Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2005:AU0247

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
21-07-2005
Datum publicatie
28-07-2005
Zaaknummer
11/510093-05
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een gevangenisstraf van 36 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk is door de rechtbank Dordrecht opgelegd aan een jonge vrouw die een belangrijk aandeel heeft gehad in een gewelddadige ripdeal. Bij deze gewapende roofoverval werd circa € 150.000 buitgemaakt terwijl verdachten nooit de bedoeling hadden daadwerkelijk de drugs te leveren. Slechts een monster werd beschikbaar gesteld. Verdachte was de initiator van deze ripdeal en het centrale middelpunt met betrekking tot de uitvoeringsplannen. Zij schakelde mededaders in, besprak de plannen met hen en voorzag één van de mededaders die niet over een vuurwapen van haar eigen pistool. Hoewel verdachte zelf – onverwacht voor haar mededaders – niet aanwezig was toen de roofoverval daadwerkelijk plaatsvond, merkt de rechtbank haar aan als de kwade genius achter deze ripdeal en acht zij haar volledig verantwoordelijk voor het medeplegen daarvan.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 46
Wetboek van Strafrecht 310
Wetboek van Strafrecht 312
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 351
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NS 2005, 304
NBSTRAF 2005/304

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

MEERVOUDIGE STRAFKAMER

Tegenspraak

Parketnummer : 11/510093-05

Zittingsdatum : 7 juli 2005

Uitspraak : 21 juli 2005

VERKORT STRAFVONNIS

De rechtbank Dordrecht heeft op grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting vonnis gewezen in de zaak tegen:

[Naam verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op 1978,

zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,

thans gedetineerd in de P.I. Vrouwen te Breda.

De rechtbank heeft de processtukken gezien en kennis genomen van de

vordering van de officier van justitie en van hetgeen de verdediging naar voren

heeft gebracht.

1. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

zij op of omstreeks 01 maart 2005 te Dordrecht, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

A. met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te

bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] en/of

een NN-persoon (te weten: "een Rooie") heeft gedwongen tot de afgifte van

een geldbedrag (ongeveer 150.000 Euro) en/of een telefoon (merk: Nokia)

en/of een horloge (merk: Citizen) en/of een verblijfsvergunning

(Nederland), in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende

aan die [slachtoffer] en/of die NN-persoon, in elk geval aan een ander of anderen

dan aan verdachte en/of haar mededader(s)

en/of

B. met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een

geldbedrag (ongeveer 150.000 Euro) en/of een telefoon (merk: Nokia) en/of

een horloge (merk: Citizen) en/of een verblijfsvergunning (Nederland), in

elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] en/of

een NN-persoon (te weten: "een Rooie"), in elk geval aan een ander of

anderen dan aan verdachte en/of haar mededader(s), welke diefstal werd

voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met

geweld tegen die [slachtoffer] en/of die NN-persoon, gepleegd met het oogmerk om

die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij

betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken,

hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat zij,

verdachte, en/of haar mededader(s)

- zakelijk weergegeven -

- meerdere, althans één, vuurwapen(s), althans (een) soortgelijk(e)

voorwerp(en), op die [slachtoffer] en/of die NN-persoon heeft/hebben gericht,

althans heeft/hebben getoond en/of

- een vuurwapen, althans een soortgelijk voorwerp, tegen het/de hoofd(en) van

die [slachtoffer] en/of die NN-persoon heeft/hebben gezet, althans bij het/de

hoofd(en) van die [slachtoffer] en/of die NN-persoon heeft/hebben gehouden en/of

- heeft/hebben gezegd: "Don't move, don't move" en/of "Money, where is money",

althans woorden van soortgelijkende (dreigende) aard of strekking en/of

- meermalen, althans eenmaal, met een vuurwapen, althans met een hard

voorwerp, in het/de gezicht(en), althans tegen het/de hoofd(en), van die

[slachtoffer] en/of die NN-persoon heeft/hebben geslagen en/of

- meermalen, althans eenmaal, tegen het/de licha(a)m(en) van die [slachtoffer] en/of

die NN-persoon heeft/hebben gestompt en/of geslagen en/of geschopt en/of

getrapt en/of

- in de zak(ken) van die [slachtoffer] en/of die NN-persoon heeft/hebben gevoeld en/of

- met een vuurwapen meermalen, althans eenmaal, in de nabijheid van die

[slachtoffer] en/of die NN-persoon heeft/hebben geschoten en/of

- een tas uit de handen van die [slachtoffer] en/of die NN-persoon heeft/hebben getrokken, althans weggepakt.

2.

zij op één of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van

01 maart 2005 tot en met 24 maart 2005 te Dordrecht, in elk geval in

Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

- meerdere, althans één, vuurwapen(s) van categorie III onder 1, in de vorm

van een pistool, te weten (een) pisto(o)l(en) (merk: BBM; model: 315 Auto;

kaliber: 6.35 mm en/of merk: FN; model: MK-II; kaliber: 9 mm) en/of

- munitie van categorie III, te weten ongeveer 4, in elk geval een aantal,

kogelpatronen (kaliber: 6.35 mm)

voorhanden heeft gehad.

2. De voorvragen

2.1 De geldigheid van de dagvaarding

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

2.2 De bevoegdheid van de rechtbank

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen.

2.3 De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen feiten en/of omstandigheden gebleken, die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan.

2.4 De schorsing van de vervolging

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing van de vervolging gebleken.

3. Het onderzoek ter terechtzitting

3.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft -het onder feit 1, onder B, en onder feit 2 ten laste gelegde bewezen achtend- gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren, waarvan een jaar voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat het wapen en de munitie, zoals onder feit 2 beschreven, worden onttrokken aan het verkeer.

3.2 De verdediging

De verdediging heeft een bewijsverweer en een strafmaatverweer gevoerd.

4. De bewijsbeslissingen

4.1 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte

1.

op 01 maart 2005 te Dordrecht, tezamen en in vereniging met anderen,

B. met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een

geldbedrag (ongeveer 150.000 Euro) en een telefoon (merk: Nokia) en

een horloge (merk: Citizen) en een verblijfsvergunning (Nederland),

toebehorende aan [slachtoffer] en een NN-persoon (te weten: "een Rooie"),

welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met

geweld tegen die [slachtoffer] en die NN-persoon, gepleegd met het oogmerk om

die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken,

welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestond dat zij,

verdachte, en/of haar mededaders

- zakelijk weergegeven -

- meerdere vuurwapens, op die [slachtoffer] en/of die NN-persoon heeft/hebben gericht,

en

- een vuurwapen tegen het hoofd van die NN-persoon heeft/hebben gezet, en

- heeft/hebben gezegd: "Don't move, don't move" en/of "Money, where is money",

en

- met een vuurwapen in het gezicht van die [slachtoffer] heeft/hebben geslagen en

- meermalen tegen het lichaam van die [slachtoffer] heeft/hebben gestompt en/of geslagen en/of geschopt en/of getrapt en

- in de zakken van die [slachtoffer] heeft/hebben gevoeld en

- met een vuurwapen in de nabijheid van die [slachtoffer] en/of die NN-persoon heeft/hebben geschoten en

- een tas uit de handen van die NN-persoon heeft/hebben weggepakt.

2.

op meerdere tijdstippen in de periode van

01 maart 2005 tot en met 24 maart 2005 te Dordrecht, tezamen en in vereniging met anderen,

- één, vuurwapen van categorie III onder 1, in de vorm

van een pistool, merk: BBM; model: 315 Auto; kaliber: 6.35 mm en

- munitie van categorie III, te weten 4, kogelpatronen (kaliber: 6.35 mm)

voorhanden heeft gehad.

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd.

Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Voor zover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4.2 De bewijsmiddelen

De rechtbank grondt haar overtuiging dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

De rechtbank bezigt ieder bewijsmiddel, ook in onderdelen, telkens slechts voor het bewijs van het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

De rechtbank bezigt de inhoud van de geschriften als bedoeld in artikel 344, lid 1 sub 5° van het Wetboek van Strafvordering alleen in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis met de bewijsmiddelen vereist in een aan dit vonnis gehechte bijlage worden opgenomen.

4.3 Bewijsoverweging

Door de verdediging is met betrekking tot het eerste aan verdachte ten laste gelegde feit aangevoerd dat verdachte een dermate geringe rol bij de gebeurtenissen, waarop de tenlastelegging ziet, heeft gehad dat zij op basis daarvan niet als medepleger aangemerkt kan worden. De verdediging wijst er in dat kader op dat verdachte alleen de verkoop heeft geregeld, de contacten met de medeverdachten die voor de beveiliging zouden zorgen niet via haar liepen, zij niet op de plaats van het delict aanwezig was, geen aandeel had in het uitgeoefende geweld en bovendien haar vuurwapen niet tot haar beschikking had aangezien ze het aan één van haar medeverdachten gegeven had. Voorts zou het hele voorval zijn geëscaleerd. Uit al deze omstandigheden is, volgens de verdediging, tevens af te leiden dat verdachte geen opzet had op het eerste, onder B, ten laste gelegde feit, diefstal met geweld.

De rechtbank overweegt dienaangaande het volgende.

Medeplegen veronderstelt een bewuste, nauwe en volledige samenwerking welke veelal tot uitdrukking komt in een gezamenlijke uitvoering. Ook zonder gezamenlijke uitvoering ten tijde van het feit kan er echter sprake zijn van medeplegen mits de bewuste samenwerking tussen de medeplegers voldoende nauw en volledig is geweest. De rechtbank oordeelt in dit verband dat de samenwerking tussen verdachte en haar medeverdachten ruim voldoende intensief is geweest om haar als medepleger aan de gewelddadige roofoverval aan te kunnen merken. De rechtbank voert hiervoor de volgende omstandigheden aan.

De basis voor de gewelddadige gebeurtenissen op 1 maart 2005 in Dordrecht werd gelegd toen verdachte in februari 2005 met enkele in drugs geïnteresseerde mannen afsprak dat zij aan hen een aanzienlijke partij drugs zou leveren in ruil voor een groot geldbedrag. Er werd door verdachte een monster geleverd, waarna definitieve afspraken over de drugsdeal werden gemaakt. Over deze afspraken verklaart verdachte bij de politie dat het nooit de bedoeling was om deze drugs daadwerkelijk te leveren. Vervolgens betrok zij haar eerste medeverdachte in de plannen voor een 'deal', waarbij het de bedoeling was de drugs niet te leveren en de kopers van hun geld te beroven. Zij wist van deze medeverdachte, dat hij financiële problemen had. Verdachte drong er bij deze medeverdachte op aan, dat hij andere personen zou regelen, die in ruil voor geld zouden willen helpen. Hierop schakelde deze medeverdachte vier andere jongens in. Er werden besprekingen belegd, waaronder een overleg in de woning van de eerst betrokken medeverdachte. Twee medeverdachten verklaren dat het op dit punt voor iedereen duidelijk was dat de kopers 'geript' zouden worden, beroofd zouden worden van hun geld. In dat kader werd tot een globale rolverdeling besloten en werd geregeld dat wapens beschikbaar waren voor degenen die de kopers feitelijk zouden beroven. Verdachte verstrekte haar geladen wapen aan één van haar medeverdachten. De rechtbank leidt hieruit af dat verdachte tenminste voorwaardelijk opzet had op het gebruik van geweld bij de diefstal. Verdachte wilde met betrekking tot de organisatie van de roofoverval, volgens haar eigen verklaring, 'de touwtjes in handen houden', hetgeen duidt op een grote bijdrage van haar kant aan het bedenken van de roofoverval en de organisatie daarvan. Op de dag van de gewelddadige roofoverval hebben diverse telefonische contacten plaatsgevonden, waaronder tussen verdachte en de eerst betrokken medeverdachte. Nadat de gewelddadige beroving had plaatsgevonden, ontmoetten verdachte en enkele van haar medeverdachten elkaar opnieuw om het buitgemaakte geldbedrag te verdelen. Ook verdachte ontving hierbij haar aandeel in de buit.

Op basis van al deze omstandigheden is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat verdachte intensief met haar medeverdachten heeft samengewerkt door het initiëren van een beroving van degenen met wie zij afspraken had gemaakt over het leveren van drugs alsmede door het leveren van bijzonder relevante organisatorische en feitelijke bijdragen aan de gewelddadige roofoverval. Verdachte was in dat kader aanwezig op alle relevante momenten in de aanloop tot de roofoverval en heeft zich op geen enkel moment van de op handen zijnde gewelddadigheden gedistantieerd. Van minder groot belang acht de rechtbank daarom de omstandigheid dat verdachte niet lijfelijk aanwezig was op het moment waarop de roofoverval feitelijk plaatsvond, nu daaruit niet moet worden geconcludeerd, dat zij zich van de gebeurtenissen distantieerde, maar veeleer dat zij de -risicovolle- uitvoering van haar plannen aan anderen wilde overlaten.

5. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

Het bewezenverklaarde levert op:

1. (onder B)

DIEFSTAL, VOORAFGEGAAN EN VERGEZELD VAN GEWELD OF BEDREIGING MET GEWELD TEGEN PERSONEN, GEPLEEGD MET HET OOGMERK OM DIE DIEFSTAL GEMAKKELIJK TE MAKEN, TERWIJL HET FEIT WORDT GEPLEEGD DOOR TWEE OF MEER VERENIGDE PERSONEN;

2.

MEDEPLEGEN VAN HET HANDELEN IN STRIJD MET ARTIKEL 26, EERSTE LID VAN DE WET WAPENS EN MUNITIE, en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III;

en

MEDEPLEGEN VAN HET HANDELEN IN STRIJD MET ARTIKEL 26, EERSTE LID VAN DE WET WAPENS EN MUNITIE.

6. De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7. De redenen, die de straf hebben bepaald of tot de maatregel hebben geleid

7.1 Strafmotivering

De rechtbank heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich met haar mededaders schuldig gemaakt aan een gewelddadige roofoverval die op klaarlichte dag op straat plaatsgevonden heeft. Verdachte was de initiator van deze roofoverval en het centrale middelpunt met betrekking tot de uitvoeringsplannen. Zij maakte de afspraak met de 'kopers' om aan hen een partij drugs te leveren waarbij het haar bedoeling was de drugs niet daadwerkelijk te leveren. Vervolgens schakelde zij de mededaders in, met wie ze de plannen voor een 'ripdeal' besprak. Nu zij het wenselijk achtte dat mededaders over een wapen beschikten ten behoeve van de ripdeal, voorzag ze één van haar medeverdachten van haar eigen wapen. De aldus in scène gezette beroving droeg een zeer gewelddadig karakter: de twee als 'koper' betrokken personen werden bedreigd, er werd een schot gelost en één van hen werd stevig mishandeld, zodanig dat hij slagwonden in zijn gezicht opliep. Van de ander werd een tas met daarin een bedrag van ongeveer 150.000,-- euro buitgemaakt, welk bedrag onderling verdeeld werd. Verdachte ontving een aandeel in de buit.

Verdachte heeft zich bij haar handelen alleen door eigen financieel belang laten leiden en geen moment rekening gehouden met mogelijke, wellicht dodelijke gevolgen voor de twee 'afnemers' en voor passanten die zich op dat moment op straat zouden kunnen bevinden. Zij is manipulatief te werk gegaan door haar mededaders te instrueren en vervolgens zelf -onverwacht- niet aanwezig te zijn toen de roofoverval daadwerkelijk plaatsvond. De rechtbank merkt verdachte dan ook als kwade genius achter het delict aan en rekent dit verdachte zeer zwaar aan. Voorts brengen misdrijven als de onderhavige grote onrust en gevoelens van onveiligheid in de samenleving teweeg. Het delict en de wijze waarop dit is uitgevoerd dragen een voor de rechtsorde hoogst schokkend karakter. Het feit is zo ernstig dat daarvoor in beginsel alleen een vrijheidsbenemende straf van lange duur in aanmerking kan komen.

Voorts heeft verdachte een doorgeladen vuurwapen van de derde categorie van de Wet Wapens en Munitie voorhanden gehad. Het voorhanden hebben van dergelijke wapens en munitie levert -zoals hier opnieuw gebleken is- een onaanvaardbaar risico op voor de veiligheid van personen.

Wat betreft de persoon van verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op een uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister van verdachte d.d. 01 april 2005, waaruit blijkt dat verdachte uitsluitend wegens verkeersdelicten is veroordeeld. Ook heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op het omtrent verdachte door Reclassering Nederland opgemaakte rapport d.d. 04 juli 2005, waarin gesteld wordt dat de kans op recidive aanwezig is, nu verdachte zich afhankelijk op kan stellen van anderen en niet altijd nadenkt over de consequenties van haar handelen.

Op grond van het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te melden duur dient te worden opgelegd. De rechtbank zal een gedeelte van de vrijheidsbenemende straf voorwaardelijk opleggen, nu verdachte zich blijkens haar justitiële documentatie niet eerder aan geweldsdelicten heeft schuldig gemaakt. Het voorwaardelijke gedeelte van de vrijheidsstraf dient ook als waarschuwing om zich in de toekomst van het plegen van strafbare feiten te onthouden.

7.2 Bijkomende beslissingen

7.2.1 De onttrekking aan het verkeer

De rechtbank is van oordeel, dat de inbeslaggenomen goederen, genoemd in de lijst van inbeslaggenomen goederen met parketnummer 11/510093-05 op naam van [verdachte] onder nummer 1 en 2, te weten:

- een zwart pistool, merk: BBM, model: 315 auto en

- vier patronen, kaliber: 6.35, kleur: goud,

dienen te worden onttrokken aan het verkeer. Het ongecontroleerde bezit daarvan is in strijd met de wet en het algemeen belang. Tevens geldt dat de voorwerpen bij het onderzoek ter gelegenheid van de door verdachte begane feiten zijn aangetroffen en kunnen dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten. Verder is uit het onderzoek op de terechtzitting gebleken dat de onder parketnummer 11.510093-05 onder 1 onder B en onder 2 bewezenverklaarde feiten met behulp van deze voorwerpen zijn begaan.

8. De toepasselijke wettelijke voorschriften

De opgelegde straf is gegrond op de volgende wettelijke voorschriften:

Artikelen 14a, 14b, 14c, 36b, 36c, 47, 57, 310 en 312 van het Wetboek van Strafrecht;

artikelen 26 en 55 van de Wet Wapens en Munitie.

9. De beslissing

De rechtbank

verklaart bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals vermeld onder 4.1 van dit vonnis;

verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart dat het bewezenverklaarde de onder 5. vermelde strafbare feiten oplevert;

verklaart de verdachte hiervoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte wegens deze feiten tot:

EEN GEVANGENISSTRAF voor de duur van ZESENDERTIG (36) MAANDEN;

bepaalt dat een gedeelte van deze gevangenisstraf, te weten ZES (6) MAANDEN niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd die wordt bepaald op TWEE JAREN, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de hem opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht;

verklaart onttrokken aan het verkeer de hierboven onder 7.2.1. vermelde inbeslaggenomen voorwerpen.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. drs. T.F. van der Lugt, voorzitter,

mrs. A. Hello en F.G.H. Kristen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A.J. van Spengen, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 21 juli 2005.

Mr. F.G.H. Kristen is wegens afwezigheid buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.