Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2005:AV1940

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
16-12-2005
Datum publicatie
16-02-2006
Zaaknummer
Awb 05/977 t/m Awb 05/1072
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

1. Hoewel specifiek overgangsrecht ontbreekt, is artikel 1, tweede lid, van de Wet REA, zoals die bepaling luidde tot 1 januari 2002, van toepassing op aanvragen voor plaatsingsbudget met betrekking tot arbeidsovereenkomsten die vóór 1 januari 2002 zijn gesloten.

2. Nu eiseres (dan wel haar rechtsvoorgangster) namens de betrokken gemeenten handelde en deze gemeenten aanzienlijke invloed konden uitoefenen op de werkzaamheden van eiseres, alsmede het feit dat de betreffende werknemers ingevolge de door eiseres gesloten overeenkomsten te werk zijn gesteld onder de verantwoordelijkheid van een inlener, is de rechtbank van oordeel dat in de onderhavige gevallen sprake is van dienstbetrekkingen krachtens arbeidsovereenkomst die door de betrokken gemeenten zijn aangegaan op grond van artikel 4, eerste lid, van de WIW, welke overeenkomsten tot stand zijn gekomen door tussenkomst van eiseres die daartoe door de gemeentenbesturen zijn aangewezen als rechtspersoon in de zin van artikel 8, eerste lid, van de WIW. Dit betekent dat sprake is van dienstbetrekkingen in de zin van artikel 1, tweede lid, van de Wet REA, zodat de aanvragen om plaatsingsbudget terecht zijn afgewezen.

Wetsverwijzingen
Wet inschakeling werkzoekenden 4
Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten 1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Sector Bestuursrecht

Reg.nrs.: AWB 05/977 t/m AWB 05/1072

Uitspraak in de zaken van

Stichting Integratie & Werkaanbod te Papendrecht, al dan niet als rechtsopvolgster van de Stichting

Intergemeentelijk Werkaanbod, eiseres,

gemachtigde: L.J.C.M. Haest, werkzaam bij REA Consultancy B.V.,

tegen

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder,

gemachtigde: mr. B.H. van Dijk, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Bij besluiten van 27 en 28 april 2005 en 2, 3, 4 en 9 mei 2005 heeft verweerder beslist tot afwijzing van zesennegentig aanvragen van eiseres om plaatsingsbudget op grond van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten (verder: Wet REA).

Tegen deze besluiten heeft eiseres bij brieven van 9, 10, 12 en 16 mei 2005 bezwaar gemaakt bij verweerder.

Bij besluiten van 5 augustus 2005 heeft verweerder de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard.

Tegen deze besluiten heeft eiseres bij brief van 23 augustus 2005 beroep ingesteld bij de rechtbank Dordrecht.

De zaken zijn op 14 november 2005 ter zitting van een enkelvoudige kamer behandeld.

Eiseres is ter zitting verschenen bij haar gemachtigde.

Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

II. OVERWEGINGEN

Eiseres heeft bij verweerder plaatsingsbudget aangevraagd voor in totaal zesennegentig werknemers met wie zij, dan wel haar rechtsvoorgangster, vóór 1 januari 2002 een arbeidsovereenkomst is aangegaan, met als doel deze werknemers een plaats op de arbeidsmarkt te verschaffen. Sommige van deze arbeidsovereenkomsten waren reeds beëindigd voor 1 januari 2002, anderen hebben daarna nog doorgelopen of lopen nog steeds door.

Op deze aanvragen is het volgende wettelijk kader van toepassing.

Artikel 17, eerste lid, van de Wet REA, zoals dat luidde tot 1 januari 2002, bepaalt dat op aanvraag een subsidie in de vorm van een plaatsingsbudget wordt verstrekt aan de werkgever die met een arbeidsgehandicapte een dienstbetrekking aangaat voor de duur van tenminste zes maanden.

Per 1 januari 2002 is de Wet REA gewijzigd, waardoor het in artikel 17 van de Wet REA geregelde plaatsingsbudget is komen te vervallen (Stb. 2001, 644).

Ingevolge artikel 87b, eerste lid, van de Wet REA bleef artikel 17 echter van toepassing op dienstbetrekkingen als bedoeld in die wet, die zijn aangegaan tot en met 31 december 2001.

Op grond van het tweede lid van artikel 87b van de Wet REA is verweerder bevoegd de uit het eerste lid voortvloeiende werkzaamheden uit te voeren.

Het vierde lid van die bepaling regelt dat met betrekking tot de bedoelde dienstbetrekkingen tot 1 juli 2005 plaatsingsbudget kan worden aangevraagd en verschaft.

Ingevolge artikel 1, tweede lid, van de Wet REA, zoals dat luidde tot 1 januari 2002, wordt een dienstbetrekking in de zin van de Wet inschakeling werkzoekenden (verder: WIW) voor de toepassing van de Wet REA niet als dienstbetrekking aangemerkt.

Per 1 januari 2002 is de Wet REA gewijzigd, waardoor artikel 1, tweede lid, is komen te vervallen (Stb. 2001, 644).

Ingevolge artikel 2 van de WIW, zoals dat luidde tot 1 januari 2002, draagt de gemeente zorg voor voorzieningen voor in de gemeente woonachtige langdurig werklozen, uitkeringsgerechtigden en jongeren, die kunnen leiden tot inschakeling in het arbeidsproces dan wel die sociale activering en een zelfstandige bestaansvoorziening bevorderen.

Op grond van artikel 4, eerste lid, eerste volzin, van de WIW kan de gemeente ter uitvoering van artikel 2 aan langdurig werklozen en jongeren een dienstbetrekking aanbieden krachtens arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 610, eerste lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek. Ingevolge het tweede lid van die bepaling stelt de gemeente de werknemer voor het verrichten van arbeid ter beschikking aan een onderneming.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de WIW, zoals dat luidde tot 1 januari 2002, kan de gemeente ter uitvoering van artikel 2 subsidie verstrekken aan werkgevers die met langdurig werklozen of jongeren een arbeidsovereenkomst sluiten om hen in de gelegenheid te stellen werkervaring op te doen.

Indien de gemeente kiest voor de mogelijkheid van artikel 4 van de WIW kan de gemeente op grond van artikel 8, eerste lid, van de WIW een rechtspersoon aanwijzen voor de uitvoering van de taken in verband met dienstbetrekkingen.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder zijn eerdere standpunt gehandhaafd dat toepassing van artikel 1, tweede lid, van de Wet REA ertoe moet leiden dat alle door eiseres ingediende verzoeken om plaatsingsbudget moeten worden afgewezen, omdat de door eiseres, dan wel haar rechtsvoorgangster, gesloten arbeidsovereenkomsten zijn aangegaan voor 1 januari 2002 en dienen te worden gekwalificeerd als een dienstbetrekking in de zin van de WIW. Verweerder stelt dat, nu eiseres, alsmede haar rechtsvoorgangster, dient te worden beschouwd als rechtspersoon als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de WIW - dat wil zeggen een rechtspersoon die door het gemeentebestuur is aangewezen voor de uitvoering van bepaalde, in de WIW geregelde taken, waaronder het aangaan van arbeidsovereenkomsten - zij bij het aangaan van arbeidsovereenkomsten slechts handelt namens de gemeente, zodat de dienstbetrekking formeel wordt gesloten tussen de gemeente en de betreffende werknemer. Dit levert een dienstbetrekking in de zin van de WIW op zoals bedoeld in artikel 1, tweede lid, van de Wet REA, aldus verweerder.

Eiseres kan zich hiermee niet verenigen. Volgens eiseres is de arbeidsrelatie tussen eiseres, dan wel haar rechtsvoorgangster, en degene voor wie plaatsingsbudget is aangevraagd niet te kwalificeren als een dienstbetrekking in de zin van de WIW, maar moet deze verhouding worden beschouwd als een normaal civielrechtelijk dienstverband. Alleen de gemeente en niet eiseres of haar rechtsvoorgangster kan een WIW-dienstbetrekking aangaan, aldus eiseres.

Subsidiair betoogt eiseres dat door het aangaan van het dienstverband tussen de betreffende werknemers en eiseres, dan wel haar rechtsvoorgangster, sprake is van een werkervaringsplaats als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de WIW. Eiseres dient in dat geval te worden beschouwd als werkgever die met langdurig werklozen of jongeren een arbeidsovereenkomst sluit om hen in de gelegenheid te stellen werkervaring op te doen. Artikel 1, tweede lid, van de Wet REA ziet niet op een dergelijke dienstbetrekking, aldus eiseres.

Voorts stelt eiseres zich op het standpunt dat het bestreden besluit is genomen in strijd met het gelijkheidsbeginsel, nu verweerder in identieke gevallen wel plaatsingsbudget heeft toegekend.

De rechtbank overweegt met betrekking tot het in het onderhavige geschil toepasselijke recht eerst als volgt.

Hoewel specifiek overgangsrecht met betrekking tot artikel 1, tweede lid, van de Wet REA ontbreekt - de bepaling wordt niet genoemd in artikel 87b van de Wet REA noch in enige andere bepaling van overgangsrecht in die wet - is de rechtbank met partijen van oordeel dat deze bepaling van toepassing is op aanvragen voor plaatsingsbudget als de onderhavige. De rechtbank leidt dit met name af uit de strekking van artikel 87b van de Wet REA. De in deze bepaling neergelegde regel van overgangsrecht houdt naar het oordeel van de rechtbank verband met de verwachting die werkgevers die voor 1 januari 2002 een dienstbetrekking zijn aangegaan mochten hebben, omtrent het recht op plaatsingsbudget. Voor die datum gold voor werkgevers echter ook de beperking neergelegd in artikel 1, tweede lid, van de Wet REA. Door toepassing van die bepaling op aanvragen als de onderhavige wordt daarom niet te kort gedaan aan de bedoelde verwachting.

De rechtbank overweegt ten aanzien van het tussen partijen bestaande geschilpunt voorts als volgt.

De zich in de dossiers bevindende statuten van eiseres en van haar rechtsvoorgangster, dan wel de tussen hen en de werkzoekenden gesloten overeenkomsten houden - voor zover hier van belang - in dat beide rechtspersonen handelen namens een aantal gemeenten (de zogenaamde SPANG-gemeenten) en dat zij tot het publieke doel hebben - kort gezegd - bepaalde groepen werkzoekenden een plek op de arbeidsmarkt te verschaffen. Het bestuur van de rechtsvoorgangster van eiseres bestond blijkens haar statuten voornamelijk uit leden die door de colleges van burgemeester en wethouders van de verschillende deelnemende gemeenten waren aangewezen. Blijkens haar statuten laat ook eiseres haar werkterrein bepalen door de overheid. De tussen eiseres dan wel haar rechtsvoorgangster met de betreffende werknemers gesloten overeenkomsten houden voorts onder meer in dat de werknemer zijn werkzaamheden verricht op basis van detachering, dat wil zeggen in opdracht en onder toezicht van een inlener. De werknemer dient bij het uitoefenen van zijn werkzaamheden te voldoen aan de opdrachten en aanwijzingen van de inlener en begeleider. Arbeidsrechtelijke maatregelen kunnen uitsluitend door de werkgever worden genomen.

Op basis van deze kenmerken - het handelen van eiseres en haar rechtsvoorgangster namens de betrokken gemeenten, de aanzienlijke invloed van deze gemeenten op de werkzaamheden van eiseres en haar rechtsvoorgangster, alsmede het feit dat de betreffende werknemers ingevolge de door eiseres, dan wel haar rechtsvoorgangster gesloten overeenkomsten te werk zijn gesteld onder de verantwoordelijkheid van een inlener - is de rechtbank van oordeel dat in de onderhavige gevallen sprake is van dienstbetrekkingen krachtens arbeidsovereenkomst die door de betrokken gemeenten zijn aangegaan op grond van artikel 4, eerste lid, van de WIW, welke overeenkomsten tot stand zijn gekomen door tussenkomst van eiseres, dan wel haar rechtsvoorgangster, die daartoe door de gemeentenbesturen zijn aangewezen als rechtspersoon in de zin van artikel 8, eerste lid, van de WIW. Dit betekent dat de rechtbank eiseres niet volgt in haar standpunt dat de gesloten overeenkomsten moeten worden gezien als normale civielrechtelijke dienstverbanden, dan wel betrekking hebbend op werkervaringsplaatsen als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de WIW.

Nu in de onderhavige gevallen naar het oordeel van de rechtbank sprake is van dienstbetrekkingen krachtens arbeidsovereenkomst die door de betrokken gemeenten zijn aangegaan op grond van artikel 4, eerste lid, van de WIW is naar het oordeel van de rechtbank tevens sprake van dienstbetrekkingen in de zin van artikel 1, tweede lid, van de Wet REA. Het oordeel van verweerder dat de verzoeken om plaatsingsbudget om die reden moeten worden geweigerd, is daarom juist.

Wat betreft het beroep van eiseres op het gelijkheidsbeginsel merkt de rechtbank op dat eiseres geen beslissingen van verweerder heeft overgelegd waaruit blijkt dat verweerder in gelijke gevallen anders heeft beslist. Daarom acht de rechtbank het beroep op het gelijkheidsbeginsel onvoldoende concreet, zodat de rechtbank daaraan verder voorbij zal gaan. Overigens brengt het gelijkheidsbeginsel naar het oordeel van de rechtbank niet met zich mee dat verweerder gehouden is in het verleden genomen, door haar als foutief gekwalificeerde beslissingen ten aanzien van eiseres te herhalen (vergelijk de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 18 oktober 2005, gepubliceerd in USZ 2005, 400).

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Gelet hierop ziet de rechtbank geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De rechtbank Dordrecht:

- verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. C.J. van der Wilt, rechter en door deze en C. Groenewegen, griffier, ondertekend.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op:

Afschrift verzonden op:

Tegen deze uitspraak kan een belanghebbende beroep instellen. Het instellen van het beroep geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht, binnen zes weken na dagtekening van verzending van deze uitspraak.