Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2004:AO5831

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
17-03-2004
Datum publicatie
18-03-2004
Zaaknummer
51710 FT-RK 03/5561
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

artikelen 67 en 69 Faillissementswet; 3:15j B.W.; inzage van administatie van gefailleerde

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

51710 FT-RK 03/5561

Insolventienummer: F 127/00

datum: 17 maart 2004

RECHTBANK DORDRECHT

Beschikking in het faillissement van:

EEC Logistics B.V.,

gevestigd te Oud-Beijerland,

op het hoger beroep en het verzoek van:

Dutch Aircargo Transports B.V. en DAT Expeditie B.V.,

beide gevestigd te Haarlemmermeer,

procureur mr. J.A. Visser,

advocaat mr. H. Pasman te Utrecht,

hierna gezamenlijk te noemen DAT.

relevante stukken

1. De rechtbank heeft kennis genomen van de navolgende stukken:

* het verzoek van DAT aan de rechter-commissaris van 1 mei 2003 en de nadere toelichting daarop bij brief van 14 oktober 2003;

* de beschikking van de rechter-commissaris van 7 november 2003;

* het verzoekschrift van DAT van 12 november 2003;

* een aanvulling op dat verzoekschrift met producties van 25 november 2003;

* het advies van de rechter-commissaris van 1 december 2003;

* pleitnotities van DAT;

* pleitnotities van de curator in dit faillissement, met producties;

* door de curator ter zitting van 19 februari 2004 overgelegde producties, op voorhand toegezonden bij fax van 15 december 2003.

de verzoeken

2. Bij voormelde brief van 1 mei 2003 heeft DAT de rechter-commissaris verzocht, kort samengevat, de curator te bevelen aan DAT gelegenheid te geven om de administratie van EEC Logistics B.V. (verder: EEC Logistics) te controleren. DAT heeft de rechter-commissaris voorts verzocht zich uit te laten over het gedrag van de bewindvoerder, thans curator.

3. Aan dit verzoek heeft DAT het navolgende ten grondslag gelegd.

3.1. Op 1 september 1999 is aan EEC Logistics voorlopig surseance van betaling verleend. Na definitieve verlening heeft de surseance voortgeduurd tot 27 september 2000, op welke datum het faillissement van EEC Logistics is uitgesproken.

3.2. Op 1 september 1999 had DAT een vordering op EEC Logistics van circa

ƒ 400.000,-. Tot zekerheid van de betaling van die vordering had DAT pandrecht op debiteuren van EEC Logistics.

3.3. DAT en EEC Logistics zijn op 6 september 1999 met medewerking van de bewindvoerder een samenwerkingsovereenkomst aangegaan, onder meer inhoudende dat EEC Logistics voor incasso van de aan DAT verpande vorderingen zou zorgdragen en de ontvangen bedragen aan DAT zou doorbetalen. De overeenkomst hield voorts in dat DAT tijdens de surseance bepaalde opdrachten aan EEC Logistics zou verstrekken. EEC Logistics heeft harerzijds opdrachten tot het uitvoeren van transporten gegeven aan DAT.

3.4. EEC Logistics heeft aan verpande vorderingen een bedrag van ƒ 111.353,86 geïncasseerd maar niet doorbetaald aan DAT omdat de boedel niet in staat zou zijn deze vordering te voldoen. De bewindvoerder, thans curator, is persoonlijk aansprakelijk voor deze onverhaalbare boedelvordering omdat hij het ontstaan daarvan had kunnen voorkomen door de ontvangen bedragen (terstond) door te betalen aan DAT.

3.5. Uit hoofde van de door DAT voor EEC Logistics verrichte transporten heeft DAT daarnaast nog een bedrag van

ƒ 498.712,46 van de boedel te vorderen. Deze vordering kan eveneens niet uit de boedel betaald worden, ofschoon de bewindvoerder DAT tot, in ieder geval, mei 2000 in de waan heeft gelaten dat de vordering betaald zou kunnen worden. Ook voor deze vordering is de bewindvoerder, thans curator, persoonlijk aansprakelijk. De bewindvoerder is in het door hem te oefenen toezicht tekortgeschoten.

4. DAT gaf aan dat zij, alvorens verdere stappen te ondernemen, inzage wilde hebben in de administratie van EEC Logistics om deze op onvolkomenheden te controleren en zonodig te corrigeren.

5. Bij voormelde beschikking van 7 november 2003 heeft de rechter-commissaris DAT niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoeken omdat zij, kort gezegd, als boedelcrediteur niet om een bevel als bedoeld in artikel 69 Fw. kan vragen terwijl deze procedure ook niet is bedoeld om mogelijke persoonlijke aansprakelijkheid van de bewindvoerder aan de orde te stellen.

6. In haar aanvulling op het beroepschrift heeft DAT het bovenstaande herhaald en de rechtbank verzocht, zakelijk weergegeven, met vernietiging van de beschikking van de rechter-commissaris het oorspronkelijke verzoek tot inzage van de administratie alsnog toe te wijzen, met veroordeling van de curator in de proceskosten. DAT heeft voorts verzocht de curator te ontslaan en door een ander te vervangen.

7. De rechter-commissaris heeft met betrekking tot dat laatste geadviseerd het verzoek af te wijzen. De curator heeft, bij monde van zijn advocaat mr. J.G. Princen te Rotterdam, verzocht DAT niet-ontvankelijk te verklaren in de verzoeken, althans de verzoeken af te wijzen, met veroordeling van DAT in de proceskosten.

8. De verzoeken zijn behandeld ter zitting van 19 februari 2003.

beoordeling van de verzoeken

9. Het hoger beroep van de beschikking van 7 november 2003 is tijdig ingesteld.

10. De rechtbank stelt voorop dat, volgens constante rechtspraak van de Hoge Raad, de procedure van artikel 69 Fw. beoogt aan (onder meer) schuldeisers de mogelijkheid te geven ingrijpen van de rechter-commissaris uit te lokken indien de bij het beheer en vereffening van de boedel betrokken belangen van de schuldeiser geschaad dreigen te worden. Het zal er dus steeds om moeten gaan dat de boedel geschaad dreigt te worden en derhalve mogelijk ook de belangen van de betreffende schuldeiser, die voor uitkering uit de boedel afhankelijk is van de omvang daarvan. Boedelschuldeisers kunnen op het artikel geen beroep doen omdat niet de belangen van de schuldeisers gezamenlijk, het boedelbelang, op het spel staat, maar hun persoonlijke belangen bij betaling aan hen door de boedel. Voor de bescherming van dat belang zal de schuldeiser de gebruikelijke civiele procedure moeten volgen. DAT neemt de stelling in dat in geval van een negatieve boedel ook voor een boedelcrediteur de procedure van 69 Fw. zou moeten openstaan, maar die stelling wijst de rechtbank gezien de hiervoor weergegeven rechtspraak af.

11. De rechtbank dient zich dus, nu vaststaat dat DAT in ieder geval ook schuldeiser in het faillissement is, de vraag te stellen welke belangen DAT nastreeft. Onder 2.3 van haar aanvullende beroepschrift geeft DAT aan dat het verzochte onderzoek van de administratie nodig is omdat zij wil vaststellen op welke wijze haar boedelvordering is ontstaan en om welke redenen EEC Logistics, althans de bewindvoerder, verpande vorderingen heeft geïnd (en niet aan DAT heeft afgedragen). De reden waarom zij hierover duidelijkheid wil hebben is, gelet op hetgeen hiervoor onder 4 is weergegeven, kennelijk dat DAT overweegt de bewindvoerder, thans curator, persoonlijk aan te spreken op het gebrek aan verhaal voor haar vordering. De rechtbank stelt vast dat het DAT niet gaat om de belangen van de boedel, zelfs niet om haar belang als boedelcrediteur bij betaling door de boedel, maar om haar mogelijke vordering op de curator. De procedure van artikel 69 Fw. is daarvoor niet geschreven.

12. Dat DAT naast boedelcrediteur ook schuldeiser in het faillissement is maakt het voorgaande niet anders omdat DAT niet overtuigend heeft gesteld dat zij als zodanig enig belang bij onderzoek van de administratie heeft. Bij de behandeling ter zitting heeft DAT weliswaar opgemerkt dat onderzoek van de administratie mogelijk aan het licht kan brengen dat de bestuurder van EEC Logistics als zodanig jegens de boedel aansprakelijk is, maar indien DAT meent dat daarvoor aanleiding bestaat had in de rede gelegen dat zij de rechter-commissaris zou hebben verzocht te bevelen dat de curator een daarop gericht onderzoek zou doen. Dat heeft DAT niet gedaan; haar verzoek is van meet af aan gericht geweest op het vaststellen van aansprakelijkheid van de curator. De rechtbank neemt de wens van DAT de aansprakelijkheid van de bestuurder te doen onderzoeken dan ook met een korrel zout.

13. DAT baseert haar verzoek tevens op artikel 3:15j (voorheen 15b) B.W. De bepaling werpt echter geen ander licht op de zaak omdat voor een beroep op de bepaling in het kader van de procedure van artikel 69 Fw. in ieder geval nodig is dat de bij het beheer en vereffening van de boedel betrokken belangen van DAT dreigen te worden geschaad. Uit de memorie van toelichting (kamerstukken 27 824 nr. 3 pagina 9) is overigens af te leiden dat in dit artikel zijn bedoeld schuldeisers in het faillissement die als zodanig een rechtstreeks en voldoende belang hebben, niet boedelcrediteuren met een dergelijk belang.

14. Gelet op het voorgaande is het verzoek tot onderzoek van de administratie weliswaar ontvankelijk omdat DAT in hoger beroep in ieder geval enig belang van de boedel heeft gesteld, maar dient het te worden afgewezen.

15. Het verzoek tot ontslag van de curator is gebaseerd op de stelling dat hij als bewindvoerder zijn taak niet naar behoren heeft verricht. Ook indien deze stelling juist zou zijn bestaat echter thans geen reden de curator te vervangen nu, zoals door de curator bij de behandeling van het hoger beroep onweersproken is gesteld, geen werkzaamheden meer verricht behoeven te worden en het faillissement kan worden afgewikkeld. Ook dat verzoek moet worden afgewezen.

16. de curator heeft verzocht DAT te veroordelen in de proceskosten. Voor een proceskostenveroordeling is in deze op artikel 67 Fw. gegronde procedure evenwel geen plaats.

beslissing

De rechtbank:

wijst het verzoek tot ontslag van de curator af;

vernietigt de beschikking van de rechter-commissaris van 7 november 2003 en opnieuw beschikkende:

wijst het verzoek van DAT van 1 mei 2003 af;

verklaart de curator niet-ontvankelijk in het verzoek tot het uitspreken van een proceskostenveroordeling.

Deze beschikking is gegeven door mrs. P.G.J. de Heij, H.T.J.F. Verhappen en B.C. Vink en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 maart 2004 in aanwezigheid van de griffier.