Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2004:AR6364

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
13-10-2004
Datum publicatie
24-11-2004
Zaaknummer
48294 / HA ZA 03-2174
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vraag: "Kan een gedaagde, nadat hij een derde in vrijwaring heeft opgeroepen, de onbevoegdverklaring van de rechter uitlokken?"

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2005, 80
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Zaak- en rolnummer: 48294 / HA ZA 03-2174

datum: 13 oktober 2004

RECHTBANK DORDRECHT

Sector Civiel Recht

Vonnis van de enkelvoudige kamer

in de zaak van

de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging

HEWLETT-PACKARD INTERNATIONAL SARL,

gevestigd te Meyrin, Zwitserland,

eiseres,

verweerster in het incident

procureur: mr. V.J. Groot,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

P&O FERRYMASTERS B.V.,

gevestigd te Rozenburg,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

P&O FERRYMASTERS LTD.,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagden,

eiseressen in het incident

procureur: mr. J.A. Visser.

Partijen worden hieronder aangeduid als "HP", respectievelijk -gezamenlijk- als "P&O".

Het procesverloop

1. De rechtbank heeft kennis genomen van de volgende processtukken:

* dagvaarding van 17 februari 2003;

* akte houdende overlegging producties, met 2 producties;

* incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring;

* conclusie van antwoord in het vrijwaringsincident;

* vonnis in het vrijwaringsincident van 15 oktober 2003;

* incidentele conclusie houdende exceptie van onbevoegdheid, tevens (voorwaardelijke) conclusie van antwoord, met 5

producties;

* conclusie van antwoord in het bevoegdheidsincident, met 1 productie.

In het incident

De vordering

1.1 Bij incidentele conclusie concludeert P&O dat de rechtbank onbevoegd is van de vordering van HP kennis te nemen op grond van het in art. 1022, lid 1 Rv. bepaalde. P&O stelt daartoe het volgende.

1.2 De vordering van HP is gegrond op een overeenkomst tot vervoer van zaken over de weg. Terzake van dat vervoer is op 1 maart 2000 een vrachtbrief met nummer 2370546 opgemaakt. Die vrachtbrief bepaalt op de voorzijde: "Zie achterzijde voor scheidsgerecht" en op de achterzijde: "Alle geschillen die tussen in Nederland gevestigde partijen ontstaan met betrekking tot de onderhavige vervoersovereenkomst zullen, met toepassing van het CMR, worden beslecht overeenkomstig het Reglement van de Stichting Arbitrage voor Logistiek, gevestigd te 's-Gravenhage".

1.3 Derhalve zijn partijen arbitrage overeengekomen zoals bedoeld in art. 33 CMR en dient de rechtbank zich op grond van art. 1022, lid 1 Rv. onbevoegd te verklaren.

Het verweer

2.1 HP concludeert tot afwijzing van de incidentele vordering, met veroordeling van P&O in de kosten van het incident, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad. HP voert het navolgende aan.

2.2 HP betwist bij gebrek aan wetenschap dat op de achterzijde van de vrachtbrief een clausule staat als hierboven onder 1.2 aangehaald. In ieder geval luidt die clausule: "Alle geschillen die tussen in Nederland gevestigde partijen ontstaan met betrekking tot de onderhavige vervoersovereenkomst kunnen [onderstreping door rechtbank] met toepassing van het CMR, worden beslecht overeenkomstig het Reglement van de Stichting Arbitrage voor Logistiek, gevestigd te 's-Gravenhage", zodat geen exclusief arbitraal beding is overeengekomen.

2.3 Bovendien gaat art. 33 CMR uit van alternatieve bevoegdheid en niet van exclusieve van het daar bedoelde scheidsgerecht.

2.4 HP is niet in Nederland gevestigd, evenmin Compaq Computer International Corp., van welke HP (via haar rechtsvoorgangster) de vordering op P&O heeft verkregen. Bovendien is P&O Ferrymasters Ltd. niet in Nederland, maar in Noord Ierland gevestigd. Ook daarom geldt de clausule niet.

De beoordeling

3.1 Wil een partij ontvangen kunnen worden in haar beroep op onbevoegdheid van de gewone rechter wegens een overeenkomst tot arbitrage, dan dient zij zich "voor alle weren" op het bestaan van zodanige overeenkomst te beroepen (art. 1022, lid 1 Rv.). Voor zodanig beroep is voldoende, maar tevens noodzakelijk dat die partij de onbevoegdheid inroept in de eerste door haar ingediende conclusie (HR 29 april 1994; NJ 1994, 488).

In het onderhavige geval was de eerste door P&O ingediende conclusie haar incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring, ingediend op 13 augustus 2003, welke heeft geleid tot het vonnis van 15 oktober 2003. Het beroep op onbevoegdheid van de rechtbank is aldus niet gedaan in de eerste door P&O ingediende conclusie, maar pas later in de procedure.

3.2 Het is ambtshalve bekend dat P&O naar aanleiding van het vonnis van 15 oktober 2003 Carman Transport Ltd. in vrijwaring heeft gedagvaard voor deze rechtbank en dat de betreffende procedure aanhangig is onder kenmerk 52092 / HA ZA 03-2861. Indien het beroep op onbevoegdheid zou worden gehonoreerd dan zou die vrijwaringsprocedure zonder onderwerp geraken. Een dergelijke gang van zaken zou niet als een behoorlijke procesorde kunnen worden aangemerkt.

3.3 Om bovengenoemde redenen is P&O niet ontvankelijk in haar incidentele eis tot onbevoegdverklaring.

4.1 Blijkens productie 2 bij de incidentele conclusie luidt de tekst van het door P&O gestelde beding -zoals HP terecht aanvoert-: "Alle geschillen die tussen in Nederland gevestigde partijen ontstaan met betrekking tot de onderhavige vervoersovereenkomst kunnen [onderstreping door rechtbank] met toepassing van het CMR, worden beslecht overeenkomstig het Reglement van de Stichting Arbitrage voor Logistiek, gevestigd te 's-Gravenhage".

4.2 Indien zou komen vast te staan dat zodanig beding tussen de betreffende partijen is overeengekomen -hetgeen HP betwist-, kunnen partijen desgewenst hun geschil aan de genoemde Stichting ter beslechting voor leggen, maar staat het hen vrij dat aan de gewone rechter te doen. In zodanig geval is geen exclusief arbitraal beding overeengekomen. De toepasselijkheid van dat beding tussen partijen leidt niet -zonder meer- tot onbevoegdheid van de gewone rechter.

5.1 De incidentele eis zal daarom worden afgewezen.

5.2 P&O zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden verwezen. De betreffende beslissing zal, zoals door HP gevorderd, bij voorraad uitvoerbaar worden verklaard.

In de hoofdzaak

6. Met de beslissing over de incidentele eis is de voorwaarde voor indiening van de conclusie van antwoord vervuld.

7. Op de voet van het bepaalde in art. 131 Rv. zal een comparitie van partijen worden gelast.

8. Voor deze comparitie wordt een tijdsduur van 1,5 uur uitgetrokken.

9. Op de voet van het in art. 132, lid 2 Rv. bepaalde zal slechts gelegenheid worden geboden voor repliek en dupliek, indien zulks met het oog op art. 19 Rv. of met het oog op een goede instructie van de zaak naar het oordeel van de rechter noodzakelijk is.

10. HP wordt verzocht bescheiden in het geding te brengen waaruit blijkt dat zij gerechtigd is de onderhavige op vervoerovereenkomst met P&O gebaseerde vordering in te stellen.

11. Partijen dienen alle bescheiden waarop zij zich wensen te beroepen, voorzover niet reeds overgelegd, tenminste twee weken vóór de comparitiedatum bij de rechtbank in te dienen met kopie aan de wederpartij.

De beslissingen

De rechtbank:

In het incident tot onbevoegdverklaring:

Verklaart P&O niet-ontvankelijk in haar vorderingen;

Veroordeelt P&O in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van HP bepaald op € 499,- aan salaris van de procureur en nihil aan verschotten;

Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

In de hoofdzaak

Bepaalt dat partijen op dinsdag 30 november 2004 om 9.00 uur dienen te verschijnen voor mr. W.P. Sprenger in het gebouw van de rechtbank aan het Steegoversloot 36 te Dordrecht;

Verzoekt HP bescheiden in het geding te brengen waaruit blijkt dat zij gerechtigd is de onderhavige op vervoerovereenkomst met P&O gebaseerde vordering in te stellen;

Bepaalt dat partijen de bescheiden waarop zij zich wensen te beroepen, voorzover niet reeds overgelegd, tenminste twee weken vóór de comparitiedatum bij de rechtbank moeten indienen met kopie aan de wederpartij;

Houdt elke verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr W.P. Sprenger, rechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 13 oktober 2004.