Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2005:AU6355

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
15-11-2005
Datum publicatie
17-11-2005
Zaaknummer
11/720542-05
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Voorwaardelijk opzet. Verdachte heeft een vuilniszak gevuld met een grote hoeveelheid water over de reling van de zevende verdieping van het flatgebouw (waar hij woonde) geduwd. De vuilniszak is vlakbij de in- en uitgang van het flatgebouw op de grond terecht gekomen. De rechtbank is van oordeel dat verdachte heeft gehandeld met voorwaardelijk opzet opdat een willekeurige voorbijganger zwaar lichamelijk letsel zou worden toegebracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2006, 59
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

MEERVOUDIGE STRAFKAMER

Tegenspraak

Parketnummer: 11/720542-05

Zittingsdatum : 1 november 2005

Uitspraak : 15 november 2005

VERKORT STRAFVONNIS

De rechtbank Dordrecht heeft op grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting vonnis gewezen in de zaak tegen:

Verdachte,

geboren in 1990,

adres van verdachte.

De rechtbank heeft de processtukken gezien en kennis genomen van de

vordering van de officier van justitie en van hetgeen de verdediging naar voren

heeft gebracht.

1. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen in de dagvaarding is omschreven. Een kopie van die dagvaarding is als bijlage 1 aan dit vonnis gehecht en maakt hiervan deel uit.

2. De voorvragen

2.1 De geldigheid van de dagvaarding

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

2.2 De bevoegdheid van de rechtbank

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen.

2.3 De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen feiten en/of omstandigheden gebleken, die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan.

2.4 De schorsing van de vervolging

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing van de vervolging gebleken.

3. Het onderzoek ter terechtzitting

3.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft -het primair ten laste gelegde bewezen achtend- gevorderd overeenkomstig de als bijlage 2 aan dit vonnis gehechte vordering ter terechtzitting.

3.2 De verdediging

De verdediging heeft een bewijsverweer en een strafverweer gevoerd.

4. De bewijsbeslissingen

4.1 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte

Primair.

Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Voor zover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4.2 De bewijsmiddelen

De rechtbank grondt haar overtuiging dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis met de bewijsmiddelen vereist in een aan dit vonnis gehechte bijlage worden opgenomen.

4.3 Nadere bewijsoverweging

Poging tot zware mishandeling

De rechtbank acht bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot zware mishandeling. Uit de voorhanden zijnde stukken en het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat verdachte de eerste vuilniszak - niet is gebleken dat verdachte betrokken is geweest bij het incident met de tweede vuilniszak met water - met water heeft gevuld en deze vuilniszak gevuld met een grote hoeveelheid water zonder hulp van (een van) de medeverdachten (die op dat moment bij hem in de buurt stonden) over de reling op de zevende verdieping van een flatgebouw heeft geduwd. De rechtbank is van oordeel dat op grond van de bewijsmiddelen niet in voldoende mate is komen vast te staan, dat indien een willekeurige voorbijganger door de vuilniszak met water zou zijn geraakt deze persoon hierdoor zou zijn gedood. Gelet op de ervaringsregels (omtrent het gooien van zware voorwerpen) en de omstandigheden van het geval (een vuilniszak gevuld met een grote hoeveelheid water die vanaf de zevende verdieping van een flat wordt geduwd) staat naar het oordeel van de rechtbank vast, dat indien een willekeurige voorbijganger door de vuilniszak met water zou zijn geraakt deze persoon hierdoor zwaar lichamelijk letsel had kunnen oplopen.

Voorwaardelijk opzet

Door de verdediging is vrijspraak bepleit van het primair tenlastegelegde wegens het ontbreken van (voorwaardelijk) opzet. De rechtbank overweegt ten aanzien van dit verweer het volgende.

Uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat verdachte als eerste een vuilniszak heeft gevuld met water en deze vervolgens over de reling van de zevende verdieping van de flat heeft geduwd. Verdachte woont in een appartement op die verdieping van de flat en zegt eerst naar beneden te hebben gekeken. De rechtbank concludeert dat verdachte door eerst te kijken en gezien het feit dat hij in de flat woont, moet hebben geweten dat de vuilniszak in de onmiddellijke nabijheid van de in/uitgang van de flat terecht zou komen. Verdachte heeft voorts verklaard dat, toen de andere jongens nog een zak wilden gooien, hij gezegd heeft dat ze dat beter aan de andere kant van de flat konden doen omdat daar geen mens komt.

De rechtbank leidt uit dit samenstel van gedragingen af dat verdachte heeft gehandeld met voorwaardelijk opzet. De rechtbank wijst daarbij met nadruk op de volgende omstandigheden:

- Verdachte moet hebben geweten, gezien zijn positie op de galerij voor zijn woning, dat de zak in de onmiddellijke nabijheid van de in/uitgang van de flat terecht zou komen.

- Het was eind van de middag rond 16.00 uur; naar de rechtbank aanneemt een tijdstip waarop regelmatig gebruik wordt gemaakt van de in/uitgang van de flat.

- De in/uitgang is overkapt. Vanuit de positie van verdachte die zich op de galerij van de zevende etage bevond, is niet te zien wie zich onder de overkapping bevinden en wie zich, op welke wijze en met welke snelheid en richting, van onder de overkapping zal begeven richting de stoep en/of de straat onder en langs de flat. Ondanks deze volstrekte onzekerheid omtrent de aanwezigheid van voorbijgangers, werd de vuilniszak gegooid.

- Het is een feit van algemene bekendheid dat het van een grote hoogte (ongeveer 20 à 23 meter) laten vallen van een zwaar voorwerp, indien dit iemand raakt, kan leiden tot ernstige verwondingen.

Alles overziend komt de rechtbank tot de conclusie dat verdachte heeft gehandeld met voorwaardelijk opzet in die zin dat door zijn handelen hij zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat een willekeurige voorbijganger zwaar lichamelijk letsel zou worden toegebracht.

5. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

Het bewezenverklaarde levert op:

POGING TOT ZWARE MISHANDELING.

6. De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7. De redenen, die de straf hebben bepaald of tot de maatregel hebben geleid

7.1 Strafmotivering

De rechtbank heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van en de omstandigheden waaronder begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling door een vuilniszak met een grote hoeveelheid water te vullen en deze vuilniszak (gevuld met water) over de reling van de zevende verdieping van een flatgebouw te duwen, waarbij de vuilniszak terechtkwam vlakbij de in- en uitgang van het flatgebouw. Het handelen van verdachte dient als zeer gevaarlijk te worden beschouwd, aangezien hij door het gooien van deze vuilniszak een willekeurige voorbijganger had kunnen raken. Er mag van geluk worden gesproken dat zich door dit handelen geen ernstige gevolgen hebben voorgedaan.

Door het plegen van het onderhavige feit heeft verdachte de veiligheid van personen die zich naar en van hun woning op de openbare weg begeven in gevaar gebracht, hetgeen tot gevoelens van angst en onrust leidt in de samenleving in het algemeen en bij de bewoners van de flat in het bijzonder.

De rechtbank acht het handelen van verdachte strafwaardig.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op diens persoonlijke omstandigheden zoals deze ter terechtzitting en uit het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming d.d. 18 oktober 2005 zijn gebleken, namelijk: dat zich in de thuissituatie en op school geen problemen voordoen. De rechtbank acht daarom een voorwaardelijke jeugddetentie niet noodzakelijk. Tevens houdt de rechtbank rekening met het feit dat verdachte niet eerder met de strafrechter in aanraking is geweest.

Op grond van het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte een werkstraf van na te melden duur dient te worden opgelegd.

8. De toepasselijke wettelijke voorschriften

De opgelegde gegrond op de volgende wettelijke voorschriften:

de artikelen 45, 77a, 77g, 77h, 77m, 77n, 77gg en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

9. De beslissing

De rechtbank

verklaart bewezen dat de verdachte heeft begaan, zoals vermeld onder van dit vonnis;

verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart dat het bewezenverklaarde oplevert;

verklaart de verdachte hiervoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte wegens tot:

een TAAKSTRAF voor de duur van 100 UREN, bestaande uit een werkstraf, bij het niet naar behoren verrichten te vervangen door 50 dagen jeugddetentie.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. dr. M.J.A. Plaisier, voorzitter,

mr. H. Bedee en mr. W.P. Sprenger, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. E.M. Mulder, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 15 november 2005.