Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2005:AS4525

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
20-01-2005
Datum publicatie
01-02-2005
Zaaknummer
144103 CV EXPL 04-4429
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Arbeidsrecht; Opzegtermijn art 7:672 BW en overgangsrecht (art. XXI).

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 672
Burgerlijk Wetboek Boek 7 681
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 7 680
Wijzigingswet Burgerlijk Wetboek, het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945 enz. (Flexibiliteit en zekerheid)
Wijzigingswet Burgerlijk Wetboek, het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945 enz. (Flexibiliteit en zekerheid) XXI
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAR 2005/54
JAR 2005, 54

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Kenmerk: 144103 CV EXPL 04-4429

Vonnis van de kantonrechter te Dordrecht van 20 januari 2005 in de zaak van:

[…] wonende te […], eiser,

gemachtigde: mr. M.A. Alting (CNV Bedrijvenbond),

tegen :

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid […],

gevestigd te […], gedaagde,

gemachtigde: mr. A.A.H. Zegers.

Partijen worden aangeduid als [eiser] en [gedaagde].

Verloop van de procedure

De kantonrechter wijst vonnis op de volgende processtukken:

1. de dagvaarding van 15 juli 2004;

2. de conclusie van antwoord;

3. het tussenvonnis van 16 september 2004 waarin een comparitie van partijen is gelast;

4. het proces-verbaal van de op 11 november 2004 gehouden comparitie van partijen;

5. de door partijen overgelegde producties.

Omschrijving van het geschil

1. Tussen partijen staat het volgende vast.

[eiser], die is geboren op 10 januari 1948, is op 1 februari 1986 in dienst getreden van [gedaagde] in de functie van aquisiteur/hoofd lichtreclame tegen een salaris van laatstelijk

€ 4.400,-- bruto per maand te vermeerderen met 8% vakantietoeslag.

Op 1 september 2003 heeft [gedaagde] een ontslagvergunning aangevraagd. [eiser] heeft verweer gevoerd. Op 31 oktober 2003 heeft de Raad van Bestuur van de Centrale organisatie werk en inkomen (verder te noemen het CWI) aan [gedaagde] toestemming verleend de arbeidsovereenkomst met [eiser] op te zeggen.

In deze procedure heeft [gedaagde] aangevoerd dat de afdeling waar [eiser] werkte niet rendabel was, waardoor (o.a.) het ontslag van [eiser] onvermijdelijk was.

[gedaagde] heeft in haar brief van 10 november 2003 de arbeidsovereenkomst opgezegd tegen 1 maart 2004.

Op 1 maart 2004 is [eiser] voor de duur van een jaar in dienst getreden bij […] B.V. te […] (verder te noemen […] B.V.). In een brief van 3 november 2004 aan [eiser] heeft […] B.V. medegedeeld:

“(…) Naar aanleiding van gesprek d.d. 11-10-2004 bevestigen wij hierbij u te hebben medegedeeld dat uw arbeidscontract welke loopt tot 1 maart 2005, niet zal worden omgezet in een vast dienstverband..

Zoals besproken zijn, ondanks uw inspanningen, de tegenvallende verkoopresultaten voornaamste reden hiervoor.

Zoals in bovengenoemd contract wordt vermeld, zullen wij op uiterlijk 1 december a.s. onze definitieve beslissing mededelen. (…)”

2. [eiser] vordert dat bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,

a. wordt verklaard voor recht dat het door [gedaagde] gegeven ontslag kennelijk onredelijk is;

b. [gedaagde] wordt veroordeeld om aan [eiser] te betalen terzake schadevergoeding

€ 137.808,-- bruto;

c. [gedaagde] wordt veroordeeld om aan [eiser] te betalen terzake onregelmatige beëindiging van de arbeidsovereenkomst € 4.752,-- bruto;

d. Met verhoging ex art. 7:625 BW en met de wettelijk rente vanaf de dagvaarding over c.;

e. [gedaagde] wordt veroordeeld tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten;

kosten rechtens.

Aan zijn vorderingen onder a. en b. legt [eiser] kennelijke onredelijkheid van het ontslag ten grondslag. In dit verband stelt hij het volgende.

Het ontslag is gegeven onder opgave van een valse of voorgewende reden, want zes personen van de afdeling waar [eiser] werkte voor wie eveneens een ontslagvergunning is aangevraagd zijn weer in dienst genomen, terwijl [gedaagde] zich ook nog steeds bezig houdt met lichtreclame.

Voorts is het ontslag kennelijk onredelijk in de zin van art. 7:681 lid 2 aanhef en onder b BW (gevolgencriterium), aangezien [eiser], die geen vergoeding van [gedaagde] heeft ontvangen, ten tijde van het ontslag 56 jaar oud was, hij weliswaar ander werk heeft gevonden, maar tegen lager salaris (€ 700,-- bruto per maand), terwijl hij pensioenschade lijdt door het verliezen van zijn hoge anciënniteit. De totale schade, berekend aan de hand van de zgn kantonrechtersformule, bedraagt € 137.808,-- bruto.

Aan de vordering onder c. legt [eiser] ten grondslag dat de opzegtermijn ten onrechte met een maand is bekort, aangezien [eiser] op 1 januari 1999 ouder dan 45 jaar was, zodat op grond van het overgangsrecht Wet Flexibiliteit en Zekerheid de korting van art. 7:672 lid 4 BW niet geldt. [eiser] maakt aanspraak op de gefixeerde schadevergoeding ex art. 7: 677 lid 1 sub 4 BW ter hoogte van één maandsalaris inclusief vakantiegeld derhalve € 4.752,-- bruto

[gedaagde] heeft het gevorderde betwist. Zonodig wordt het standpunt van [gedaagde] hierna besproken.

Beoordeling van het geschil

Kennelijk onredelijk ontslag.

4. [gedaagde] heeft niet betwist dat zij nog enige activiteiten verricht op het gebied van lichtreclame en dat zij weer mensen in dienst heeft genomen, maar zij houdt staande dat de afdeling, na de op economische gronden noodzakelijke reorganisatie, is opgeheven. [eiser] betwist wel dat sprake is van de bedrijfseconomische noodzaak, maar hij heeft zijn standpunt onvoldoende onderbouwd. Hij beschikte immers over in de procedure bij het CWI gepresenteerde financiële resultaten en deze resultaten bespreekt hij in het geheel niet in deze procedure. Het enkele feit dat een aantal mensen weer in dienst zijn genomen is onvoldoende om te kunnen oordelen dat aan het ontslag van [eiser] een valse of voorgewende reden ten grondslag lag.

4.1 De vraag wanneer - in de zin van art. 7:681 lid 2 aanhef en onder b BW - mede in aanmerking genomen de voor de werknemer getroffen voorzieningen en de voor hem bestaande mogelijkheden om ander passend werk te vinden, de gevolgen van de opzegging voor de werknemer te ernstig zijn in vergelijking met het belang van de werkgever bij de opzegging, dient te worden beantwoord aan de hand van alle omstandigheden van het geval (HR 22 februari 2002, NJ 2002/260).

4.2 Gelet op vorenstaande moet het er voor worden gehouden dat er een bedrijfseconomische oorzaak als reden aan het ontslag ten grondslag lag. De belangen van [gedaagde] bij het gegeven ontslag wegen onder deze omstandigheden zwaar.

4.3 [eiser] heeft direct ander, mogelijk tijdelijk, werk gevonden. Ook indien hij thans een lager salaris krijgt, hetgeen [gedaagde] overigens betwist, en pensioenschade lijdt kan niet worden geoordeeld dat wordt voldaan aan het hiervoor weergegeven criterium. De gevolgen zijn voor [eiser] weliswaar ernstig, maar afgezet tegen de belangen van [gedaagde] gegeven de economische omstandigheden niet zodanig ernstig dat geoordeeld kan worden van een kennelijk onredelijk ontslag.

4.4 De vorderingen onder a. en b. worden afgewezen.

4.5 Ten overvloede wordt nog overwogen, dat toepassing van de voor procedures ex art. 7:685 BW bedoelde kantonrechtersformule in zaken als de onderhavige in beginsel niet toepasselijk is.

Opzegtermijn.

5.1 Het huidige artikel 7:672 BW is in werking getreden op 1 januari 1999. Art. XXI van de overgangsbepalingen luidt:

Voor de werknemer die op het tijdstip van het inwerking treden van deze wet 45 jaar of ouder was en voor wie op dat tijdstip een langere termijn voor opzegging gold dan volgens deze wet, blijft de oude termijn gelden zo lang hij bij dezelfde werkgever in dienst blijft.

5.2 [eiser] was op 1 januari 1999 ouder dan 51 jaar en hij was toen 12 jaar en 11 maanden bij [gedaagde] in dienst. Krachtens art. 7:672 BW, zoals dat gold tot 1 januari 1999, bedroeg de opzegtermijn 12 (lid 1) + 6 (lid 2) = 18 weken. Op grond van het na 1 januari 1999 geldende art. 7:672 BW bedroeg de opzegtermijn op 1 januari 1999 drie maanden.

5.3 De strekking van de hiervoor genoemde overgangsbepaling is in de kamerstukken

(25263 nr 132b pag 29) omschreven als volgt:

Achtergrond van deze overgangsregeling is dat de door de werknemer onder de thans nog geldende wet verkregen rechten gerespecteerd dienen te worden. Overigens sluit deze overgangsregeling niet uit dat na inwerkingtreding van deze wet een werknemer op termijn bij dezelfde werkgever een opzegtermijn op grond van het nieuwe recht opbouwt die langer is dan de termijn die gold op het tijdstip van inwerkingtreding. In dat geval geldt de nieuwe opzegtermijn zodra deze langer is dan de op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet opgebouwde termijn. Met andere woorden de «oude» opzegtermijn wordt gefixeerd op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet en geldt alleen zolang hij langer is dan de onder het nieuwe recht opgebouwde opzegtermijn en niet van werkgever wordt veranderd. Strikt genomen is er dan ook geen sprake van het naast elkaar bestaan van twee verschillende regelingen.

5.4 In beginsel blijft het oude recht van toepassing, omdat die regeling voor [eiser] op 1 januari 1999 gunstiger was. De vraag is of op de korting van een maand als bedoeld in art. 7: 672 lid 4 BW van toepassing is op deze termijn.

5.5 Op 10 november 2003 was [eiser] 55 jaar oud en 17 jaar in dienst van [gedaagde]. De opzegtermijn bedroeg volgens het oude recht 13 + 10 = 23 weken. Uit de hiervoor weergegeven strekking van de overgangsbepaling valt niet af te leiden dat de korting van art. 7:672 lid 4 BW (nieuw) niet geldt voor de opzegtermijn die volgens de oude regeling is berekend. Als opzegtermijn geldt derhalve 23 -/- vier weken = 19 weken. [gedaagde] heeft op 10 november 2003 opgezegd tegen 1 maart 2004, zijnde een termijn van 17 weken. De opzegtermijn is derhalve niet in acht genomen. [gedaagde] is gelet op het bepaalde in art. 7:677 lid 2 BW jegens [eiser] schadeplichtig en [eiser] kan ingevolge art. 7:677 lid 4 jo 7:680 lid 1 BW aanspraak maken op de gefixeerde schadevergoeding van twee weken loon.

5.6 De wettelijke verhoging wordt gelet op de omstandigheden van het geval gematigd tot 10% en de wettelijke rente wordt als onbetwist toegewezen.

5.7 De buitengerechtelijke kosten zijn niet voldoende onderbouwd, terwijl de gestelde werkzaamheden zijn aan te merken als verricht ter instructie van de zaak. Dit onderdeel van de vordering wordt afgewezen.

5.8 Nu partijen over en weer in het ongelijk zijn gesteld worden de proceskosten gecompenseerd.

Beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen het twee weken salaris (bruto) met 10 % wettelijke verhoging en met de wettelijke rente daarover vanaf 15 juli 2004;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de proceskosten in die zin dat elk van partijen de eigen kosten draagt.

wijst af het meer of anders gevorderde;

Dit vonnis is gewezen door mr. J.C. Halk, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 januari 2005, in aanwezigheid van de griffier.