der Wilt, leden, in aanwezigheid van mr. A.K. Tiggelaar, griffier, en door de voorzitter ondertekend.

De griffier is buiten staat om De voorzitter,

de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op:

Afschrift verzonden op:

Tegen deze uitspraak kan een belanghebbende beroep instellen. Het instellen van het beroep geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag, binnen zes weken na dagtekening van verzending van deze uitspraak.