Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2004:AO2649

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
29-01-2004
Datum publicatie
29-01-2004
Zaaknummer
11/006245-03
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft een 58-jarige man wegens brute verkrachting van een 14/15-jarig meisje, het vervaardigen en in bezit hebben van kinderporno en het hebben van een hennepkwekerij veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes jaren. De rechtbank liet bij het bepalen van deze straf zwaar wegen dat het verstandelijk enigszins beperkte meisje doof was en dat verdachte een vertrouwensrelatie met haar had.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 242
Wetboek van Strafrecht 243
Wetboek van Strafrecht 245
Wetboek van Strafrecht 240b
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 351
Opiumwet
Opiumwet 3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NS 2004, 107
NBSTRAF 2004/107

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

MEERVOUDIGE STRAFKAMER

Tegenspraak

Parketnummer : 11/006245-03

Zittingsdatum : 15 januari 2004

Uitspraak : 29 januari 2004

VERKORT STRAFVONNIS

(art. 138b Sv)

De rechtbank te Dordrecht heeft op grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting vonnis gewezen in de zaak tegen:

Verdachte

De rechtbank heeft de processtukken gezien en kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen de verdediging naar voren heeft gebracht.

Voorts heeft de rechtbank kennis genomen van de vordering van de benadeelde partij.

1. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 01 augustus 2001 tot en met 27 augustus 2002 te Mijnsheerenland, gemeente Binnenmaas, door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] 1987) heeft gedwongen tot het ondergaan van (een) handeling(en) die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat verdachte op die [slachtoffer] is gaan liggen en/of haar polsen heeft vastgepakt en/of vastgehouden, en/of (aldus) voor die [slachtoffer] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan;

SUBSIDIAIR: voorzover het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij in of omstreeks de periode van 01 augustus 2001 tot en met 27 augustus 2002 te Mijnsheerenland, gemeente Binnenmaas, met ) [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] 1987), die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer];

2.

hij in of omstreeks de periode van 01 augustus 2001 tot en met 27 augustus 2002 te Mijnsheerenland, gemeente Binnenmaas, in elk geval in Nederland, één of meermalen een afbeelding en/of een gegevensdrager, bevattende één of meer afbeeldingen van seksuele gedragingen, bij welke vorenbedoelde afbeelding(en) (telkens) een persoon die kennelijk de leeftijd van zestien jaar nog niet had bereikt, was betrokken, (telkens) heeft verspreid en/of vervaardigd en/of ingevoerd en/of uitgevoerd en/of in voorraad heeft gehad;

3.

hij in of omstreeks de periode van 01 april 2003 tot en met 26 juni 2003 te Mijnsheerenland, gemeente Binnenmaas, opzettelijk beroepsmatig heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan [adres] ) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 172 planten, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

4.

hij in of omstreeks de periode van 01 januari 2003 tot en met 26 juni 2003 te Mijnsheerenland, gemeente Binnenmaas, om een feit, bedoeld in het derde of vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van XTC, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en/of MDEA, zijnde MDMA en/of MDEA een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen, een of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of grondstoffen en/of inlichtingen te verschaffen;

2. De voorvragen

2.1 De geldigheid van de dagvaarding

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

2.2 De bevoegdheid van de rechtbank

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen.

2.3 De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen feiten en/of omstandigheden gebleken, die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan.

2.4 De schorsing van de vervolging

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing van de vervolging gebleken.

3. Het onderzoek ter terechtzitting

3.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd overeenkomstig de als bijlage 2 aan dit vonnis gehechte vordering ter terechtzitting.

3.2 De verdediging

De verdediging heeft een bewijsverweer gevoerd.

3.3 De vordering van de benadeelde partij

Als benadeelde partij heeft zich schriftelijk in het geding gevoegd [benadeelde partij],wonende te [adres benadeelde partij]

Zij vordert verdachte te veroordelen aan haar te betalen een bedrag van € 4.062,68 terzake van medische kosten, reiskosten, telefoonkosten en voorschot immateriële schade.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de gevorderde voorschot immateriële schade van € 4.000,--.

Door of namens de verdachte is de vordering betwist.

4. De bewijsbeslissingen

4.1 De vrijspraak.

Aan de verdachte is, kort samengevat, onder 4. ten laste gelegd dat hij gedurende een periode van zes maanden terzake Opiumwetdelicten opzettelijk voorbereidings- en/of bevorderingshandelingen heeft verricht.

Naast de vermelding van in de woning van verdachte aangetroffen flessen met chemicaliën en dozen met apparatuur, bevat het dossier geen andere aanknopingspunten met betrekking tot dit ten laste gelegde feit.

De rechtbank is daarom van oordeel dat er geen wettig bewijs is dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het onder 4. ten laste gelegde.

De verdachte zal daarom worden vrijgesproken van dit feit.

4.2 De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte

1.

in de periode van 01 augustus 2001 tot en met 27 augustus 2002 te Mijnsheerenland, gemeente Binnenmaas, door geweld of andere feitelijkheden het [slachtoffer] (geboren in [geboortedatum]1987) heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] en bestaande dat geweld of die andere feitelijkheden hierin dat verdachte op die [slachtoffer]is gaan liggen en haar polsen heeft vastgepakt en vastgehouden, en aldus voor die [slachtoffer] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan;

2.

in de periode van 01 augustus 2001 tot en met 27 augustus 2002 te Mijnsheerenland, gemeente Binnenmaas meermalen een afbeelding en/of een gegevensdrager, bevattende afbeeldingen van seksuele gedragingen, bij welke vorenbedoelde afbeeldingen telkens een persoon die kennelijk de leeftijd van zestien jaar nog niet had bereikt, was betrokken, telkens heeft vervaardigd en in voorraad heeft gehad;

3.

in de periode van 01 april 2003 tot en met 26 juni 2003 te Mijnsheerenland, gemeente Binnenmaas, opzettelijk beroepsmatig heeft geteeld en bereid en bewerkt en verwerkt in een pand aan [adres] een hoeveelheid van in totaal ongeveer 172 hennepplanten en delen daarvan, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende

lijst II.

Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Voor zover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4.3 De bewijsmiddelen

De rechtbank grondt haar overtuiging dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en de omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

De rechtbank bezigt ieder bewijsmiddel, ook in onderdelen, telkens slechts voor het bewijs van het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis met de bewijsmiddelen vereist in een aan dit vonnis gehechte bijlage worden opgenomen.

5. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

Het bewezenverklaarde levert op:

1.

VERKRACHTING.

2.

EEN AFBEELDING VAN EEN SEKSUELE GEDRAGING, WAARBIJ IEMAND DIE KENNELIJK DE LEEFTIJD VAN ZESTIEN JAAR NOG NIET HEEFT BEREIKT, IS BETROKKEN, VERVAARDIGEN EN IN VOORRAAD HEBBEN, MEERMALEN GEPLEEGD.

3.

BIJ DE UITOEFENING VAN EEN BEROEP OPZETTELIJK HANDELEN IN STRIJD MET EEN IN ARTIKEL 3 EERSTE LID ONDER B VAN DE OPIUMWET GEGEVEN VERBOD.

6. De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7. De redenen, die de straf hebben bepaald of tot de maatregel hebben geleid

7.1 Strafmotivering

De rechtbank heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het meermalen verkrachten van de minderjarige dochter van zijn ex-vriendin. Het slachtoffer was in de periode waarin de verkrachtingen plaatsvonden 14 respectievelijk 15 jaar oud. Zij is voor wat betreft haar verstandelijke vermogens enigszins beperkt. Daar komt bij dat zij doof is en mede daardoor moeilijker kan communiceren dan anderen die deze handicap niet hebben.

In de periode waarin de relatie tussen de moeder van het slachtoffer en verdachte nog in tact was, logeerde het slachtoffer regelmatig bij verdachte. Zij kwam zelf uit een gebroken gezin en vond het gezellig bij verdachte. Zij mocht van hem computerspelletjes spelen, patatjes eten en had het idee dat verdachte min of meer een tweede vader voor haar was. Nadat de relatie tussen haar moeder en verdachte was stuk gelopen logeerde het slachtoffer nog enkele keren bij verdachte.

Tijdens die logeerpartijen heeft verdachte zich verscheidene malen op brute wijze aan het slachtoffer vergrepen. Hij heeft met volledig voorbij zien aan de beperkingen en de kwetsbaarheid van het slachtoffer, zich geheel laten leiden door zijn eigen seksuele lustgevoelens en heeft zich er niet om bekommerd dat het slachtoffer - zo is de rechtbank met name uit de door verdachte zelf opgenomen video-opnamen van zijn seksuele escapades met het slachtoffer gebleken - op niet mis te verstane wijze hem te kennen gaf deze contacten niet te willen. Integendeel, op momenten dat het slachtoffer ook voor verdachte kenbaar tegenstribbelde, weerstand bood en afwerende bewegingen maakte, heeft verdachte haar weerstand gebroken door onder meer haar handen van haar gezicht te trekken en hardhandig haar bij haar polsen te pakken en die met kracht naast haar hoofd op het bed te drukken. Ook de afwerende gebaren van het slachtoffer maakten op verdachte geen indruk. Hij negeerde die, nam zelf keer op keer het initiatief tot het op zeer grove wijze seksueel binnendringen bij het inmiddels volledig apatische slachtoffer en behandelde haar aldus als een louter lustobject.

Verdachte heeft zich zodoende ten koste van het slachtoffer ver verwijderd van de menselijke maatstaven in de omgang met elkaar.

Tijdens de behandeling ter terechtzitting heeft de verdachte er in het geheel geen blijk van gegeven in te zien dat de schuld voor de thans bewezenverklaarde feiten niet bij het slachtoffer ligt doch bij hemzelf, dit niettegenstaande het feit dat aannemelijk geworden is dat het slachtoffer telkenmale tegenover verdachte duidelijk gemaakt heeft geen enkel seksueel contact met hem te wensen.

Bovendien zijn bij verdachte videobanden aangetroffen waarop hij met het 14 of 15 jarige slachtoffer deze seksuele handelingen heeft verricht.

Verdachte heeft door het plegen van laatstgenoemde feiten indirect bijgedragen aan seksueel misbruik van kinderen. Door het vervaardigen en in voorraad hebben van kinderporno is het verdachte mede toe te rekenen dat uiterst verwerpelijke mensonterende handelingen, die plaatsvinden met kinderen van veelal zeer jeugdige leeftijd, in stand worden gehouden en bevorderd.

Buiten kijf staat dat kinderen, als zij op jeugdige leeftijd worden onderworpen aan dit soort seksuele handelingen, grote psychische, lichamelijke en emotionele schade kunnen oplopen die hun verdere ontwikkeling ernstig kan schaden. Kinderen dienen beschermd te worden tegen dergelijke praktijken en handelingen.

Verdachte heeft zich voorts schuldig gemaakt aan het telen, bereiden, bewerken en verwerken van 172 hennepplanten. In het huis van verdachte is een professionele hennepkwekerij aangetroffen.

Het is feit van algemene bekendheid dat het gebruik van verdovende middelen gevaar oplevert voor de volksgezondheid maar ook dat zulks direct en indirect oorzaak is van vele vormen van criminaliteit. Door deze handel in verdovende middelen heeft verdachte aangezet tot het in stand houden en verder uitbreiden van de hieraan verwante maatschappelijke problemen.

De rechtbank acht deze feiten zo ernstig dat daarop slechts met een vrijheidsbenemende straf van lange duur kan worden gereageerd.

Wat betreft de persoon van verdachte heeft de rechtbank gelet op zijn omstandigheden zoals ter terechtzitting gebleken.

Tenslotte heeft de rechtbank bij haar beoordeling rekening gehouden met het uittreksel uit het Algemeen Documentatieregister van verdachte, d.d. 3 juli 2003 waaruit blijkt dat verdachte in 2003 ter zake van een opiumwetdelict is veroordeeld tot een vrijheidsstraf, hetgeen hem kennelijk niet heeft kunnen weerhouden thans opnieuw in de fout te gaan.

Op grond van het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te melden duur dient te worden opgelegd en dat niet kan worden volstaan met de door de officier van justitie gevorderde straf.

7.2 De vordering van de benadeelde partij

Nu is komen vast te staan dat de benadeelde partij [benadeelde partij], wonende te [adres benadeelde partij], als gevolg van de onder feit 1. bewezen verklaarde strafbare feiten rechtstreeks schade heeft geleden zal de rechtbank -naar billijkheid en als voorschot- € 4.000,-- als vergoeding van immateriële schade toewijzen.

Het resterende deel van de vordering van de benadeelde partij is niet van zo eenvoudige aard, dat dit onderdeel van de vordering zich leent voor behandeling in dit strafgeding. Gelet hierop zal worden bepaald dat de benadeelde partij daarin niet ontvankelijk is.

Nu de vordering van de benadeelde partij slechts ten dele zal worden toegewezen dienen de proceskosten te worden gecompenseerd, zoals hierna zal worden bepaald.

Naast toewijzing van deze civiele vordering zal de rechtbank als extra waarborg voor de schadevergoeding tevens de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen.

8. De toepasselijke wettelijke voorschriften

De opgelegde straf of maatregel is gegrond op de volgende wettelijke voorschriften:

artikelen 24c, 36f, 57, 240b en 242 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet.

9. De beslissing

De rechtbank

- verklaart niet wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 4. ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

- verklaart bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals vermeld onder 4.2 van dit vonnis;

- verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de hier onder 5. vermelde strafbare feiten opleveren;

- verklaart de verdachte hiervoor strafbaar;

- veroordeelt de verdachte wegens deze feiten tot:

GEVANGENISSTRAF voor de duur van ZES JAREN;

- bepaalt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de hem opgelegde gevan-genisstraf in mindering wordt gebracht;

- veroordeelt verdachte tegen kwijting aan [benadeelde partij], wonende te [adres benadeelde partij], als voorschot te betalen de som van € 4.000,-- (vierduizend euro);

- verklaart de benadeelde partij niet ontvankelijk in het resterende gedeelte van de vordering;

- compenseert de proceskosten, in die zin dat iedere partij de eigen kosten betaalt;

- legt op de verplichting tot betaling aan de staat van een bedrag van € 4.000,-- (vierduizend euro) ten behoeve van [benadeelde partij], wonende te [adres benadeelde partij], met bepaling dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt -onder handhaving van voormelde verplichting- vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 80 dagen;

- bepaalt dat voldoening van de maatregel de (tot hetzelfde bedrag) toegewezen civiele vordering doet vervallen en (omgekeerd) de vergoeding van de geleden schade tot het toegewezen bedrag door de veroordeelde de opgelegde maatregel doet vervallen.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. drs. T.F. van der Lugt, voorzitter,

en mrs. I.M.A. de Graaf en J.S. van Duurling, rechters,

in tegenwoordigheid van H. Broer, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 29 januari 2004.