Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2005:AS6972

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
27-01-2005
Datum publicatie
22-02-2005
Zaaknummer
11/015014-04
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wegens verkrachting van zijn pleegdochter heeft de rechtbank Dordrecht een 35-jarige man veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden gevangenisstraf waarvan 8 maanden voorwaardelijk. Veroordeeld heeft, aldus de rechtbank, in een periode van bijna drie jaar door zijn dwingend optreden en psychisch overwicht het slachtoffer op weloverwogen wijze in een positie gebracht waarin zij afhankelijk van hem was en zij als het ware niet anders kon dan de bewuste seksuele handelingen te ondergaan. Deze straf is hoger dan de eis van de officier van justitie die 18 maanden gevangenisstraf waarvan 6 maanden voorwaardelijk had geëist.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 242
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 351
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NS 2005, 115
NBSTRAF 2005/115

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

MEERVOUDIGE STRAFKAMER

Tegenspraak

Parketnummer: [nummer]

Zittingsdatum: 13 januari 2005

Uitspraak: 27 januari 2005

VERKORT STRAFVONNIS

De rechtbank Dordrecht heeft op grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting vonnis gewezen in de zaak tegen:

[verdachte]

geboren in 1969 te [geboorteplaats]

wonende te [woonplaats].

De rechtbank heeft de processtukken gezien en kennis genomen van de

vordering van de officier van justitie en van hetgeen de verdediging naar voren

heeft gebracht.

1. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij in of omstreeks de periode van 01 december 2001 tot en met 15 mei 2003 te Bleskensgraaf, gemeente Graafstroom, door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer] (geboren in 1985) heeft gedwongen tot het ondergaan van (een) handeling(en) die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer],

hebbende verdachte meermalen, althans eenmaal,

- zijn penis en/of zijn vinger in haar vagina gebracht en/of geduwd en/of zijn penis tegen haar vagina aangeduwd en/of

- zich laten aftrekken, althans zijn penis laten betasten, door die [slachtoffer] en/of

- de (ontblote) vagina en/of borsten en/of billen en/of buik, althans het lichaam gestreeld en/of betast en/of

- die [slachtoffer] getongzoend en/of

- op die [slachtoffer] gelegen en/of met zijn lichaam tegen het lichaam van die [slachtoffer] aangewreven

en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat verdachte

en/of (aldus) voor die [slachtoffer] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan;

- die [slachtoffer] in een afhankelijkheidsrelatie met hem, verdachte, heeft gebracht en/of met zijn psychische overwicht, dat hij, verdachte, op die [slachtoffer] had verworven, die [slachtoffer] aan zijn, verdachtes, wil heeft onderworpen en/of

- als pleegvader en/of vertrouwenspersoon een uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht over die [slachtoffer] heeft gehad en/of

- meermalen, althans eenmaal, die [slachtoffer] heeft gedwongen om nooit over bovengenoemde seksuele handeling(en) met een derde te spreken, omdat zij anders het gezin zou moeten verlaten;

SUBSIDIAIR: voorzover het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht

of zou kunnen leiden:

hij in of omstreeks de periode van 01 december 2001 tot en met 15 mei 2003 te Bleskensgraaf, gemeente Graafstroom, ontucht heeft gepleegd met zijn minderjarig stiefkind en/of met de aan zijn zorg en/of opleiding en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, [slachtoffer] (geboren in 1985),

bestaande die ontucht hierin dat hij, meermalen, althans eenmaal

- zijn penis en/of zijn vinger in haar vagina heeft gebracht en/of geduwd en/of zijn penis tegen haar vagina heeft aangeduwd en/of

- zich heeft laten aftrekken, althans zijn penis heeft laten betasten, door die [slachtoffer] en/of

- de (ontblote) vagina en/of borsten en/of billen en/of buik, althans het lichaam heeft gestreeld en/of betast en/of

- die [slachtoffer] heeft getongzoend en/of

- op die [slachtoffer] heeft gelegen en/of met zijn lichaam tegen het lichaam van die [slachtoffer] heeft aangewreven.

2. De voorvragen

2.1 De geldigheid van de dagvaarding

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

2.2 De bevoegdheid van de rechtbank

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen.

2.3 De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen feiten en/of omstandigheden gebleken, die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan.

2.4 De schorsing van de vervolging

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing van de vervolging gebleken.

3. Het onderzoek ter terechtzitting

3.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft -het primair ten laste gelegde bewezen achtend- gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, met als bijzondere voorwaarde reclasserinsbegeleiding en een daderbehandeling.

3.2 De verdediging

De verdediging heeft naast een bewijsverweer ook een strafmaatverweer gevoerd.

4. De bewijsbeslissingen

4.1 De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte

(primair)

in de periode van 1 juli 2002 tot en met 15 mei 2003 te Bleskensgraaf, gemeente Graafstroom, door andere feitelijkheden [slachtoffer] (geboren in 1985) heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], hebbende verdachte meermalen,

- zijn penis en zijn vinger in haar vagina gebracht en

- zich laten aftrekken door die [slachtoffer] en

- de (ontblote) vagina en borsten en billen en buik van die [slachtoffer] gestreeld en betast en

- die [slachtoffer] getongzoend en

- op die [slachtoffer] gelegen en met zijn lichaam tegen het lichaam van die [slachtoffer] aangewreven

en bestaande die andere feitelijkheden hierin dat verdachte

- die [slachtoffer] in een afhankelijkheidsrelatie met hem, verdachte, heeft gebracht en met zijn psychische overwicht, dat hij, verdachte, op die [slachtoffer] had verworven, die [slachtoffer] aan zijn, verdachtes, wil heeft onderworpen en

- als pleegvader en vertrouwenspersoon een uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht over die [slachtoffer] heeft gehad en

- die [slachtoffer] heeft gedwongen om nooit over bovengenoemde seksuele handelingen met een derde te spreken, omdat zij anders het gezin zou moeten verlaten,

en aldus voor die [slachtoffer] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan.

Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De rechtbank zal verdachte hiervan vrijspreken.

Voor zover in de bewezen verklaarde tenlastelegging taal- of schrijffouten voorkomen, heeft de rechtbank deze verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4.2 De bewijsmiddelen

De rechtbank grondt haar overtuiging dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis met de bewijsmiddelen vereist in een aan dit vonnis gehechte bijlage worden opgenomen.

4.3 Nadere bewijsoverweging

Verdachte heeft toegegeven dat de hiervoor bewezen verklaarde seksuele handelingen hebben plaatsgevonden, doch hij stelt dat er geen sprake van is geweest dat het slachtoffer daartoe door hem werd gedwongen. Deze stelling wordt door het slachtoffer weersproken.

De rechtbank acht niet uitgesloten dat aanvankelijk geen sprake is geweest van dwang ten opzichte van het slachtoffer, doch zij is van oordeel dat op grond van de hierna nader omschreven omstandigheden op enig moment een dwangmatige situatie voor het slachtoffer is ontstaan, waarbinnen de bewezen verklaarde seksuele handelingen hebben plaatsgevonden.

Weliswaar is niet komen vast te staan dat het slachtoffer door fysiek geweld werd gedwongen tot het ondergaan van de seksuele handelingen, doch verdachte had door andere feitelijkheden het slachtoffer in een zodanige positie gebracht, dat zij niet anders kon dan zich de bewuste handelingen te laten welgevallen, hetgeen voor verdachte ook duidelijk moet zijn geweest, daar hij zelf die afhankelijke positie van het slachtoffer doelbewust heeft gecreëerd.

Toen het slachtoffer door het gezin van verdachte werd opgevangen nadat zij haar eigen gezinssituatie had verlaten, verkeerde zij geestelijk in een niet-stabiele toestand. Dit heeft haar afhankelijkheidspositie alleen maar versterkt. Daarnaast had zij nog maar net de leeftijd van zestien jaren bereikt toen zij in het gezin van verdachte werd opgenomen. Het moet voor verdachte vanaf het allereerste begin duidelijk zijn geweest dat het slachtoffer in een afhankelijkheidspositie verkeerde en dat hij een psychisch overwicht op het slachtoffer had. Bovendien heeft verdachte tegen het slachtoffer gezegd, dat zij nooit met anderen over de seksuele handelingen mocht spreken, omdat zij anders het gezin zou moeten verlaten. Hierbij heeft hij nadrukkelijk ingespeeld op de bij het slachtoffer levende vrees alsdan het gezin te moeten verlaten.

Het vorenstaande brengt de rechtbank tot het oordeel dat sprake is geweest van "dwang" in de zin van artikel 242 van het Wetboek van Strafrecht.

5. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

Het bewezenverklaarde levert op:

VERKRACHTING, MEERMALEN GEPLEEGD.

6. De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7. De redenen, die de straf hebben bepaald of tot de maatregel hebben geleid

7.1 Strafmotivering

De rechtbank heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder die zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft gedurende langere tijd, bijna een jaar, het slachtoffer gedwongen tot het ondergaan van seksuele handelingen, waarbij hij verschillende keren haar lichaam seksueel is binnengedrongen.

Het slachtoffer was bij verdachte als pleegkind in het gezin geplaatst omdat zij, onder andere vanwege seksueel misbruik, niet langer in haar eigen gezinssituatie kon blijven.

Verdachte heeft, in een situatie waarin het slachtoffer aan zijn zorg was toevertrouwd, misbruik gemaakt van deze afhankelijkheidspositie door zich bij herhaling aan haar op te dringen. Hierbij is hij, in eigen woorden "opbouwend te werk gegaan" door elke keer een stapje verder te gaan. Het slachtoffer heeft zich gedwongen gevoeld deze handelingen toe te laten, omdat zij vreesde dat, wanneer zij zich eraan zou onttrekken door erover aan anderen te vertellen, zij het gezin zou moeten verlaten. Verdachte heeft op deze vrees ook ingespeeld door het slachtoffer herhaaldelijk voor te houden dat zij, als zij er tegen anderen over zou beginnen, weg zou moeten.

Verdachte was, als pleegvader, uitvoerig van de problemen van het slachtoffer op de hoogte. Verdachte heeft van deze wetenschap op een walgelijke manier misbruik gemaakt door het tegenover het slachtoffer te doen voorkomen dat zij moest ingaan op zijn toenaderingen om de nare (incest-)ervaringen die zij in het verleden had opgedaan, te verwerken.

Toen het slachtoffer in januari 2003 aankondigde dat het misbruik moest stoppen en dat zij anderen zou inlichten, heeft verdachte haar onder druk gezet om te verklaren dat er niets tussen hen beiden was voorgevallen en om de bladzijden uit haar dagboek, waarin zij had opgeschreven wat was voorgevallen, te verscheuren.

Ook daarna is het misbruik doorgegaan, waarbij verdachte elke keer als hij alleen was met het slachtoffer, seksuele toenadering zocht. Verdachte heeft verklaard dat hij wel twee tot drie keer per week seksuele handelingen met haar verrichtte.

De omvang en de ernst van het misbruik en de omstandigheden waaronder het heeft plaatsgehad rechtvaardigen zonder meer een vrijheidsbenemende straf van aanmerkelijke duur.

Wat de persoon van de verdachte betreft houdt de rechtbank allereerst rekening met de omstandigheid dat hij niet eerder met justitie in aanraking is gekomen. Daarnaast betrekt de rechtbank in haar oordeel het rapport van Reclassering Nederland van 3 september 2004.

In dit rapport wordt geadviseerd als bijzondere voorwaarde bij een voorwaardelijke vrijheidsstraf op te nemen dat verdachte zich dient te houden aan de aanwijzingen van de reclassering en in dat kader dient mee te werken aan een dadertherapie bij een daarvoor geëigende instelling.

Naar het oordeel van de rechtbank staan de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder die zijn begaan in de weg aan het opleggen van een geheel voorwaardelijke vrijheidsstraf. Ook de eis van de officier van justitie doet onvoldoende recht aan de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder die zijn begaan.

De rechtbank is er wel van overtuigd dat verdachte behandeling behoeft. Ten behoeve daarvan zal zij een deel van de op te leggen vrijheidsstraf voorwaardelijk opleggen en aan dit voorwaardelijk gedeelte de bijzondere voorwaarde verbinden, zoals nader in het dictum zal worden vermeld. Dit voorwaardelijk gedeelte van de straf dient er tevens toe verdachte in de toekomst ervan te weerhouden wederom strafbare feiten te plegen.

Op grond van het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat een deels vrijheidsbenemende straf van na te melden duur dient te worden opgelegd.

8. De toepasselijke wettelijke voorschriften

De opgelegde straf is gegrond op de volgende wettelijke voorschriften:

artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 57 en 242 van het Wetboek van Strafrecht.

9. De beslissing

De rechtbank

verklaart bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals vermeld onder 4.1 van dit vonnis;

verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart dat het bewezenverklaarde de onder 5. vermelde strafbare feiten oplevert;

verklaart de verdachte hiervoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte wegens die feiten tot:

een GEVANGENISSTRAF voor de duur van VIERENTWINTIG MAANDEN,

met bevel dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de thans opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht,

met bevel dat een gedeelte van deze gevangenisstraf, groot ACHT MAANDEN, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd die wordt bepaald op TWEE JAREN, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, of niet heeft nageleefd de hierna te melden bijzondere voorwaarde;

stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen hem te geven door of namens de Stichting Reclassering Nederland, zolang deze instelling dit noodzakelijk acht, ook indien zulks inhoudt deelname aan een behandeling bij het Centrum voor ambulante forensische psychiatrie "De Waag" te Utrecht of een andere instelling, voor zover en voor zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

verstrekt aan de genoemde reclasseringsinstelling opdracht om aan veroordeelde hulp en steun te verlenen bij de naleving van de bijzondere voorwaarden.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. drs. T.F. van der Lugt, voorzitter,

en mrs. H. Bedee en M.A.C. Prins, rechters,

in tegenwoordigheid van D.J. Boogert, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 27 januari 2005.

Door afwezigheid is mr. Bedee voornoemd buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.