Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2005:AU3101

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
22-09-2005
Datum publicatie
23-09-2005
Zaaknummer
158094 CV EXPL 05-2116
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geen sprake van onderhuur danwel medehuur, zodat gedaagde zonder recht of titel in de woning verblijft.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Kenmerk: 158094 CV EXPL 05-2116

Vonnis van de kantonrechter te Dordrecht van 22 september 2005 in de zaak van:

De stichting STICHTING FORTA, gevestigd en kantoorhoudende te Zwijndrecht, eiseres in conventie en verweerster in reconventie, gemachtigde mr. N.C. van Eck, advocaat te Rotterdam,

tegen :

[X1], wonende te […], gedaagde in conventie en eiser in reconventie, gemachtigde mr. J.M.C. Wessels, advocaat te Zwijndrecht.

Partijen worden hierna aangeduid met Forta en [X1].

Verloop van de procedure

De kantonrechter wijst vonnis op de volgende processtukken:

1. de dagvaarding van 11 maart 2005;

2. de conclusie van antwoord in conventie en eis in reconventie;

3. de conclusie van repliek in conventie en antwoord in reconventie;

4. de conclusie van dupliek in conventie en conclusie van repliek in reconventie;

5. de conclusie van dupliek in reconventie;

5. de door partijen overgelegde producties.

Omschrijving van het geschil

In conventie en in reconventie

De feiten.

Als gesteld door de ene partij en niet of in onvoldoende mate weersproken door de andere partij, staat tussen partijen het volgende vast.

Sinds 16 november 1993 verhuurt Forta de onroerende zaak gelegen aan het […] te Zwijndrecht (hierna: de woning) aan mevrouw [Z], de moeder van [X1]. Op de huurovereenkomst is het huurreglement van Forta van toepassing.

Op 16 mei 2002 heeft mevrouw [Z] Forta verzocht om medehuurderschap van haar zoon [X2] (broer van X1), welk verzoek door Forta bij brief van 22 juli 2002 is afgewezen.

[X1} woont sedert 8 augustus 2002 in de woning.

Op 3 december 2002 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen Forta, mevrouw [Z], [X2] en [X1]. Een gespreksverslag is bij brief van 24 januari 2003 door Forta aan mevrouw [Z] gezonden. In dit gespreksverslag is het volgende, voorzover thans van belang, opgenomen:

(…) U bent huurder van de woning aan het […]. Uw twee zoons zijn inwonend.

U heeft tijdens het gesprek toegegeven dat u niet zelf meer op het adres […] te Zwijndrecht woont. U woont samen met uw man in […]. Desondanks wenst u de woning te blijven huren als onderdak voor uw zoons.

Zoals omschreven in de huisvestingsverordening van de gemeente Zwijndrecht, het regionale woonruimteverdelingsbeleid van de Drechtsteden, alsmede in het Huurreglement artikel 9, lid 3, dient de huurder de huur op te zeggen als hij/zij niet meer het hoofdverblijf in de gehuurde woning heeft. Het is niet mogelijk dat het huurcontract op de kinderen overgaat. (…)

Om aan de huidige illegale woonsituatie een einde te maken, hebben wij een aantal afspraken met u gemaakt. (…)

? U neemt zelf weer intrek in de woning. U geeft echter tijdens het gesprek aan dat dit niet uw bedoeling is.

? U levert de woning vrij van personen en goederen aan ons op. Hiervoor geven wij u tot 31 mei 2003 de tijd. Zodoende hebben uw zoons tijd om andere woonruimte te zoeken. (…)

? Wij hebben afgesproken dat Forta in maart 2003 contact met u opneemt om de stand van zaken te bekijken. (…).

Bij brief van 24 augustus 2004 heeft mevrouw [Z] de huurovereenkomst met onmiddellijke ingang opgezegd. Forta heeft mevrouw [Z] per brief van 26 augustus 2004 meegedeeld dat de huurovereenkomst, met inachtneming van de opzegtermijn van één maand, eindigt per 27 september 2004.

Bij brief van 30 september 2004 heeft Forta {X1} verzocht uiterlijk per 1 oktober 2004 de onderhuurovereenkomst op te zeggen.

[X1] woont thans alleen in de woning.

De vordering.

In conventie

Forta vordert bij vonnis, zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,

1. te bepalen dat de huur tussen Forta en [X1] met ingang van het in dit vonnis te bepalen tijdstip zal eindigen;

2. [X1] te veroordelen om op een in goede justitie te bepalen termijn, de woning aan het […], te ontruimen en te verlaten met al het zijne en al de personen die zijdens [X1] in voormeld pand verblijven, en dit pand ter vrije en algehele beschikking van Forta te stellen, met machtiging van Forta om indien [X1] in gebreke blijft aan het in deze te wijzen vonnis te voldoen, zelf de ontruiming te bewerkstelligen op kosten van [X1], desnoods met behulp van de sterke arm;

3. [X1] te veroordelen tot betaling van de huurpenningen ad € 410,33 per maand vanaf de maand maart 2005 tot en met de maand waarin de huurovereenkomst is geëindigd, de laatste maand in zijn geheel te rekenen;

4. kosten rechtens.

Forta legt aan haar (hoofd)vordering artikel 7:269 lid 2 sub b en/of c BW cq nakoming ten grondslag.

Zij stelt in dit verband -samengevat- het volgende.

[X1] verblijft zonder recht of titel in de woning of is een onderhuurovereenkomst aangegaan met zijn moeder met de kennelijke strekking om hem de positie van huurder te verschaffen. Dit blijkt temeer uit het feit dat [X1] zich niet als woningzoekende heeft ingeschreven. [X1] heeft de huurpenningen over de maand maart 2005 niet betaald.

Het verweer.

[X1] betwist de vordering en voert in dit verband het volgende -samengevat- aan als verweer.

Ik ben destijds noodgedwongen bij mijn moeder ingetrokken. Ik heb geprobeerd een andere woning te vinden, maar dit is niet gelukt. Ik ben niet in de woning getrokken om mezelf de positie van huurder te verschaffen. Ik betwist dat ik een onderhuurovereenkomst met mijn moeder heb gesloten. Na haar vertrek uit de woning heb ik op grond van medehuurderschap de huur van de woning voortgezet. Er is sprake van een duurzame gemeenschappelijke huishouding. Ik heb er belang bij om in de woning te blijven wonen. Dit belang weegt zwaarder dan het belang van Forta om zich te houden aan het woningtoewijzingsysteem van de gemeente Zwijndrecht. Mijn sociale en economische belangen dienen te prevaleren. Doordat ik al tweeënhalf jaar in de woning woon, heeft Forta het vertrouwen gewekt dat ik in de woning kon blijven wonen. Ik heb geen huurachterstand.

In reconventie

[X1] vordert in reconventie te bepalen dat hij met ingang van 8 augustus 2002, althans met ingang van een in goede justitie te bepalen datum, (mede)huurder van de woning aan het […] te Zwijndrecht is, kosten rechtens.

[X1] stelt in dit verband -samengevat- het volgende.

Op grond van de artikel 7:244, 7:267 en 7:269 BW ben ik (mede)huurder van de woning geworden. Ik woon nu meer dan tweeënhalf jaar in de woning en voldoe aan alle vereisten in voornoemde artikelen. Ik heb er recht op en belang bij dat dit huurderschap geformaliseerd wordt middels een door beide partijen te ondertekenen huurovereenkomst.

Beoordeling van het geschil

In conventie en reconventie

Gelet op het bepaalde in artikel 68a Ow NBW is het huurrecht zoals dat geldt vanaf 1 augustus 2003 van toepassing.

[X1] betwist gemotiveerd dat hij een onderhuurovereenkomst heeft gesloten met zijn moeder, mevrouw [Z]. Forta heeft haar standpunt niet nader onderbouwd of terzake bewijs aangeboden, zodat moet worden aangenomen dat van onderhuur geen sprake is.

Het gevorderde onder punt één wordt afgewezen.

Medehuur (van andere samenwoners dan van de partner van de huurder) is geregeld in artikel 7:267 BW. Deze bepaling beoogt de belangen te beschermen van degenen die met de hoofdhuurder samenwonen in de gehuurde woonruimte. In het eerste lid van dit artikel is uiteengezet hoe medehuurderschap tot stand komt.

Mevrouw [Z] is in ieder geval sinds 27 september 2004 geen huurster meer van de woning.

Nu niet is gebleken van een gezamenlijk verzoek van mevrouw [Z] als huurster en [X1] aan de verhuurder vóór deze datum, welke voorwaarde wordt gesteld in artikel 7:267 BW, laat staan dat op dit verzoek positief is beslist, kan [X1] thans niet een dergelijk verzoek aan de kantonrechter richten. Van een duurzame gemeenschappelijke huishouding kan evenmin sprake zijn, nu vast staat dat [X1] op 8 augustus 2002 in de woning is gaan wonen en zijn moeder in ieder geval op 3 december 2002 de woning heeft verlaten.

Gelet op de afwijzing van Forta van het verzoek tot medehuurderschap van [X2], wist of althans behoorde [X1] te weten dat Forta bezwaren had tegen het medehuurderschap, zodat van opgewekt vertrouwen geen sprake kan zijn.

Nu geen sprake is van medehuur, verblijft [X1] zonder recht of titel in de woning, zodat het onder punt twee gevorderde wordt toegewezen.

Forta heeft [X1] meerdere malen een ruime termijn gegund om uit de woning te vertrekken, zonder dat hij hier gehoor aan heeft gegeven. Gelet hierop zal [X1] twee weken de tijd krijgen vanaf de datum van betekening van het vonnis om de woning te verlaten en te ontruimen.

Nu vast is komen te staan dat [X1] zonder recht of titel in de woning verblijft kan van huurachterstand geen sprake zijn. Kennelijk bedoelt Forta een vergoeding te vorderen voor de schade die zij heeft geleden door het onrechtmatig gebruik van de woning door [X1]. [X1] heeft gemotiveerd betwist dat hij een achterstand heeft en hij heeft als produktie 2 bij de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie, bankafschriften overgelegd ter onderbouwing van zijn stelling dat hij maandelijks aan Forta betalingen heeft verricht gelijk aan de huurprijs van de woning. Forta is hier in zijn geheel niet meer op terug gekomen, zodat vast is komen te staan dat gedaagde geen schadevergoeding meer is verschuldigd, zodat het onder punt drie gevorderde wordt afgewezen.

[X1] wordt als de overwegend in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten.

Beslissing

De kantonrechter:

In conventie

veroordeelt [X1] om de woning gelegen aan het […] te Zwijndrecht binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis te verlaten en te ontruimen met al de zijnen en het zijne het pand ter beschikking van Forta te stellen;

machtigt Forta om, zo [X1] daarmede in gebreke blijft, de ontruiming te doen uitvoeren, desnoods met behulp van de sterke arm van justitie en politie, zulks op kosten van [X1];

veroordeelt [X1] in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van Forta bepaald op:

aan explootkosten € 85,60

aan griffierecht € 276,00

aan salaris gemachtigde € 300,00

totale kosten € 661,60;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde;

In reconventie

wijst de vordering af;

veroordeelt [X1] in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van Forta bepaald op € 150,00 voor salaris van de gemachtigde.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.C. Halk, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 september 2005, in aanwezigheid van de griffier.