Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2005:AU3206

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
22-09-2005
Datum publicatie
26-09-2005
Zaaknummer
134704 CV EXPL 04-580
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Status door de Arbeidsinspectie ambtshalve opgemaakt ongevalsrapport; artikel 7:685 lid 1 BW; A-blad tillen in de bouw en communicatie tussen collega's.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Kenmerk: 134704 CV EXPL 04-580

Vonnis van de kantonrechter te Dordrecht van 22 september 2005 in de zaak van:

[…], wonende te […], eiser,

rolgemachtigde: Flanderijn en Wijnhold,

gemachtigde mr F.A. Janse,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid VISSER & SMIT HANAB B.V., gevestigd te Papendrecht, gedaagde,

rolgemachtigde: Maas Delta Deurwaarders,

gemachtigde mr. R.H.J. Wildenburg.

Partijen worden aangeduid als [eiser] en Visser & Smit.

Verder verloop van de procedure

De kantonrechter wijst vonnis op de volgende processtukken:

1. het tussenvonnis van 20 januari 2005 en de daarin genoemde processtukken;

2. het op 30 juni 2005 ter griffie ingekomen ongevalsrapport van 29 juni 2005, opgemaakt en gesloten door J.J.H.H.M. Kerklaan en R. Baneman, inspecteurs van de arbeidsinspectie, kantoor Utrecht;

3. een conclusie na deskundigenbericht van [eiser];

4. een conclusie na deskundigenbericht van Visser & Smit;

5. de door partijen overgelegde producties.

Verdere beoordeling van het geschil

1. In het tussenvonnis is aan partijen voorgelegd dat het dienstig voorkwam de Arbeidsinspectie te benaderen om een deskundigenbericht uit te brengen, maar dat de Arbeidsinspectie heeft laten weten niet als deskundige in deze zaak te kunnen optreden, omdat zij als toezichthouder (ambtshalve) een onderzoek wenste in te stellen. De Arbeidsinspectie was bereid, indien partijen daarmee instemde, het door haar uit te brengen rapport aan de kantonrechter ter beschikking te stellen. Partijen hebben geen bezwaar gemaakt tegen het op deze wijze aan de kantonrechter rapporteren. De hiervoor genoemde inspecteurs van de Arbeidsinspectie hebben zelfstandig onderzoek verricht, waaronder het horen van getuigen. Het ongevalsrapport van de Arbeidsinspectie wordt verder aangeduid als het rapport.

2. Vast staat dat [eiser] op 4 december 2001 een ongeval (bij het verplaatsen van buizen is hij met zijn hand in een buis blijven steken op het moment dat zijn collega, een inleenkracht met wie hij de buis tilde, de buis liet vallen) is overkomen in de uitoefening van zijn werkzaamheden, waardoor hij gewond is geraakt. Voorts staat vast dat de schade die [eiser] lijdt niet in belangrijke mate het gevolg is van zijn opzet of bewuste roekloosheid. Beoordeeld moet worden of Visser & Smit als werkgeefster aan de haar in art. 7:658 lid 1 BW omschreven zorgplicht (zie hierna verder) heeft voldaan. In dit verband is het rapport van belang.

3. De bewijskracht van het niet op verzoek van de kantonrechter uitgebrachte (vgl artt. 194 ev Rv) rapport is vrij. Visser & Smit heeft opgemerkt dat zij vragen had willen stellen en verzoeken had willen doen naar aanleiding van het concept rapport, maar in haar conclusie na deskundigenbericht concretiseert zij niet welke punten dit betreft. [eiser] heeft geen processuele bezwaren tegen (de totstandkoming van) het rapport aangevoerd. Voor het vragen van een nadere mondelinge of schriftelijke toelichting aan de deskundigen van de Arbeidsinspectie (art. 200 Rv) is geen reden. Bezien zal worden in hoeverre de inhoud van het rapport door partijen al dan niet wordt betwist en of de conclusies van de deskundigen door de kantonrechter kunnen worden overgenomen. Van de deskundigheid van de medewerkers van de Arbeidsinspectie die het rapport hebben gemaakt wordt uitgegaan, nu geen van partijen deze in twijfel trekt.

4. In het ambtshalve opgemaakte rapport wordt, voor zover thans van belang, het volgende geconcludeerd:

“(…)Om het werk van kabel- en buizenleggers te verbeteren zijn er door werkgevers en werknemers afspraken gemaakt. Deze afspraken hebben te maken met de te gebruiken machines, gereedschappen, materialen en werkmethoden. Deze afspraken zijn in A-Blad “Kabel en Buizenleggen”, van Arbouw Amsterdam 1999, vastgelegd. Naleving van deze afspraken (…) is dan ook belangrijk (…).

Echter in dit geval heeft er zich een “incident” voorgedaan (het ‘plotseling loslaten’ van een waterleidingbuis), een “incident”dat zich ook bij de toepassing van mechanische hulpmiddelen kan voordoen. Als voorbeeld, ook een kraanmachinist kan een verkeerde handeling verrichten waarbij de personen in de onmiddellijke omgeving daarvan gewaarschuwd moeten kunnen worden voor de daarbij optredende gevaren, op een wijze die voor iedereen duidelijk is.(…)

Resumerend zijn wij de mening toegedaan dat dit ongeval kennelijk heeft kunnen gebeuren door een communicatiestoornis tussen de twee personen die werkzaamheden gezamenlijk moesten uitvoeren en van elkaar afhankelijk waren. Door het feit dat de twee betrokkenen, volgens de verklaringen, elkaar kennelijk op geen enkele wijze konden verstaan heeft een mogelijk mondelinge waarschuwing van de inleenkracht voor een potentieel gevaar, niet tot een gewenste reactie kunnen leiden om dit gevaar af te wenden. Op dit moment ontbreekt specifieke wetgeving op het gebied van onderlinge communicatie.

Tijdens ons onderzoek hebben wij dan ook geen causaal verband kunnen vaststellen tussen een overtreding van de Arbeidsomstandighedenwet 1998 en het ongeval dat heeft plaatsgevonden. In verband hiermee hebben wij volstaan met het opmaken van dit ongevalsrapport.

Opmerking rapporteurs

De bedrijfstak bouw wordt in toenemende mate bemand door buitenlandse werknemers. Door de taalbarrière is de kans op misverstanden groot, ook als het gaat om de veiligheid en de gezondheid op het werk.

De Arbeidsomstandighedenwetgeving geeft hiervoor echter geen praktische handvatten. Wel kan naar onze mening in de geest van de Arbeidsomstandighedenwet van de werkgever worden verwacht, “als een eis van goed en veilig werken”, dat werknemers die met elkaar moeten samenwerken en daardoor van elkaar afhankelijk zijn, zich met elkaar verstaanbaar moeten kunnen maken.

Wij zijn dan ook de mening toegedaan dat door Visser & Smit Hanab B.V. hieraan onvoldoende invulling is gegeven.

5. De in het tussenvonnis van 20 januari 2005 door de kantonrechter aan partijen voorgestelde vragen heeft de Arbeidsinspectie voorgelegd aan M. Kunst, specialist Arbeidsbelasting van het Arbeidsinspectie expertisecentrum. In bijlage 7 van het rapport wordt op deze vragen een antwoord gegeven. Anders dan [eiser] aanvoert, heeft de Arbeidsinspectie in deze bijlage wel aandacht besteed aan het A-blad Tillen, zij het niet ambtshalve. Het is kennelijk service van de Arbeidsinspectie, dat de in het tussenvonnis gestelde vragen (gratis) door de Arbeidsinspectie zijn beantwoord.

Kunst relateert in zijn rapport ten aanzien van de last die een persoon mag tillen.

“ (…) In het a-blad tillen van december 1994 wordt aangegeven dat onder ideale omstandigheden maximaal 25 kg mag worden getild. Hier werd meer dan 25 kg getild (verklaring [eiser]). Er wordt in dat A-blad 1999 niet over het tillen door twee man gesproken maar algemeen wordt geaccepteerd dat twee mensen maximaal 50 kg mogen tillen onder gunstige omstandigheden. Er was echter geen sprake van gunstige omstandigheden. Er moest worden gelopen over de naast de sleuf gelegen heuvel zand.

Door Visser & Smit Hanab is in een faxbericht van 1 juni 2005 aangegeven dat een gietijzeren buis met een diameter van 80 mm een gewicht heeft van 25 kg per strekkende meter. Aangezien de buis nat en glibberig was en met een coating bedekt was en tevens veel aanhangende grond mee nam kan het gewicht van een stuk buis zoals tijdens het ongeval met een lengte van 2 a 2,5 meter veel zwaarder zijn dan 50 kg. Door het inzetten van mechanische hulpmiddelen zou zeker voorkomen kunnen worden dat twee mensen een buis van 2,5 meter van ongeveer 65 kg handmatig onder ongunstige omstandigheden zouden moeten tillen. Juist door de vorm en de omstandigheden (nat en glibberig) werd het moeilijk de buis handmatig te verplaatsen. (…)

6. De werkgever is verplicht voor het verrichten van de arbeid zodanige maatregelen te treffen en aanwijzingen te geven als redelijkerwijs nodig is om te voorkomen dat de werknemer schade lijdt (art. 7:658 lid 1 BW).

6.1 De deskundigen hebben niet kunnen vaststellen dat de Arbeidsomstandighedenwet 1998 is overtreden. De kantonrechter neemt dit door partijen niet betwiste oordeel over. De hiervoor bedoelde zorgplicht van de werkgever omvat echter meer dan het naleven van de Arbeidsomstandighedenwet.

6.2 Partijen betwisten niet dat het A-blad tillen voor de bouw aanbevolen werkmethodieken bevat, die er op gericht zijn het werk minder belastend te maken.

Volgens de specialist arbeidsbelasting van de Arbeidsinspectie waren de getilde buizen door ongunstige omstandigheden (nat en glibberig) moeilijk te tillen en bovendien zwaarder dan de volgens het A-blad toegestane maximum van 25 kg per persoon. De schatting van het gewicht heeft de deskundige gereconstrueerd op grond van de door elk van partijen verstrekte gegevens. Visser & Smit heeft opgegeven dat de buis circa 25 kg per strekkende meter weegt, zodat een buis van 2 à 2,5 meter 50 kg of meer weegt, terwijl zij niet betwist dat aan de buis ook grond e.d. hing. Haar ongemotiveerde betwisting van de juistheid van de schatting wordt onder deze omstandigheden worden gepasseerd. Evenmin betwist zij dat de buizen nat en glibberig waren. De kantonrechter neemt het oordeel van de specialist arbeidsbelasting, dat de buizen zwaarder waren dan in het A-blad voorgeschreven en de omstandigheden niet ideaal waren, over.

6.3 In het ambtshalve opgemaakte rapport geven de inspecteurs van de Arbeidsinspectie als hun mening dat het een eis van goed en veilig werken is in de bouw dat werknemers die met elkaar moeten samenwerken en daardoor van elkaar afhankelijk zijn, elkaar moeten kunnen verstaan. Partijen hebben deze mening niet inhoudelijk betwist en de kantonrechter neemt dit oordeel over. Anders dan Visser & Smit aanvoert is het niet nodig dat een zorgvuldigheidsnorm als bedoeld in art. 7:658 lid 1 BW wordt ontleend aan een (formele) wet of lagere regeling.

6.4 Gelet op vorenstaande had van Visser & Smit verwacht mogen worden dat zij zodanige

maatregelen had genomen dat getild werd volgens A-blad tillen. Zelfs als wordt aangenomen dat hulp van een kraan onmogelijk was, hadden de buizen kleiner gemaakt kunnen worden dan 2 à 2,5 meter. Visser & Smit heeft niet gesteld dat zij iets heeft gedaan om een goede communicatie tussen [eiser] en de inleenkracht te bevorderen. Dat niet eerder ongevallen zijn gebeurd met de betreffende inleenkracht betekent niet dat de communicatie voldoende was om van veilig werken te kunnen spreken. Juist door de toename van buitenlandse werknemers in de bouw ligt het op de weg van werkgevers te zorgen dat door communicatiestoornissen geen onveilige situaties kunnen ontstaan.

6.5 Op twee punten heeft Visser & Smit maatregelen die genomen hadden kunnen worden achterwege gelaten, zodat zij zich niet met succes van haar aansprakelijkheid voor de schade die [eiser] ten gevolge van het ongeval lijdt, kan bevrijden. Gelet op vorenstaande kan, anders dan Visser & Smit aanvoert, niet worden gesproken van een ongelukkige samenloop van omstandigheden. De gevorderde verklaring voor recht wordt toegewezen.

6.6 In het tussenvonnis van 16 september 2005 is reeds overwogen dat de verwijzing naar de schadestaatprocedure toewijsbaar is (rechtsoverweging 7) en dat het gevorderde voorschot op de schadevergoeding wordt afgewezen (rechtsoverweging 7.1). De reeds door [eiser] genoemde schadeposten (buitengerechtelijke kosten, immateriële schade) kan hij in een eventuele schadestaatprocedure inbrengen. De wettelijke rente zal eveneens in de schadestaatprocedure moeten worden beoordeeld, aangezien per post moeten worden beoordeeld vanaf welk tijdstip de wettelijke rente is verschuldigd.

7. Visser & Smit wordt als de overwegend in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten.

Beslissing

De kantonrechter:

verklaart voor recht dat Visser & Smit aansprakelijk is voor het door [eiser] op 4 december 2001 overkomen arbeidsongeval en de daardoor door [eiser] reeds geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade;

veroordeelt Visser & Smit in de proceskosten, in dit geding aan de zijde van [eiser] gevallen, welke kosten tot op deze uitspraak zijn bepaald op:

aan explootkosten € 83,78

aan griffierecht € 162,00

aan salaris gemachtigde € 700,00

Totale kosten € 945,78;

verklaart dit vonnis tot zover, met uitzondering de verklaring voor recht, uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.C. Halk, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare

terechtzitting van 22 september 2005, in aanwezigheid van de griffier.