Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2004:AP1886

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
28-04-2004
Datum publicatie
18-06-2004
Zaaknummer
49959 HA ZA 03-2467
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Een commanditaire vennootschap heeft van een gedaagde een geldvordering. Gedaagde heeft een stichting opgericht om zo de geldvordering te niet te doen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

sector civiel recht

Vonnis van de enkelvoudige kamer

in de zaak van

de commanditaire vennootschap

(eiseres),

gevestigd te (plaats),

eiseres,

procureur: mr. J.A. Visser,

tegen

de stichting

(gedaagde),

gevestigd te (woonplaats),

gedaagde,

procureur: mr. B.G. van Twist.

Eiseres wordt hieronder aangeduid als “eiseres”, gedaagde als “gedaagde”.

Het procesverloop

1. De rechtbank heeft kennis genomen van de volgende processtukken:

? stukken betreffende een op 3 juli 2003 gelegd conservatoir beslag op een onroerende zaak;

? dagvaarding van 7 juli 2003;

? akte zijdens eiseres van 16 juli 2003, met 17 producties;

? conclusie van antwoord;

? vonnis van deze rechtbank van 10 september 2003;

? proces-verbaal van comparitie van partijen van 21 oktober 2003, alsmede de daarin als van de processtukken deeluitmakende genoemde stukken;

? proces-verbaal van comparitie van partijen van 4 november 2003, alsmede de daarin als van de processtukken deeluitmakende genoemde stukken;

? proces-verbaal van comparitie van partijen van 16 december 2003;

? akte na comparitie zijdens eiseres, met 9 producties;

? akte na comparitie zijdens de gedaagde.

De vaststaande feiten

2. De navolgende feiten, zakelijk en verkort weergegeven, worden als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, danwel niet of niet voldoende gemotiveerd betwist, alsmede op grond van de producties, voor zover niet betwist, als vaststaand aangemerkt.

3. Gedaagde is bij vonnis van de voorzieningenrechter in de Rechtbank Amsterdam van 7 maart 2002 uit hoofde van een overeenkomst van personenvervoer veroordeeld om aan eiseres te betalen het bedrag van € 46.988,75, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover te berekenen met ingang van 14 januari 2002 tot aan de dag van betaling, het bedrag van € 1.542,- en proceskosten.

4. Na het vonnis van 7 maart 2002, maar vóór het uitbrengen van de dagvaarding in deze zaak (de datum van betaling blijkt niet uit de stukken) heeft gedagde € 13.000,- op zijn onder 3. genoemde schuld betaald.

5. Bij notariële akte van 28 juni 2002 is de Stichting door gedaagde opgericht.

6. Sedert de oprichting van de Stichting zijn gedaagde en zijn echtgenote de enige bestuurders van de Stichting.

7. De Stichting heeft op 28 juni 2002 een onroerende zaak (woonhuis) geleverd gekregen. De Stichting heeft op die dag een hypotheek op die onroerende zaak gevestigd tot zekerheid voor de betaling van al hetgeen de hypotheeknemer nu of te eniger tijd van de Stichting, van gedaagde en van diens echtgenote als schuldenaren te vorderen mocht hebben.

De vorderingen

8. De vorderingen van eiseres worden als volgt gelezen. Eiseres vordert dat de rechtbank de Stichting bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, zal veroordelen om aan eiseres te betalen het bedrag van € 46.988,75 te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen vanaf 14 februari 2002 tot aan de dag van algehele betaling, alsmede € 1.542,-, alsmede

€ 1.645,72, alsmede € 62,73, alsmede € 172,44, alsmede € 940, 79, alsmede € 136,60, alsmede 55,18, onder aftrek van € 13.000,-, met veroordeling van Stichting in de kosten van het geding.

9. Eiseres verwijst daartoe naar de vaststaande feiten en stelt -zakelijk weergegeven en voor zover in dezen van belang- het volgende.

10. Gedaagde weigert aan het vonnis van 7 maart 2002 te voldoen. Gedaagde frustreert verhaal van de vordering op hemzelf. Tenuitvoerlegging van het vonnis van 7 maart 2002 ten laste van gedaagde onder ABN AMRO Bank N.V. heeft € 13.000,- opgeleverd; een verhaalsactie ten laste van gedaagde onder de Stichting heeft niets opgeleverd. Gedaagde laat een spoor van onbetaalde vorderingen bij diverse schuldeisers achter zich.

11. De Stichting is door gedaagde opgericht op de dag waarop op naam van de Stichting een woonhuis werd geleverd. Gedaagde is in dat woonhuis gaan wonen, zoals blijkt uit inschrijving in De Telefoongids van een telefoonaansluiting op naam van gedaagde op het adres van dat woonhuis. De terzake van de financiering van de aankoop van die woning opgemaakte hypotheekakte vermeldt gedaagde en diens echtgenote als schuldenaren naast de Stichting. Gedaagde verricht zijn bestuurstaak bij de Stichting om niet. De oprichting van de Stichting is een schijnhandeling. De Stichting dient met gedaagde vereenzelvigd te worden. Derhalve dient de Stichting als schuldenaar van eiseres te worden aangemerkt.

12. De Stichting handelt onrechtmatig jegens eiseres door met gedaagde mee te werken aan een constructie die uitsluitend tot doel heeft de mogelijkheden van verhaal van schulden van gedaagde aan eiseres en andere crediteuren te onttrekken. De wetenschap van benadeling van de bestuurder gedaagde dient aan de Stichting te worden toegerekend.

13. De vordering is opgebouwd uit de hoofdsom van € 46.988,75, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen vanaf 14 februari 2002, alsmede (buiten)gerechtelijke kosten betreffende de procedure voor de voorzieningenrechter in de Rechtbank Amsterdam, alsmede kosten betreffende (pogingen tot) tenuitvoerlegging van het vonnis van 7 maart 2002. Daarop dient het door gedaagde middels tenuitvoerlegging van het vonnis van 7 maart 2002 onder ABN AMRO Bank N.V. betaalde bedrag van € 13.000,- in mindering te worden gebracht.

Het verweer

14. De conclusie van de Stichting strekt tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van eiseres in de kosten van het geding, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad. De Stichting voert -zakelijk weergegeven en voor zover in dezen van belang- het volgende aan.

15. De Stichting heeft geen schuld aan eiseres.

16. De Stichting kan niet met gedaagde vereenzelvigd worden. De Stichting is geen rechtsopvolger van gedaagde. Gedaagde woont in Berlijn, Duitsland, niet in het de Stichting in eigendom toebehorende woonhuis. Met dat woonhuis heeft gedaagde niets van doen.

17. De Stichting heeft niet onrechtmatig gehandeld jegens eiseres. De Stichting heeft niet met gedaagde meegewerkt aan een constructie die tot doel heeft de mogelijkheden van verhaal van schulden van gedaagde aan eiseres en andere crediteuren te onttrekken.

18. Eiseres heeft geen schade heeft geleden. Als schade komt hooguit de door eiseres misgelopen winst voor vergoeding in aanmerking. Voorts betwist de Stichting de omvang van de vordering van eiseres. De buitengerechtelijke kosten en de proceskosten waarvan eiseres vergoeding vordert betreffen haar vordering op gedaagde, niet die op de Stichting; de Stichting betwist tevens de redelijkheid en de omvang van die kosten.

19. Voorzover de Stichting jegens eiseres aansprakelijk is uit onrechtmatige daad, geldt dat eiseres de schade wegens het niet geheel kunnen incasseren van haar vordering op gedaagde aan zichzelf te wijten heeft in de zin van art. 6: 101 BW door aan gedaagde krediet toe te staan zonder zekerheid voor betaling te bedingen.

De beoordeling

20. Uitgangspunt is dat de Stichting als rechtspersoon een zelfstandige identiteit heeft, een zelfstandige drager is van rechten en verplichtingen. Derhalve is de Stichting in beginsel niet aansprakelijk voor de schuld van gedaagde aan eiseres.

Slechts onder bijzondere omstandigheden kan wegens misbruik van rechtspersoonlijkheid aanleiding bestaan om het identiteitsverschil tussen een rechtspersoon -hier: de Stichting- en een ander -hier: gedaagde - in rechte niet te honoreren.

21. In het onderhavige geval kan worden uitgegaan van de navolgende genoegzaam gebleken feiten en omstandigheden:

(a) Gedaagde heeft de Stichting opgericht nadat gedaagde bij het vonnis van 7 maart 2002 was veroordeeld tot betaling aan eiseres, aan welke veroordeling gedaagde niet voldoet;

(b) De Stichting draagt de naam van gedaagde in haar naam;

(c) de Stichting heeft als doel: “het beheer en eventuele exploitatie van registergoederen” en al wat daarmee verband houdt;

(d) gedaagde en zijn echtgenote zijn de enige bestuurders van de Stichting;

(e) de Stichting heeft op de dag van haar oprichting krachtens een koopovereenkomst een woonhuis geleverd gekregen;

(f) de Stichting heeft op de dag van haar oprichting een als bankhypotheek geformuleerde hypotheek op die onroerende zaak gevestigd tot zekerheid voor de betaling van al hetgeen de hypotheeknemer nu of te eniger tijd van de Stichting zelf en van gedaagde en diens echtgenote als schuldenaren te vorderen mocht hebben (zie productie 17 zijdens eiseres);

(g) (tot) in februari 2003 heeft in De Telefoongids op naam van gedaagde een telefoonaansluiting gestaan op het adres van het onder (e) bedoelde woonhuis.

22. Het onder 21. onder (c) genoemde doel is voor een stichting niet gebruikelijk.

De onder 21. onder (e) genoemde omstandigheid roept op zichzelf vragen op. Immers, aan de verwerving van een onroerende zaak krachtens een koopovereenkomst gaat meestal een onderhands koopcontract vooraf. In de als productie 14 door eiseres in het geding gebrachte akte van levering wordt gesteld “Verkoper heeft blijkens een met [de Stichting] op [25] februari [2002] aangegane koopovereenkomst aan [de Stichting] verkocht en levert op grond daarvan aan [de Stichting], die blijkens voormelde overeenkomst van verkoper heeft gekocht en bij deze aanvaardt”. Gegeven de oprichtingsdatum van de Stichting roept ook deze passage vragen op.

Ook de onder 21. onder (f) en (g) genoemde omstandigheden roepen vragen op.

23. Naar aanleiding van de onder 21. onder (c), (e), (f) en (g) genoemde feiten en omstandigheden is ter comparitie van 4 november 2003 aangedaagde, aanwezig als bestuurder van de Stichting, om inlichtingen gevraagd.

Ten aanzien van het onder 21. onder (c) genoemde feit heeft de Stichting ter comparitie bij monde van gedaagde verklaard dat het statutaire doel van de Stichting inmiddels is gewijzigd. Eiseres heeft bij akte na comparitie als productie 18 “Afschriften deponeringsgegevens” van het handelsregister d.d. 6 januari 2004 overgelegd, waaruit blijkt dat de Stichting geen statutenwijziging heeft gedeponeerd. De Stichting heeft geen akte van statutenwijziging, evenmin enig ander bewijs van die statutenwijziging in het geding gebracht. Daarmee is de geloofwaardigheid van de mededeling van de Stichting ter comparitie dat de doelomschrijving is gewijzigd aangetast.

Ten aanzien van de onder 21. onder (f) genoemde omstandigheid luidt blijkens het proces-verbaal van die comparitie het antwoord vangedaagde: “Hij kan niet verklaren waarom in de betreffende hypotheekakte [..] hijzelf en zijn echtgenote staan vermeld als medeschuldenaren van de [hypotheeknemer], naast de Stichting.” Dat antwoord is niet bevredigend.

Bij die comparitie heeft de Stichting toegezegd onder meer aangaande de onder 21. onder (e) en (f) genoemde omstandigheden nadere stukken in het geding te brengen. De Stichting heeft zodanige stukken niet in het geding gebracht.

Bij die comparitie heeft gedaagde over de onder 21. onder (g) genoemde omstandigheid onder meer opgemerkt: “Mogelijk is die vermelding opgenomen doordat, toen hij uit Herwijnen, waar hij een aansluiting had, verhuisde, hij die aansluiting aan zijn zoon heeft overgedragen, waarna naar het adres te woonplaats is verhuisd”. Die mogelijkheid heeft de Stichting niet nader gesubstantieerd, evenmin dienaangaande bewijsstukken in het geding gebracht.

24. Het onder 23. overwogen niet c.q. niet-overtuigend c.q. onbevredigend reageren door de Stichting ten aanzien van de onder 21. onder (c), (e), (f) en (g) genoemde feiten en omstandigheden, terwijl het op de weg van de Stichting lag om de naar aanleiding daarvan gerezen vragen afdoende (onder overlegging van bescheiden) te beantwoorden, rechtvaardigt de gevolgtrekking dat de Stichting, zoals eiseres stelt, door gedaagde is opgericht en/of is c.q. wordt gebruikt met het doel het verhaal door eiseres (en andere schuldeisers) ten laste van gedaagde te frustreren, behoudens door de Stichting te leveren tegenbewijs. Levert de Stichting zodanig tegenbewijs niet, dan zal het bedoelde misbruik maken door gedaagde van het identiteitsverschil tussen de Stichting en zichzelf aan de Stichting worden toegerekend omdat gedaagde daarbij handelt (mede) in zijn hoedanigheid van bestuurder van de Stichting. De Stichting zal worden toegelaten dat tegenbewijs te leveren.

25. Hangende die bewijslevering wordt elke nadere beslissing aangehouden.

De beslissing

De rechtbank:

Laat de Stichting toe, desgewenst door middel van getuigen, tegenbewijs te leveren van feiten en/of omstandigheden waaruit blijkt dat de Stichting noch is opgericht, noch is, noch wordt gebruikt met het doel verhaal door eiseres (en/of andere schuldeisers) ten laste van gedaagde te frustreren;

Bepaalt dat het eventuele getuigenverhoor zal worden gehouden voor mr. W.P. Sprenger, die daartoe zal overgaan op een in overleg met de procureurs van partijen te bepalen datum en tijdstip in het gebouw van de rechtbank aan het Steegoversloot 36 te Dordrecht.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.P. Sprenger, rechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank van woensdag 28 april 2004.