Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2005:AU0320

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
27-07-2005
Datum publicatie
01-08-2005
Zaaknummer
59027 HA-ZA 05/2272
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Naar voorlopig oordeel is kiosk in het evenementencomplex een voor het publiek toegankelijk lokaal als bedoeld in artikel 7:290 BW. Zaak wordt verwezen naar sector kanton van deze rechtbank. Geen anticipatie op komend recht; geen ambtshalve oordeel over de relatieve bevoegdheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer : 59027 HA ZA 05-2272

Datum : 27 juli 2005

RECHTBANK DORDRECHT

Sector Civiel Recht

Vonnis van de enkelvoudige kamer

in de zaak van

de naamloze vennootschap

AHOY' ROTTERDAM,

gevestigd te Rotterdam,

eiseres in conventie,

verweerster in het incident, tevens verweerster in reconventie,

procureur: mr. J.A. Visser,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

LABOJO B.V.,

gevestigd te Leusden en kantoorhoudende te Arkel, gemeente Giessenlanden,

gedaagde in conventie,

eiseres in het incident, tevens eiseres in reconventie,

procureur: mr. P.J.G.M. van Gool

Partijen worden hieronder aangeduid als Ahoy' en Labojo.

Het procesverloop

1. De rechtbank heeft kennis genomen van de volgende processtukken:

* beslagstukken,

* dagvaarding van 29 maart 2005,

* incidentele conclusie houdende beroep op absolute onbevoegdheid, tevens conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie,

* conclusie van antwoord in het incident.

* de door beide partijen overgelegde producties.

De vaststaande feiten

in conventie en reconventie

2. Als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, alsmede op grond van de producties, voor zover niet betwist, staat het volgende tussen partijen vast.

3. Labojo heeft een cateringbedrijf. Vanaf 1990 tot 17 november 2004 heeft zij in het complex van Ahoy' vanuit mobiele uitgiftepunten cateringwerkzaamheden uitgevoerd tegen afdracht van een percentage van de gerealiseerde opbrengst aan Ahoy'.

4. Ten behoeve van de cateringswerkzaamheden heeft Labojo van Ahoy' een ruimte in het complex van Ahoy' gehuurd. Deze ruimte gebruikte Labojo voor opslag en voor ontvangst van oproepkrachten.

5. In juni 2004 hebben partijen op initiatief van Ahoy' gesproken over uitbreiding van de cateringactiviteiten van Labojo met de exploitatie van twee kiosken in het complex van Ahoy'.

6. Tussen begin september 2004 en medio november 2004 zijn de bedoelde kiosken in opdracht verbouwd en heeft Labojo frituursets ten behoeve van de kiosken besteld.

7. Bij brief van 15 november 2004 heeft Ahoy' Labojo onder meer het volgende meegedeeld:

"Zoals u inmiddels telefonisch heeft vernomen (..) is vanaf 15 november de exploitatie van de kiosken, Ola ijs, broodjes Unox, popcorn en andere zaken opgedragen aan derden."

De vordering in conventie

8. Ahoy' vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

1. Labojo te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 35.827,41, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot de voldoening;

2. Labojo te veroordelen in de kosten van het geding, de kosten van beslaglegging daaronder begrepen.

Zij stelt daartoe het volgende.

9. Ter zake van de cateringwerkzaamheden in de periode tussen 22 september 2004 tot en met 17 november 2004, die uitsluitend zijn uitgevoerd vanuit de mobiele uitgiftepunten, dient Labojo in totaal nog € 35.827,41 aan Ahoy' af te dragen. Ondanks sommaties voldoet Labojo de daarop betrekking hebbende facturen niet.

De vordering in reconventie

10. Labojo vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

1. Ahoy' te veroordelen om binnen twee dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis Labojo in de gelegenheid te stellen de cateringwerkzaamheden, zoals Labojo deze binnen de complexen van Ahoy' heeft ontwikkeld vanaf 1990 en zou gaan uitvoeren overeenkomstig de overeenkomst van juni 2004, derhalve medeomvattend de exploitatie van twee kiosken, te verrichten en daartoe alle benodigde medewerking te verlenen, zoals het ter beschikking stellen van de benodigde ruimten en overige faciliteiten, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom;

2. Ahoy' te veroordelen tot vergoeding van schade aan Labojo ad € 30.000,-- voor iedere maand die is verstreken na 15 november 2004 tot het moment waarop Labojo haar werkzaamheden in het Ahoy' complex zal hebben hervat, waarbij voor perioden minder dan een maand schade naar rato zal worden berekend, te vermeerderen met het door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag voor schade anders dan die veroorzaakt door omzetverlies;

3. subsidiair Ahoy' te veroordelen om aan Labojo te betalen een in goede justitie te bepalen schadevergoeding wegens het ongegrond opzeggen van de tussen partijen bestaande duurovereenkomst.

Een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 november 2004, althans vanaf 25 mei 2005.

Zij stelt daartoe het volgende.

11. Primair geldt dat tussen partijen een huurovereenkomst in de zin van artikel 7:290 BW bestaat en subsidiair dat sprake is van een huurovereenkomst zoals bedoeld in artikel 7:230a BW. Meer subsidiair geldt dat sprake is van een duurovereenkomst die geen beëindigingbepaling bevat. De overeenkomst tussen partijen bestaat nog, aangezien sprake is van een nietige, althans onrechtmatige opzegging van de huurovereenkomst, danwel een opzegging van de duurovereenkomst zonder zwaarwichtige redenen. Ahoy' verkeert in schuldeisersverzuim nu Labojo niet in de gelegenheid wordt gesteld gebruik te maken van de ruimten van Ahoy' en haar cateringwerkzaamheden uit te voeren. De inkomsten die Labojo sindsdien derft, begroot zij op € 30.000,-- per maand. Daarnaast heeft Labojo schade gelden als gevolg van disruptie van de onderneming en neveneffecten, welke schade slecht berekenbaar is.

Het geschil in het incident

12. Labojo vordert dat bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de hoofdzaak zal worden verwezen naar de sector kanton, onder veroordeling van Ahoy' in de kosten van het incident. Zij stelt daartoe dat de vordering van Ahoy' betaling van huur betreft en dat derhalve op grond van artikel 93 Rv en artikel 71 Rv. de zaak dient te worden verwezen naar de sector kanton.

13. Ahoy' heeft hierop het volgende aangevoerd.

Het gevorderde percentage van de gerealiseerde omzet betreft uitsluitend omzet vanuit de mobiele uitgiftepunten en die zijn geen gebouwde onroerende zaak of gedeelte daarvan en Ahoy' is ook geen voor het publiek toegankelijk lokaal. De aan Labojo verhuurde opslagruimte is evenmin bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:290 BW. Bovendien werd die huur apart gefactureerd en was het gebruik van die ruimte ondergeschikt aan de cateringwerkzaamheden. Terzake van de exploitatie van de kiosken door Labojo is slechts sprake geweest van een plan. Labojo hebben de kiosken nimmer in gebruik genomen en ook nimmer huur of een andere vergoeding met betrekking tot die kiosken voldaan.

Beoordeling van het incident

14. Wat er ook van de vordering in conventie zij, de vordering in reconventie is primair gegrond op het bestaan van een huurovereenkomst tussen partijen, waarvan de exploitatie van de twee kiosken van Ahoy' deel uit maakte. In een later stadium zal het bestaan van die huurovereenkomst ten gronde worden beoordeeld. In het kader van de beoordeling van de competentie zal thans slechts een voorlopig oordeel daarover worden gegeven.

15. Niet bestreden is dat de kiosken een gebouwde onroerende zaak of gedeelte daarvan zijn en dat zij bestemd waren voor de verkoop van etenswaren aan het publiek dat de evenementen in het complex van Ahoy' bezoekt. De omstandigheid dat het complex slechts geopend is gedurende de evenementen in dat complex is niet relevant voor de beantwoording van de vraag of deze kiosken bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:290 BW zijn. Immers bedrijfsruimte in de zin van dat artikel behoeft niet op alle tijden geopend te zijn. Voorts doet de omstandigheid dat Labojo slechts kon leveren aan de gedurende vorenbedoelde evenementen toegelaten bezoekers, niet af aan de in artikel 7:290 BW vereiste toegankelijkheid voor het publiek. Dat de bezoekers toegangsbewijzen voor de evenementen moeten kopen, doet er immers niet aan af dat de evenementen in beginsel voor iedereen toegankelijk zijn, zodat de kring van (potentiële) klanten voldoende ruim is om te kunnen spreken van een voor het publiek toegankelijk lokaal. Uit de stelling van Ahoy' dat er ook evenementen zijn die slechts voor een bepaalde doelgroep toegankelijk zijn, blijkt niet van een zodanige beperking van die klantenkring dat slechts sprake is van een besloten kring.

16. De stelling van Labojo dat Ahoy' de kiosken aan haar in gebruik heeft gegeven, vindt voldoende steun in haar niet, althans onvoldoende gemotiveerd weersproken stelling dat de kiosken in opdracht en voor rekening van Labojo zijn verbouwd. Niet gesteld is immers dat die verbouwing tegen de wil van Ahoy' heeft plaatsgevonden. Voorts is de omstandigheid dat Labojo, zoals Ahoy' stelt, nimmer enige betaling voor de verbouwing heeft verricht, onvoldoende als betwisting van voormelde stelling, aangezien dat onverlet laat dat Labojo voor die betaling aansprakelijk is, zoals ook uit de door Labojo overgelegde factuur volgt. Tot slot is niet bestreden is dat de afdracht van een percentage van de met de exploitatie van de kiosken gerealiseerde omzet kan worden aangemerkt als een tegenprestatie voor het gebruik van de kiosken.

17. Op grond van het vorenstaande komt de rechtbank tot het voorlopig oordeel dat de vorderingen in reconventie een overeenkomst tot huur en verhuur van bedrijfsruimte betreffen. Tussen partijen is weliswaar in geschil of die overeenkomst tot stand is gekomen, maar dat doet er niet aan af dat die overeenkomst het onderwerp van het geschil is.

18. De door Labojo in conventie aangevoerde verweren zijn voor een groot deel gestoeld op de door haar gepretendeerde vordering in reconventie. Tussen de vorderingen in conventie en reconventie bestaat derhalve een samenhang die zich verzet tegen afzonderlijke behandeling en beslissing. Gelet op het bepaalde in artikel 94 lid 3 Rv. betekent dit dat de sector civiel recht van deze rechtbank de zaak niet aan zich kan houden en dat in het midden kan blijven of de vordering van Ahoy' een vordering tot betaling van huur betreft.

19. Op grond van het vorenstaande zal, overeenkomstig artikel 71 Rv, de zaak worden verwezen naar de sector kanton, locatie Gorinchem, van deze rechtbank. Hierbij dient te worden opgemerkt dat naar thans geldend recht de relatieve bevoegdheid van deze rechter niet ambtshalve kan worden getoetst en dat voor anticipatie op het in wetsvoorstel 28 663 neergelegde voorstel tot wijziging van artikel 110 lid 1 Rv - gelet op de in artikel XIII van dat wetsvoorstel neergelegde overgangsbepaling - geen plaats is.

20. De beslissing omtrent de kosten van dit incident wordt aangehouden totdat in de hoofdzaak eindvonnis gewezen kan worden.

De beslissing

De rechtbank:

in het incident

verwijst de hoofdzaak in de stand waarin deze zich bevindt naar de rolzitting van deze rechtbank, sector kanton, locatie Gorinchem van 22 augustus 2005 te 10.30 uur;

verstaat dat partijen alsdan aldaar in persoon of bij gemachtigde verschijnen;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.M. Croes en uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 27 juli 2005.