Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2004:AO8586

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
28-04-2004
Datum publicatie
29-04-2004
Zaaknummer
49959 / HA ZA 03-2467
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser heeft veroordelend vonnis ten laste van X verkregen. Eiser vindt ten dele verhaal. Eiser dagvaardt door X opgerichte stichting, waarvan X en zijn echtgenote de bestuurders vormen, en vordert betaling van het saldo van de stichting. Eiser stelt dat X en de stichting vereenzelvigd kunnen worden, althans dat de stichting (middels haar bestuurder X) onrechtmatig handelt jegens eiser.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2004, 476
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Zaak- en rolnummer: 49959 / HA ZA 03-2467

Datum uitspraak: 28 april 2004

RECHTBANK DORDRECHT

sector civiel recht

Vonnis van de enkelvoudige kamer

in de zaak van

de commanditaire vennootschap

TRANSAVIA AIRLINES C.V.,

gevestigd te Luchthaven Schiphol,

eiseres,

procureur: mr. J.A. Visser,

tegen

de stichting

STICHTING FAMILIE [naam gedaagde],

gevestigd te Sliedrecht,

gedaagde,

procureur: mr. B.G. van Twist.

Eiseres wordt hieronder aangeduid als "Transavia", gedaagde als "de Stichting".

Het procesverloop

1. De rechtbank heeft kennis genomen van de volgende processtukken:

* stukken betreffende een op 3 juli 2003 gelegd conservatoir beslag op een onroerende zaak;

* dagvaarding van 7 juli 2003;

* akte zijdens Transavia van 16 juli 2003, met 17 producties;

* conclusie van antwoord;

* vonnis van deze rechtbank van 10 september 2003;

* proces-verbaal van comparitie van partijen van 21 oktober 2003, alsmede de daarin als van de processtukken deeluitmakende genoemde stukken;

* proces-verbaal van comparitie van partijen van 4 november 2003, alsmede de daarin als van de processtukken deeluitmakende genoemde stukken;

* proces-verbaal van comparitie van partijen van 16 december 2003;

* akte na comparitie zijdens Transavia, met 9 producties;

* akte na comparitie zijdens de Stichting.

De vaststaande feiten

2. De navolgende feiten, zakelijk en verkort weergegeven, worden als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, danwel niet of niet voldoende gemotiveerd betwist, alsmede op grond van de producties, voor zover niet betwist, als vaststaand aangemerkt.

3. [bestuurder gedaagde] (hierna: "[bestuurder]") is bij vonnis van de voorzieningenrechter in de Rechtbank Amsterdam van 7 maart 2002 uit hoofde van een overeenkomst van personenvervoer veroordeeld om aan Transavia te betalen het bedrag van   46.988,75, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover te berekenen met ingang van 14 januari 2002 tot aan de dag van betaling, het bedrag van  1.542,- en proceskosten.

4. Na het vonnis van 7 maart 2002, maar vóór het uitbrengen van de dagvaarding in deze zaak (de datum van betaling blijkt niet uit de stukken) heeft [bestuurder]   13.000,- op zijn onder 3. genoemde schuld betaald.

5. Bij notariële akte van 28 juni 2002 is de Stichting door [bestuurder] opgericht.

6. Sedert de oprichting van de Stichting zijn [bestuurder] en zijn echtgenote [echtgenote bestuurder] de enige bestuurders van de Stichting.

7. De Stichting heeft op 28 juni 2002 een onroerende zaak (woonhuis) geleverd gekregen. De Stichting heeft op die dag een hypotheek op die onroerende zaak gevestigd tot zekerheid voor de betaling van al hetgeen de hypotheeknemer nu of te eniger tijd van de Stichting, van [bestuurder] en van diens echtgenote als schuldenaren te vorderen mocht hebben.

De vorderingen

1. De vorderingen van Transavia worden als volgt gelezen. Transavia vordert dat de rechtbank de Stichting bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, zal veroordelen om aan Transavia te betalen het bedrag van   46.988,75 te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen vanaf 14 februari 2002 tot aan de dag van algehele betaling, alsmede

  1.542,-, alsmede   1.645,72, alsmede   62,73, alsmede   172,44, alsmede   940, 79, alsmede   136,60, alsmede   55,18, onder aftrek van   13.000,-, met veroordeling van Stichting in de kosten van het geding.

9. Transavia verwijst daartoe naar de vaststaande feiten en stelt -zakelijk weergegeven en voor zover in dezen van belang- het volgende.

1. [bestuurder] weigert aan het vonnis van 7 maart 2002 te voldoen. [bestuurder] frustreert verhaal van de vordering op hemzelf. Tenuitvoerlegging van het vonnis van 7 maart 2002 ten laste van [bestuurder] onder ABN AMRO Bank N.V. heeft

  13.000,- opgeleverd; een verhaalsactie ten laste van [bestuurder] onder de Stichting heeft niets opgeleverd. [bestuurder] laat een spoor van onbetaalde vorderingen bij diverse schuldeisers achter zich.

11. De Stichting is door [bestuurder] opgericht op de dag waarop op naam van de Stichting een woonhuis werd geleverd. [bestuurder] is in dat woonhuis gaan wonen, zoals blijkt uit inschrijving in De Telefoongids van een telefoonaansluiting op naam van [bestuurder] op het adres van dat woonhuis. De terzake van de financiering van de aankoop van die woning opgemaakte hypotheekakte vermeldt [bestuurder en echtgenote bestuurder] als schuldenaren naast de Stichting. [bestuurder] verricht zijn bestuurstaak bij de Stichting om niet. De oprichting van de Stichting is een schijnhandeling. De Stichting dient met [bestuurder] vereenzelvigd te worden. Derhalve dient de Stichting als schuldenaar van Transavia te worden aangemerkt.

12. De Stichting handelt onrechtmatig jegens Transavia door met [bestuurder] mee te werken aan een constructie die uitsluitend tot doel heeft de mogelijkheden van verhaal van schulden van [bestuurder] aan Transavia en andere crediteuren te onttrekken. De wetenschap van benadeling van de bestuurder [bestuurder] dient aan de Stichting te worden toegerekend.

13. De vordering is opgebouwd uit de hoofdsom van   46.988,75, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen vanaf 14 februari 2002, alsmede (buiten)gerechtelijke kosten betreffende de procedure voor de voorzieningenrechter in de Rechtbank Amsterdam, alsmede kosten betreffende (pogingen tot) tenuitvoerlegging van het vonnis van 7 maart 2002.

Daarop dient het door [bestuurder] middels tenuitvoerlegging van het vonnis van 7 maart 2002 onder ABN AMRO Bank N.V. betaalde bedrag van   13.000,- in mindering te worden gebracht.

Het verweer

14. De conclusie van de Stichting strekt tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van Transavia in de kosten van het geding, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad. De Stichting voert -zakelijk weergegeven en voor zover in dezen van belang- het volgende aan.

15. De Stichting heeft geen schuld aan Transavia.

16. De Stichting kan niet met [bestuurder] vereenzelvigd worden. De Stichting is geen rechtsopvolger van [bestuurder]. [bestuurder] woont in Berlijn, Duitsland, niet in het de Stichting in eigendom toebehorende woonhuis. Met dat woonhuis heeft [bestuurder] niets van doen.

17. De Stichting heeft niet onrechtmatig gehandeld jegens Transavia. De Stichting heeft niet met [bestuurder] meegewerkt aan een constructie die tot doel heeft de mogelijkheden van verhaal van schulden van [bestuurder] aan Transavia en andere crediteuren te onttrekken.

18. Transavia heeft geen schade geleden. Als schade komt hooguit de door Transavia misgelopen winst voor vergoeding in aanmerking. Voorts betwist de Stichting de omvang van de vordering van Transavia. De buitengerechtelijke kosten en de proceskosten waarvan Transavia vergoeding vordert betreffen haar vordering op [bestuurder], niet die op de Stichting; de Stichting betwist tevens de redelijkheid en de omvang van die kosten.

19. Voorzover de Stichting jegens Transavia aansprakelijk is uit onrechtmatige daad, geldt dat Transavia de schade wegens het niet geheel kunnen incasseren van haar vordering op [bestuurder] aan zichzelf te wijten heeft in de zin van art. 6: 101 BW door aan [bestuurder] krediet toe te staan zonder zekerheid voor betaling te bedingen.

De beoordeling

20. Uitgangspunt is dat de Stichting als rechtspersoon een zelfstandige identiteit heeft, een zelfstandige drager is van rechten en verplichtingen. Derhalve is de Stichting in beginsel niet aansprakelijk voor de schuld van [bestuurder] aan Transavia. Slechts onder bijzondere omstandigheden kan wegens misbruik van rechtspersoonlijkheid aanleiding bestaan om het identiteitsverschil tussen een rechtspersoon -hier: de Stichting- en een ander -hier: [bestuurder]- in rechte niet te honoreren.

21. In het onderhavige geval kan worden uitgegaan van de navolgende genoegzaam gebleken feiten en omstandigheden:

(a) [bestuurder] heeft de Stichting opgericht nadat [bestuurder] bij het vonnis van 7 maart 2002 was veroordeeld tot betaling aan Transavia, aan welke veroordeling [bestuurder] niet voldoet;

(b) De Stichting draagt de naam van [bestuurder] in haar naam;

(c) de Stichting heeft als doel: "het beheer en eventuele exploitatie van registergoederen" en al wat daarmee verband houdt;

(d) [bestuurder en echtgenote bestuurder] zijn de enige bestuurders van de Stichting;

(e) de Stichting heeft op de dag van haar oprichting krachtens een koopovereenkomst een woonhuis geleverd gekregen;

(f) de Stichting heeft op de dag van haar oprichting een als bankhypotheek geformuleerde hypotheek op die onroerende zaak gevestigd tot zekerheid voor de betaling van al hetgeen de hypotheeknemer nu of te eniger tijd van de Stichting zelf en van [bestuurder en echtgenote bestuurder] als schuldenaren te vorderen mocht hebben (zie productie 17 zijdens Transavia);

(g) (tot) in februari 2003 heeft in De Telefoongids op naam van [bestuurder] een telefoonaansluiting gestaan op het adres van het onder (e) bedoelde woonhuis.

22. Het onder 21. onder (c) genoemde doel is voor een stichting niet gebruikelijk.

De onder 21. onder (e) genoemde omstandigheid roept op zichzelf vragen op. Immers, aan de verwerving van een onroerende zaak krachtens een koopovereenkomst gaat meestal een onderhands koopcontract vooraf. In de als productie 14 door Transavia in het geding gebrachte akte van levering wordt gesteld "Verkoper heeft blijkens een met [de Stichting] op [25] februari [2002] aangegane koopovereenkomst aan [de Stichting] verkocht en levert op grond daarvan aan [de Stichting], die blijkens voormelde overeenkomst van verkoper heeft gekocht en bij deze aanvaardt". Gegeven de oprichtingsdatum van de Stichting roept ook deze passage vragen op.

Ook de onder 21. onder (f) en (g) genoemde omstandigheden roepen vragen op.

23. Naar aanleiding van de onder 21. onder (c), (e), (f) en (g) genoemde feiten en omstandigheden is ter comparitie van 4 november 2003 aan [bestuurder], aanwezig als bestuurder van de Stichting, om inlichtingen gevraagd.

Ten aanzien van het onder 21. onder (c) genoemde feit heeft de Stichting ter comparitie bij monde van [bestuurder] verklaard dat het statutaire doel van de Stichting inmiddels is gewijzigd. Transavia heeft bij akte na comparitie als productie 18 "Afschriften deponeringsgegevens" van het handelsregister d.d. 6 januari 2004 overgelegd, waaruit blijkt dat de Stichting geen statutenwijziging heeft gedeponeerd. De Stichting heeft geen akte van statutenwijziging, evenmin enig ander bewijs van die statutenwijziging in het geding gebracht. Daarmee is de geloofwaardigheid van de mededeling van de Stichting ter comparitie dat de doelomschrijving is gewijzigd aangetast.

Ten aanzien van de onder 21. onder (f) genoemde omstandigheid luidt blijkens het proces-verbaal van die comparitie het antwoord van[bestuurder]: "Hij kan niet verklaren waarom in de betreffende hypotheekakte [..] hijzelf en zijn echtgenote staan vermeld als medeschuldenaren van de [hypotheeknemer], naast de Stichting." Dat antwoord is niet bevredigend.

Bij die comparitie heeft de Stichting toegezegd onder meer aangaande de onder 21. onder (e) en (f) genoemde omstandigheden nadere stukken in het geding te brengen. De Stichting heeft zodanige stukken niet in het geding gebracht.

Bij die comparitie heeft [bestuurder] over de onder 21. onder (g) genoemde omstandigheid onder meer opgemerkt: "Mogelijk is die vermelding opgenomen doordat, toen hij uit Herwijnen, waar hij een aansluiting had, verhuisde, hij die aansluiting aan zijn zoon [zoon bestuurder] heeft overgedragen, waarna [zoon bestuurder] naar het adres [adres zoon bestuurder] te [woonplaats zoon bestuurder]] is verhuisd". Die mogelijkheid heeft de Stichting niet nader gesubstantieerd, evenmin dienaangaande bewijsstukken in het geding gebracht.

24. Het onder 23. overwogen niet c.q. niet-overtuigend c.q. onbevredigend reageren door de Stichting ten aanzien van de onder 21. onder (c), (e), (f) en (g) genoemde feiten en omstandigheden, terwijl het op de weg van de Stichting lag om de naar aanleiding daarvan gerezen vragen afdoende (onder overlegging van bescheiden) te beantwoorden, rechtvaardigt de gevolgtrekking dat de Stichting, zoals Transavia stelt, door [bestuurder] is opgericht en/of is c.q. wordt gebruikt met het doel het verhaal door Transavia (en andere schuldeisers) ten laste van [bestuurder] te frustreren, behoudens door de Stichting te leveren tegenbewijs. Levert de Stichting zodanig tegenbewijs niet, dan zal het bedoelde misbruik maken door [bestuurder] van het identiteitsverschil tussen de Stichting en zichzelf aan de Stichting worden toegerekend omdat [bestuurder] daarbij handelt (mede) in zijn hoedanigheid van bestuurder van de Stichting. De Stichting zal worden toegelaten dat tegenbewijs te leveren.

25. Hangende die bewijslevering wordt elke nadere beslissing aangehouden.

De beslissing

De rechtbank:

Laat de Stichting toe, desgewenst door middel van getuigen, tegenbewijs te leveren van feiten en/of omstandigheden waaruit blijkt dat de Stichting noch is opgericht, noch is, noch wordt gebruikt met het doel verhaal door Transavia (en/of andere schuldeisers) ten laste van [bestuurder] te frustreren;

Bepaalt dat het eventuele getuigenverhoor zal worden gehouden voor mr. W.P. Sprenger, die daartoe zal overgaan op een in overleg met de procureurs van partijen te bepalen datum en tijdstip in het gebouw van de rechtbank aan het Steegoversloot 36 te Dordrecht.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.P. Sprenger, rechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank van woensdag 28 april 2004.