Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2004:AR3418

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
06-10-2004
Datum publicatie
06-10-2004
Zaaknummer
54176 / HA ZA 04-2334
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Totstandkoming nadere overeenkomst; aanbod en aanvaarding:

Het aanbod is onvoldoende bepaald om te kunnen concluderen dat bij aanvaarding daarvan een (huur)overeenkomst tot stand zou zijn gekomen. Over essentiële onderdelen van een dergelijke overeenkomst wordt in het voorstel niet gerept. Betreft veeleer een voorstel om in onderhandeling te treden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

rolnummer : 54176 / HA ZA 04-2334

datum : 6 oktober 2004

RECHTBANK DORDRECHT

Sector Civiel Recht

Vonnis van de enkelvoudige kamer

in de zaak van

de vennootschap onder firma

[bedrijfsnaam eiser] v.o.f.,

gevestigd te Echteld,

eiseres,

procureur: mr. V.J. Groot,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[bedrijfsnaam gedaagde] B.V.,

gevestigd te Sliedrecht,

gedaagde,

procureur: mr. B.A. Fijma.

Partijen worden hieronder aangeduid als [eiser] en [gedaagde].

Het procesverloop

1. De rechtbank heeft kennis genomen van de volgende processtukken:

* vonnis in het incident van rechtbank Arnhem d.d. 11 februari 2004 en de daarin genoemde stukken,

* oproepingsexploot d.d. 28 april 2004,

* tussenvonnis van 21 juli 2004,

* proces-verbaal van comparitie van 19 augustus 2004 en de daarin genoemde stukken,

* de door partijen overgelegde producties.

Bij voornoemd vonnis van rechtbank Arnhem heeft rechtbank Arnhem zich onbevoegd heeft verklaard om van het geschil kennis te nemen en de zaak verwezen naar rechtbank Dordrecht.

De vaststaande feiten

2. Als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, alsmede op grond van de producties, voor zover niet betwist, staat het volgende tussen partijen vast.

3. In mei 2003 heeft [gedaagde] aan [eiser] mondeling opdracht gegeven tot het bouwen van een prototype voor een taludmaaier. [eiser] heeft deze opdracht aanvaard en het prototype op 13 mei 2003 in bedrijf laten nemen.

4. Op 11 juni 2003 heeft [eiser] voor de door haar verrichte werkzaamheden in het kader van de uitvoering van deze overeenkomst aan [gedaagde] een factuur ad € 11.541,26, inclusief BTW (productie 1 bij dagvaarding) gezonden. Deze factuur is onbetaald gebleven.

5. Een brief d.d. 14 juli 2003 van [eiser] aan [gedaagde] luidt - voor zover van belang - als volgt (productie 3 bij dagvaarding):

"(...)

Aldus stel ik u nu voor de volgende keuze. Of u gaat binnen vijf dagen na heden over tot betaling van de door ons verzonden factuur d.d. 11 juni jl. of u stelt ons in de gelegenheid om de machine alsnog bij u op te komen halen en dan betaalt u slechts een huursom voor het gebruik van de machine.

(...)"

6. Een brief d.d. 17 juli 2003 van [gedaagde] aan [eiser] luidt - voor zover van belang - als volgt (productie 4 bij dagvaarding):

"(...)

5. Wij zijn niet voornemens om op basis van de door u opgestelde factuur de machine te betalen. Er blijft dan over om de machine uiteindelijk terug te geven en de huursom te voldoen. Graag ontvangen wij van u een voorstel hierover m.b.t. de huurprijs en het moment van inleveren. Zoals u wellicht zult begrijpen vergt het voor ons enige tijd om in de planning een aanpassing te maken zodat wij de machine uiterlijk 4 weken na dagtekening beschikbaar kunnen stellen;

6. Zodra er overeenstemming bestaat over de huurprijs zijn wij bereid de reeds verschuldigde bedragen, onder inhouding van de door ons gemaakte kosten m.b.t. reparatie en vervanging van onderdelen, zo spoedig aan u over te maken.

(...)"

De vordering

7. [eiser] vordert dat [gedaagde] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, zal worden veroordeeld om aan [eiser] te voldoen een bedrag ad € 11.541,26, te vermeerderen met buitengerechtelijke incassokosten en administratiekosten en vermeerderd met de geconvenieerde althans de wettelijke rente, primair vanaf 25 juni 2003 en subsidiair vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag der voldoening, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van het geding. Zij stelt daartoe het volgende.

8. [gedaagde] was gehouden de factuur terzake de levering van het prototype voor een taludmaaier binnen veertien dagen te voldoen. [gedaagde] heeft dat, ondanks sommatie, nagelaten. Op de overeenkomst zijn de algemene voorwaarden van [eiser] van toepassing. Ingevolge deze voorwaarden is [gedaagde] 10% rente verschuldigd vanaf 25 juni 2003 (de dag van sommatie). Tevens is [gedaagde] ingevolge de algemene voorwaarden 15% buitengerechtelijke kosten en 10% administratiekosten verschuldigd.

Het verweer

9. De conclusie van [gedaagde] strekt tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van [eiser] in de kosten van het geding. Zij voert als verweer het volgende aan.

10. Partijen hebben een nadere overeenkomst gesloten. [eiser] heeft voorgesteld om de machine bij [gedaagde] op te halen in welk geval [gedaagde] een huursom voor het gebruik van de machine zou betalen. [gedaagde] heeft dit voorstel aanvaard. [eiser] is gehouden aan deze overeenkomst, na opgave van de huursom en het moment van inleveren, uitvoering te geven en het stond [eiser] niet meer vrij om op dit reeds geaccepteerde voorstel terug te komen.

11. Op de overeenkomst tussen partijen zijn geen algemene voorwaarden van toepassing.

De beoordeling van het geschil

12. Het geschil tussen partijen spitst zich toe op de vraag of tussen hen een nadere overeenkomst tot stand is gekomen. Het antwoord op deze vraag is afhankelijk van hetgeen partijen over en weer hebben verklaard en uit elkaars gedragingen hebben afgeleid en in de gegeven omstandigheden redelijkerwijze mochten afleiden.

13. Een overeenkomst komt tot stand door een aanbod en de aanvaarding daarvan. Van een aanbod kan worden gesproken indien er sprake is van een voorstel tot het sluiten van een overeenkomst, dit voorstel voldoende bepaald is en daaruit ook blijkt van de wil van de aanbieder om in geval van aanvaarding gebonden te zijn. Anders dan [gedaagde] heeft betoogd, is van een dergelijk aanbod in de brief d.d. 14 juli 2003 van [eiser] aan [gedaagde] (r.o. 5) geen sprake.

14. In voormelde brief geeft [eiser] aan [gedaagde] een keuzemogelijkheid om hetzij de openstaande factuur te voldoen hetzij [eiser] de gelegenheid te geven de machine weer op te komen halen en in dat geval slechts een huursom voor het gebruik van de machine te betalen. De eerstgenoemde keuze betreft niets anders dan uitvoering door [gedaagde] van de reeds tussen partijen gesloten overeenkomst en bevat dan ook geen (nieuw) aanbod. De tweedegenoemde keuze betreft een voorstel dat onvoldoende bepaald is om te kunnen concluderen dat bij aanvaarding daarvan een (huur)overeenkomst tot stand zou zijn gekomen. Over essentiële onderdelen van een dergelijke overeenkomst, zoals de termijn waarbinnen de machine ter beschikking van [eiser] moest worden gesteld en de hoogte van de huursom, wordt in het voorstel immers niet gerept.

15. De stelling van [gedaagde] dat door haar brief van 17 juli 2003 (r.o. 6) het voorstel is aanvaard en daardoor een overeenkomst tot stand is gekomen, verdraagt zich niet met de inhoud van deze brief - waarin [gedaagde] aan [eiser] juist vraagt om een nader voorstel te doen en met zoveel woorden aangeeft dat nog overeenstemming moet worden bereikt over de huurprijs - en evenmin met het verhandelde ter comparitie waarbij [gedaagde] heeft aangegeven dat zij naar aanleiding van de brief van 14 juli 2003 aan [eiser] heeft gevraagd om een concreet aanbod te doen.

16. Het voorstel van [eiser] moet dan ook veeleer worden aangemerkt als een voorstel aan [gedaagde] om uit de ontstane impasse omtrent betaling van de factuur te geraken en om daartoe met elkaar in onderhandeling te treden. Uit de verklaringen en gedragingen van partijen over en weer kan niet worden afgeleid dat tussen partijen een nadere overeenkomst tot stand is gekomen.

17. Nu uit het voorgaande volgt dat tussen partijen geen nadere overeenkomst tot stand is gekomen, kunnen de (overige) verweren van [gedaagde] die zijn gebaseerd op het onjuiste uitgangspunt dat daarvan wel sprake is, verder onbesproken blijven.

18. [gedaagde] heeft ter comparitie uitdrukkelijk aangegeven de opdracht tot het bouwen van de machine en de hoogte van de door [eiser] daarvoor verzonden factuur niet te betwisten. Daarmee staat vast dat [gedaagde] gehouden is om het op deze factuur vermelde bedrag aan [eiser] te voldoen. Het enkele feit dat op deze factuur enkele clausules waren opgenomen met de inhoud waarvan [gedaagde] het niet eens is, zoals ter comparitie door [gedaagde] is aangevoerd, doet aan deze betalingsverplichting van [gedaagde] niet af.

19. Rechtbank Arnhem heeft in haar voornoemde vonnis reeds geoordeeld dat op de overeenkomst tussen partijen geen algemene voorwaarden van [eiser] van toepassing zijn. [eiser] heeft de door haar gestelde maar door [gedaagde] betwiste toepasselijkheid van de algemene voorwaarden ter gelegenheid van de comparitie niet nader gemotiveerd maar zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De rechtbank kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank Arnhem dienaangaande en sluit zich daarbij aan. Dat betekent dat [eiser] geen aanspraak kan maken op contractuele rente. Wel zal haar vordering tot vergoeding van de wettelijke rente over de hoofdsom vanaf 25 juni 2003 - welke ingangsdatum door [gedaagde] niet is betwist - worden toegewezen.

20. Voor toewijzing van de door [eiser] op basis van haar algemene voorwaarden gevorderde buitengerechtelijke kosten en administratiekosten is, gelet op het voorgaande, evenmin plaats. Overigens is ook niet gebleken dat de aan de zijde van [eiser] aan dit geding voorafgaande gedane verrichtingen meer omvatten dan de verrichtingen waarvoor de in de artikelen 237 tot en met 240 Rv bedoelde kosten een vergoeding plegen in te sluiten. Deze vordering zal daarom worden afgewezen.

21. Als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij zal [gedaagde] worden veroordeeld in de proceskosten.

De beslissing

De rechtbank:

veroordeelt [gedaagde] om tegen kwijting aan [eiser] te betalen een bedrag van

€ 11.541,26, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 25 juni 2003 tot de voldoening;

veroordeelt [gedaagde] in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van [eiser] bepaald op € 780,-- aan salaris van de procureur en € 290,40 aan verschotten, waarvan € 220,-- aan griffierecht;

verklaart het vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.J.P. Lock en uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 6 oktober 2004.