Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2004:AO9529

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
12-05-2004
Datum publicatie
14-05-2004
Zaaknummer
53722 FT-RK 04-5168
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek schuldsaneringsregeling. De rechtbank dient allereerst haar bevoegdheid ten aanzien van het verzoek te onderzoeken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rekestnummer: 53722 FT RK 04-5168

Datum uitspraak: 12 mei 2004

RECHTBANK DORDRECHT

-vonnis afwijzing schuldsaneringsregeling-

Vonnis van de rechtbank Dordrecht, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken.

Op 12 maart 2004 is ter griffie binnengekomen een verzoekschrift met bijlagen van

[schuldenaar],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats] (België),

strekkende tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.

Bij brief van 29 maart is ter griffie binnengekomen een toelichting van de advocaat van [schuldenaar] op de rechtsmacht van de rechtbank Dordrecht in het licht van artikel 3 lid 1 van de Insolventieverordening (Verordening (EG). nr. 1346/2000).

Het verzoekschrift is behandeld ter terechtzitting van 12 mei 2004. Daarbij is verzoeker gehoord.

De rechtbank dient allereerst haar bevoegdheid ten aanzien van het verzoek te onderzoeken. Deze wordt bepaald door art. 3 van de Insolventieverordening waarin is vastgelegd dat bevoegd is de rechter van de lidstaat waar het centrum van de voornaamste belangen van de schuldenaar is gelegen. Daaronder moet worden verstaan de plaats waar de schuldenaar gewoonlijk het beheer over zijn belangen voert en die als zodanig voor derden herkenbaar is. Hoewel [schuldenaar] in oktober 1999 naar België is geëmigreerd, betoogt hij dat het centrum van zijn voornaamste belangen in Nederland, en wel in het arrondissement Dordrecht is gelegen. De rechtbank acht dat standpunt juist. [schuldenaar] is immers lange tijd alhier actief geweest als vennootschapsdirecteur, zijn schulden houden vrijwel alle verband met de faillissementen van zijn vennootschappen, en zijn schuldeisers zijn in Nederland gevestigd. De rechtbank acht zich daarom bevoegd om van het verzoek kennis te nemen.

Het verzoek voldoet aan de formele vereisten. Weliswaar ontbreekt de in art. 285 lid 1 sub e. Faillissementswet bedoelde verklaring, maar [schuldenaar] kan een dergelijke verklaring niet verkrijgen nu hij in België woonachtig is, en met de overgelegde stukken is in dat manco afdoende voorzien.

Vervolgens dient te worden bezien of er afwijzingsgronden zijn. In dat kader is van belang of aannemelijk is dat de schuldenaar ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van schulden niet te goeder trouw is geweest. De rechtbank is ambtshalve bekend met haar vonnis van 1 mei 2002 (rolno. 40910 HAZA 01-2732) tussen mr. P.J.A. Høvig in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van Golfresort Bleijenbeek B.V. als eiser en [schuldenaar] als gedaagde, waarin [schuldenaar] als bestuurder op grond van onbehoorlijk bestuur aansprakelijk is geacht voor het tekort in het faillissement, en met het arrest van het Gerechtshof te 's Gravenhage van 20 april 2004 (rolno. 02/01018), waarin dat vonnis is bekrachtigd. De rechtbank leidt daaruit af dat [schuldenaar] in ieder geval met betrekking tot het tekort in dat faillissement een verwijt treft, wat meebrengt dat hij ten aanzien van het ontstaan van de desbetreffende schuld niet te goeder trouw is geweest. Weliswaar is het arrest nog niet in kracht van gewijsde, maar dat in twee instanties aldus is beslist acht de rechtbank wel een relevante omstandigheid waarop bij de beoordeling van het onderhavige verzoek acht moet worden geslagen. Van de kant van [schuldenaar] is gesteld dat het bedrag waarom het in die zaak ging (omstreeks 80.000 plus verdere tekorten) bij de totale schuldenlast [schuldenaar] (omstreeks   7 miljoen) in het niet valt, zodat eventuele kwade trouw ten aanzien daarvan niet zou moeten leiden tot afwijzing van het verzoek tot schuldsanering. Dat betoog gaat niet op. Het ontbreken van goede trouw ten aanzien van het ontstaan van een deel van de schulden kan evenzeer tot afwijzing leiden. In dit verband is voorts van belang dat in het vijfde openbare faillissementsverslag in het faillissement van [naam bedrijf] B.V. is vermeld dat de bestuurder aansprakelijk is gesteld wegens kennelijk onbehoorlijk bestuur dat een belangrijke oorzaak van het faillissement is. Nu op grond van al het bovenstaande aannemelijk is dat [schuldenaar] ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van schulden niet te goeder trouw is geweest, zal het verzoek worden afgewezen.

Ten overvloede zij nog toegevoegd dat de wettelijke schuldsaneringsregeling niet bedoeld is voor personen zoals [schuldenaar]. Die regeling is blijkens de toelichting bedoeld voor het toenemend aantal huishoudens dat tot in lengte van jaren worden achtervolgd door een uitzichtloze schuldenlast. Weliswaar is in de parlementaire geschiedenis van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen na uitvoerige discussie niet gekozen voor uitsluiting uit de regeling van ondernemers of van zakelijke schulden, of voor limitering van de omvang van de schuldenlast, maar desalniettemin moet worden aangenomen dat de regeling met name het oog heeft op de sociaal zwakkeren in de samenleving, en niet is bedoeld voor iemand als [schuldenaar], die door middel van zijn vennootschappen grote zaken heeft gedaan, en die op grond van (onder meer) fiscale motieven (van zijn echtgenote) in België een kostbaar huis bewoont (van zijn zoons).

Beslissing

De rechtbank:

wijst het verzoek af.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.M. Croes en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 mei 2004 in tegenwoordigheid van de griffier1.

1 De schuldenaar heeft gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak het recht van hoger beroep. Het recht van hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat/procureur worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van de zaak kennis moet nemen.