Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2003:AM2490

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
21-10-2003
Datum publicatie
21-10-2003
Zaaknummer
11/005580-02
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

35-jarige verdachte pleegt ontucht met meisje van 16, art. 248a (oud) WvSr.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

MEERVOUDIGE STRAFKAMER

Tegenspraak

Parketnummer : 11/005580-02

Parketnummer TUL: 11/005175-01

Zittingsdatum : 07 oktober 2003

Uitspraak : 21 oktober 2003

VERKORT STRAFVONNIS

(art. 138b Sv)

De rechtbank te Dordrecht heeft op grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting vonnis gewezen in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren in 1966 te [geboorteplaats],

ingeschreven op [adres + woonplaats].

De rechtbank heeft de processtukken gezien en kennis genomen van de

vordering van de officier van justitie en van hetgeen de verdediging naar voren

heeft gebracht.

1. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd wat in de dagvaarding is omschreven. Een kopie van de dagvaarding is als bijlage 1 aan dit vonnis gehecht en maakt hiervan deel uit.

2. De voorvragen

2.1 De geldigheid van de dagvaarding

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

2.2 De bevoegdheid van de rechtbank

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen.

2.3 De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen feiten en/of omstandigheden gebleken, die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan.

2.4 De schorsing van de vervolging

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing van de vervolging gebleken.

3. Het onderzoek ter terechtzitting

3.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie - het ten laste gelegde onder 1. subsidiair en 2. bewezen achtend - heeft gevorderd overeenkomstig de als bijlage 2 aan dit vonnis gehechte vordering ter terechtzitting.

Daarnaast heeft de officier van justitie de tenuitvoerlegging gevorderd van de straf voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter in deze rechtbank van 5 oktober 2001, parketnummer 11/005175-01, te weten: een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden. Een kopie van de vordering is als bijlage 3 aan dit vonnis gehecht en maakt hiervan deel uit.

3.2 De verdediging

De verdediging heeft algehele vrijspraak bepleit en daarnaast een strafmaatverweer gevoerd.

4. De bewijsbeslissingen

4.1 Vrijspraak

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1. primair en subsidiair en 2. primair is tenlastegelegd.

De rechtbank heeft uit het onderzoek op de terechtzitting niet met volledige zekerheid kunnen vaststellen welke ontuchtige handelingen zijn gepleegd en waar in de tenlastegelegde perioden, voor of na het zestiende jaar van aangeefster, deze precies moeten worden geplaatst. De rechtbank komt slechts -gelet op de aangifte, verdachtes ter zake afgelegde verklaring en de overige stukken uit het dossier - tot een bewezenverklaring van de ontucht in de periode na aangeefsters 16e verjaardag.

Verdachte zal dan ook van het onder 1. primair en subsidiair en 2. primair tenlastegelegde worden vrijgesproken.

4.2 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte

2.

(subsidiair)

in de periode van 05 februari 2002 tot en met 01 juni 2002 te

Gorinchem, door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend

overwicht een minderjarige, te weten [slachtoffer] (geboren

in 1986), wiens minderjarigheid hij kende, opzettelijk heeft bewogen tot het dulden van

ontuchtige handelingen, hebbende hij, meermalen,

telkens

- de borsten en billen van die [slachtoffer] betast.

Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Voor zover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4.3 De bewijsmiddelen

De rechtbank grondt haar overtuiging dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en de omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

De rechtbank bezigt ieder bewijsmiddel, ook in onderdelen, telkens slechts voor het bewijs van het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis met de bewijsmiddelen vereist in een aan dit vonnis gehechte bijlage worden opgenomen.

4.4 Nadere bewijsoverweging

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft de rechtbank de navolgende feiten en omstandigheden kunnen vaststellen:

- dat de handelingen zich hebben afgespeeld op het "eigen terrein" van verdachte, te weten zijn winkel en huis(kamer);

- dat verdachte in zijn winkel bewust een ontmoetings -en speelplaats heeft gecreëerd voor jeugdigen; een sociale ontmoetingsplaats naar hijzelf heeft verklaard;

- dat verdachte door het veelvuldig maken van seksuele -en dubbelzinnige opmerkingen een bepaalde seksueel geladen sfeer heeft gecreëerd;

- dat verdachte als eigenaar - en vrijwel enige volwassene - de spin in het web was gezien de gehele constellatie van omstandigheden.

Gelet op voornoemde feiten en omstandigheden, mede in aanmerking genomen het forse leeftijdsverschil tussen verdachte en het minderjarige slachtoffer, maakt dat naar het oordeel van de rechtbank er sprake is van "misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht".

5. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

Het bewezenverklaarde levert op:

2. (subsidiair)

DOOR MISBRUIK VAN UIT FEITELIJKE VERHOUDINGEN VOORTVLOEIEND OVERWICHT EEN MINDERJARIGE, WIENS MINDERJARIGHEID HIJ KENT, OPZETTELIJK BEWEGEN ONTUCHTIGE HANDELINGEN VAN HEM TE DULDEN, MEERMALEN GEPLEEGD.

6. De strafbaarheid van de verdachte

6.1 Het rapport van de deskundige

Uit het door drs. J.J. van der Weele, psycholoog, omtrent verdachte uitgebrachte rapport van 13 maart 2003 komt onder meer het navolgende naar voren - zakelijk weergegeven - :

Bij betrokkene bestond tijdens het begaan van de tenlastegelegde feiten geen gebrekkige ontwikkeling en/of ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens. Vanwege het ontbreken daarvan moet betrokkene als volledig toerekeningsvatbaar worden beschouwd.

6.2 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank verenigt zich met de conclusie van voornoemde deskundige. Zij is van oordeel dat op grond van het strafdossier, het verhandelde ter terechtzitting en het rapport van voornoemde deskundige, voldoende is gebleken dat de tenlastegelegde en bewezenverklaarde feiten volledig aan verdachte kunnen worden toegerekend.

Nu ook overigens uit het onderzoek ter terechtzitting geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten, is verdachte strafbaar voor de door hem gepleegde feiten.

7. De motivering van de sanctie en overige beslissingen

7.1 Strafmotivering

De rechtbank heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft meermalen bij een meisje van nauwelijks 16 jaar de billen en borsten betast. Deze feiten hebben onder meer plaats gevonden in de winkel van verdachte. Aldaar had hij een ontmoetings- en speelplaats voor jeugdigen gecreëerd met een - naar verdachte zelf heeft verklaard - sociale functie. Door zijn handelen heeft verdachte de aldaar gecreëerde vertrouwelijkheid en veiligheid - welke het slachtoffer dan ook van hem mocht verwachten - geschaad en tevens onvoldoende besef getoond van de ongelijkwaardigheid in de relatie tussen een jeugdige en een persoon van zijn leeftijd.

Verdachte heeft inbreuk heeft gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Dergelijke feiten kunnen schade toebrengen aan de ontwikkeling van nog in de puberteit verkerende jeugdigen.

Bij de bepaling van de strafmodaliteit en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met alle hiervoor aangehaalde feiten en omstandigheden alsmede met de overige persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals deze naar voren zijn gebracht in de over hem door de Stichting Reclassering te Dordrecht, en de deskundigen D. van der Meer (forensisch psychiater) en drs. J.J. van der Weele, voornoemd, opgemaakte rapporten en zoals die ook overigens ter terechtzitting zijn gebleken.

Alles afwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden geheel voorwaardelijk een passende en geboden sanctie. Teneinde de recidivekans zoveel mogelijk in te perken zal aan deze straf de maximale proeftijd van 3 jaar worden verbonden. Gelet op de aard en ernst van de feiten en de conclusie van de deskundige Van der Weele, voornoemd, dat verdachte niet valt binnen de doelgroep van de daderbehandeling zedendelinquenten acht de rechtbank het wederom - verdachte heeft immers dadertherapie gevolgd in het kader van de strafzaak waarvan thans de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke gevangenisstraf wordt geëist - opleggen van een dergelijke dadertherapie als bijzondere voorwaarde thans niet geïndiceerd.

Voorts zal de rechtbank niet overgaan tot het opleggen van een verplicht reclasseringscontact nu de reclassering in haar advies tot de conclusie komt dat er onvoldoende basis aanwezig is om te adviseren tot begeleiding.

7.2 De vordering tot tenuitvoerlegging na voorwaardelijke veroordeling

Verdachte is door de politierechter in deze rechtbank bij onherroepelijk geworden vonnis van 5 oktober 2001 onder parketnummer 11/005175-01 veroordeeld tot onder meer een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met bevel dat deze straf niet zal worden tenuitvoergelegd , tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een op twee jaar bepaalde proeftijd zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

De kennisgeving bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering is aan de veroordeelde toegezonden.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting zijn vordering gewijzigd in die zin dat hij thans vordert dat een gedeelte van voornoemde vrijheidsstraf - groot 3 maanden - zal worden tenuitvoergelegd en dat voor wat betreft het resterende gedeelte - eveneens groot 3 maanden - de proeftijd met een jaar zal worden verlengd.

Ter terechtzitting is gebleken dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd heeft schuldig gemaakt aan strafbare feiten. De veroordeelde heeft derhalve de algemene voorwaarde niet nageleefd. De feiten waarvoor hij thans wordt veroordeeld zijn bovendien, evenals de feiten die aan zijn veroordeling in 2001 ten grondslag lagen pedosexuele delicten.

De rechtbank ziet daarin - met name gelet op de aard en de ernst van deze feiten - voldoende aanleiding om de volledige tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke veroordeling te gelasten. In tegenstelling tot hetgeen de officier van justitie heeft gevorderd, zal de rechtbank voorts echter in plaats van een vrijheidsstraf een taakstraf, bestaande uit een werkstraf van na te melden duur opleggen. Zij acht dit geïndiceerd op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte welke uit het onderzoek ter terechtzitting zijn gebleken naar aanleiding van de door de Stichting Reclassering te Dordrecht en de deskundige Van der Weele uitgebrachte rapporten. Zij betrekt in dit oordeel tevens de omstandigheid dat de nu bewezen feiten minder vergaand zijn geweest dan die in 2001 aan de orde waren.

8. De toepasselijke wettelijke voorschriften

De opgelegde straf is gegrond op de volgende wettelijke voorschriften:

de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57 en 248a (oud) van het Wetboek van Strafrecht.

9. De beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1. primair en subsidiair en 2. primair is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals vermeld onder 4.2 van dit vonnis;

verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart dat het bewezenverklaarde de onder 5. vermelde strafbare feiten oplevert;

verklaart de verdachte hiervoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte wegens deze feiten tot:

EEN GEVANGENISSTRAF VOOR DE DUUR VAN DRIE (3) MAANDEN,

en bepaalt dat deze straf NIET zal worden tenuitvoergelegd, tenzij een rechter later anders mocht gelasten, op de grond dat veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op DRIE JAREN bepaalde PROEFTIJD aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

bepaalt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de hem opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht;

Ten aanzien van de vordering tenuitvoerlegging:

gelast EEN TAAKSTRAF VOOR DE DUUR VAN 240 UREN, bestaande uit een werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid;

deze taakstraf komt in de plaats van een last tot tenuitvoerlegging van de straf, voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter in deze rechtbank van 5 oktober 2001, parketnummer 11/005175-01, te weten: een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden.

Dit vonnis is gewezen door:

Mr. E.C. Koekman, voorzitter,

en mrs. A.P. Hameete en M.A.C. Prins, rechters,

in tegenwoordigheid van [griffier], griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 21 oktober 2003.